← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:4273

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/122 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. M.P. Smit), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: P. Spoelstra). Samenvatting

  1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.
  2. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het onderzoek van het UWV onvolledig is geweest. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
  3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WIA. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juni 2024 (primair besluit) afgewezen, omdat eiseres minder dan 35 % arbeidsongeschikt is bevonden.Met het bestreden besluit van 29 november 2024 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.
  4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het bestreden besluit
  6. Eiseres was van 15 januari 2018 tot 29 juli 2020 werkzaam als [beroep] voor gemiddeld 30,37 uur per week. Zij heeft zich op 9 december 2019 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Vervolgens is aan haar ziekengeld toegekend. Het UWV heeft in het kader van de zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 21 december 2020 heeft het UWV de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) per 22 januari 2021 beëindigd. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 5 mei 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft deze rechtbank het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 april 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hiertegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.Eiseres heeft hervat in werk, laatstelijk als [beroep] voor 30,37 uur per week. Vanaf 3 januari 2022 heeft eiseres een werkloosheidswet (WW) uitkering. Op 4 april 2022 heeft eiseres zich opnieuw ziek gemeld vanuit de ZW.Na het doorlopen van de wachttijd is eiseres met ingang van 4 juli 2022 door het UWV in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.Per einde wachttijd heeft het UWV een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling verricht. Dit heeft geleid tot het primaire besluit. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop”. Overwegingen Beroepsgronden
  7. Eiseres stelt, voor zover thans van belang, dat het UWV haar klachten en beperkingen niet juist heeft gewogen en dat zij daarom niet geschikt is voor de geduide functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet kunnen horen hoe slecht eiseres eraan toe was. Eiseres trilde helemaal en was nauwelijks aanspreekbaar en kon eigenlijk geen antwoord geven op vragen. Uit het verslag van de hoorzitting valt niet af te leiden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier ook maar enige aandacht voor heeft gehad.Het feit dat eiseres niet geschikt bleek voor groepsbehandeling en dat zij van ellende weer terug is gegaan naar voormalig behandelaar psycholoog [psycholoog] ([psycholoog]) had aanleiding moeten zijn om nadere informatie bij deze psycholoog op te vragen. Eiseres heeft geen middelen om informatie op te vragen. Er bestaat twijfel of er slechts sprake is van (lichte) depressieve klachten. Een onderliggende diagnose wordt vermoed. Eiseres stelt dat haar functionele mogelijkheden zijn overschat en dat zij wel degelijk last heeft van een ernstige depressie die haar concentratievermogen en geheugen zodanig heeft aangetast dat zij niet aan de eisen van het werken in het vrije bedrijfsleven kan voldoen. Verweer
  8. Het UWV stelt zich, voor zover thans van belang, op het standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. De beperkingen zijn juist weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en eiseres wordt in staat geacht de geduide functies te kunnen verrichten.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 15 november 2024 overtuigend gemotiveerd waarom de conclusie van de verzekeringsarts omtrent de belastbaarheid van eiseres in stand kan blijven. In bezwaar is aangevoerd dat eiseres begonnen was met een acute behandeling bij Dimence omdat haar klachten waren verergerd na een confrontatie met haar stalker. Uit de informatie van Dimence blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake was van een duidelijke hulpvraag. Eiseres heeft bij Dimence de behandeling afgebroken. Hierna heeft zij een thuisbehandeling gekregen. Haar medicatie gaf naar eigen zeggen teveel bijwerkingen. Zij is vervolgens weer onder behandeling gekomen van haar eerdere behandelaar, psycholoog [psycholoog]. Er is bij eiseres een patroon te zien van het vermijden van zorg buiten de haar bekende psycholoog om en een afhankelijk houding.Beoordeling6.1 De rechtbank is van oordeel dat het UWV ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij psycholoog. Zij geeft daarvoor de volgende motivering. 6.2 De beschikbare informatie van Dimence van 7 augustus 2024 vermeld als volgt: “ (…) Nu verwezen door de huisarts i.v.m aangeven van een wens voor euthanasie bij al jarenlange bestaande somberheidsklachten met toenemende isolatie en regressie, bij traumatische ervaringen in het verleden. (o.a. stalking). (…) Zij heeft geen daginvulling meer en komt niet meer buiten. Er is sprake van een afhankelijk dynamiek, voornamelijk in de relatie met moeder. Er is een ambivalente, passieve doodswens.” Eiseres heeft de interne behandeling bij Dimence zelf stopgezet.Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat eiseres na het stopzetten van de behandeling bij Dimence terug is gegaan naar haar eerdere behandelaar psycholoog [psycholoog]. Zij wordt, ook nu nog, behandeld door [psycholoog]. Zij heeft afspraken van ongeveer een uur per keer, eens in de 2 a 3 weken. Het hoorverslag vermeldt voorts dat eiseres zelf niet de financiële middelen heeft om de informatie bij [psycholoog] op te vragen. 6.3 Bij Dimece was blijkens de rapportage van 7 augustus 2024 sprake van een acute dagbehandeling. Deze behandeling is afgebroken door eiseres zelf, maar zij heeft vervolgens behandeling ontvangen bij haar eerdere psycholoog. Dit duidt wel degelijk op een hulpvraag. Gelet op de klachten van eiseres, haar (passieve) doodswens, de noodzaak tot acute dagbehandeling bij Dimence en daarna de behandeling bij [psycholoog], is de rechtbank van oordeel dat het UWV zelf bij [psycholoog] informatie had moeten opvragen ten einde de situatie van eiseres zo zorgvuldig mogelijk te beoordelen. Nadere informatie van [psycholoog] kon dan ook niet achterwege blijven.Het onderzoek door het UWV heeft daarom niet zorgvuldig plaatsgevonden.
  9. Zoals hiervoor is overwogen onder 6.3 is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV alsnog informatie opvragen bij psycholoog [psycholoog] en deze informatie laten beoordelen door verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
  10. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
  11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.