← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:4277

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/124 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: M.G. Velten). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de WAO-uitkering van eiseres over de periode van 1 maart 2024 tot en met 31 augustus 2024 en de daaruit voortvloeiende terugvordering.Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep terecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het UWV had moeten afzien van de terugvordering. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop en tot stand komen van het bestreden besluit
  3. Bij primair besluit van 9 oktober 2024 heeft het UWV aan eiseres bericht dat haar WAO-uitkering over de periode 1 maart 2024 tot en met 31 augustus 2024 is vastgesteld en dat zij een te hoog voorschot heeft ontvangen. Een bedrag van € 2.743,58 aan teveel betaald voorschot wordt van eiseres teruggevorderd.2.1 Eiseres heeft bezwaar gemaakt.2.2 Met het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij het besluit van 9 oktober 2024 gebleven.2.3 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 december 2024.2.4 Bij besluit van 21 februari 2025 (bestreden besluit II) heeft het UWV opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist. De terugvordering wordt gewijzigd vastgesteld op € 1.371,79.2.5 Desgevraagd heeft eiseres aangegeven het beroep te willen handhaven. Het beroep is daarmee mede gericht tegen het besluit van 21 februari
  4. 2.6 De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV. Tevens is aan de zijde van eiseres verschenen [naam] . De feiten
  5. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de WAO. Zij is hierbij 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Eiseres werkt naast haar WAO-uitkering. Ten tijde in geding betrof dit een dienstverband van 6 uur per week. Het UWV verstrekt de uitkering op voorschot basis. Halfjaarlijks wordt de uitkering definitief vastgesteld met inachtneming van de inkomsten.Totstandkoming van bestreden besluit II
  6. Het UWV stelt in het (gewijzigd) besluit van 21 februari 2025 het volgende.In maart 2024 had een definitieve vaststelling van de uitkering dienen plaats te vinden over de periode september 2023 tot en met februari
  7. Daartoe is op 8 maart 2024 Suwinet geraadpleegd. Er heeft op dat moment echter ten onrechte geen definitieve berekening plaatsgevonden.In oktober 2024 was het volgende halfjaarlijkse moment om de uitkering definitief vast te stellen. Daarbij is vastgesteld dat de inkomsten van eiseres met ingang van januari 2024 vanwege een CAO verhoging (Wet minimumloon indexatie) omhoog zijn gegaan. Een vergelijking van de inkomsten met het maatmaninkomen leidt er toe dat er uitbetaald had moeten worden naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65-80%.In de klasse 65-80% wordt een uitkering betaald van 50,75% van het dagloon. Dit in tegenstelling tot klasse 80-100% waar wordt uitbetaald naar een percentage van 75%.Dat betekent dat het UWV teveel aan voorschot aan eiseres heeft uitbetaald. Als de fictieve klasse lager is dan de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin iemand is ingedeeld, dan moet de uitkering worden uitbetaald naar die lagere fictieve klasse. Dit is gebaseerd op artikel 44 van de WAO en dit betreft een dwingendrechtelijke bepaling. Daarom kan het UWV niet slechts het verschil aan netto-inkomsten van eiseres terugvorderen, omdat uitgegaan moet worden van de arbeidsongeschiktheidsklassen. Daar staat tegenover dat in maart 2024 al door het UWV Suwinet is geraadpleegd. De maanden januari en februari 2024 zijn door het UWV ook niet teruggevorderd. Dit acht het UWV evenredig. Over de periode in geding, zijnde maart-augustus 2024 stelt het UWV zich op het standpunt dat zij reden ziet om de terugvordering te matigen met 50% omdat zij zelf eerder tot handelen hadden kunnen overgaan. In dat geval had eiseres vanaf maart een voorschot ontvangen. Voor het volledig afzien van terugvordering ziet het UWV geen aanleiding. Feit blijft immers dat de uitkering op voorschotbasis wordt uitbetaald. En inherent aan het terugvorderen van een voorschot is dat er een definitieve afrekening komt. Beoordeling door de rechtbank
  8. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de terugvordering op grond van de WAO. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Beroepsgronden
  9. Eiseres is het ook met het besluit van 21 februari 2025 niet eens, daarom handhaaft zij haar beroep. Zij is boos over het handelen van het UWV. Zij heeft beroep moeten indienen om het UWV te dwingen tot een andere beslissing. Zij vindt excuses wel op zijn plaats. Daarnaast wijst eiseres er op dat zij, zoals zij ook al verwachtte, een terugvordering van het UWV heeft ontvangen over september 2024, als gevolg van de definitieve vaststelling.Samengevat weergegeven stelt eiseres dat zij de terugvordering niet evenredig vindt. Zij heeft netto ruim 200 euro extra verdiend over een periode van zes maanden, maar werd in het besluit van 2 december 2024 geconfronteerd met een terugvordering van het tienvoudige. Eiseres wijst er nogmaals op dat haar gezondheid niet is verbeterd, in tegendeel. Zij kon met moeite maar zes uur per week werken met het oog op haar gezondheid, hetgeen eigenlijk ook niet was vol te houden en zij vooral deed uit loyaliteit en omdat zij anders al zoveel thuis opgesloten zit. Zij is met ingang van 1 oktober 2024 nog minder gaan werken, omdat zes uur niet vol te houden was. Zij moet al veel inleveren en dan komt deze terugvordering er ook nog bij. Ten slotte wijst eiseres op de fout van het UWV. Die had in maart 2024 al kunnen zien dat zij meer verdiende, waardoor de terugvordering voorkomen had kunnen worden. Eiseres was dan, omdat haar gezondheid toen al achteruit ging, meteen minder gaan werken, zoals zij nu pas per 1 oktober 2024 is gaan doen, en dan was zij in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse gebleven. Oordeel van de rechtbank
  10. Het beroep voor is gegrond. De rechtbank zal overgaan tot vernietiging van de bestreden besluiten I en II en zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de terugvordering moet worden kwijtgescholden. Toetsingskader 7.1 Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV teruggevorderd. Artikel 57, lid 6, van de WAO bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 7.2 Niet in geschil is dat het UWV op grond van artikel 44 van de WAO de definitieve WAO uitkering lager kan vaststellen als gevolg van meer genoten inkomsten. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of het UWV de terugvordering nog verder had moeten matigen dan de 50% die is opgenomen in bestreden besluit II. 7.3 De rechtbank is van oordeel dat het UWV reden had moeten zien om de terugvordering volledig achterwege te laten en overweegt daartoe als volgt. 7.4 Het UWV had in maart 2024 al Suwinet geraadpleegd en wist daardoor dat eiseres meer inkomsten had, waardoor zij in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse ingedeeld had moeten worden. Dit heeft het UWV ook erkend. Het UWV stelt echter dat dit voldoende gecompenseerd wordt doordat over de maanden januari-februari terugvordering achterwege is gebleven en over de overige maanden de terugvordering wordt beperkt tot 50%. De rechtbank volgt het UWV niet in dit betoog. Als het UWV in maart 2024 direct aan eiseres had doorgegeven dat zij teveel verdiende, dan was het totaalbedrag aan terugvordering op hetzelfde uitgekomen. Eiseres had dan direct haar werkzaamheden kunnen terugschroeven, hetgeen gelet op wat zij heeft aangevoerd er hoe dan ook zat aan te komen, waardoor zij dan in ieder geval vanaf april weer in de hogere arbeidsongeschiktheidsklasse had kunnen worden ingedeeld. De terugvordering zou in dat geval beperkt zijn tot de maanden januari – maart, hetgeen een vergelijkbaar bedrag betreft als dat nu wordt teruggevorderd (50% van maart – augustus). In zoverre heeft het UWV de feitelijke gevolgen van haar nalaten weliswaar gecompenseerd en eiseres met het bestreden besluit II in de situatie gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als het UWV gelijk in maart juist had gehandeld, maar daarmee heeft het UWV nog geen compensatie geboden voor de stress die het UWV nodeloos bij eiseres heeft veroorzaakt. 7.
  11. Eiseres heeft in haar beroepsgronden en ter zitting bevestigd dat zij van de bezwaar- en beroepsprocedure heel veel spanning heeft ondervonden. Het gaat voor haar om veel geld. Pas in beroep heeft het UWV reden gezien tot matiging. Eiseres is aldus door de handelswijze van het UWV gedwongen geweest een beroepsprocedure te starten om überhaupt een juiste beslissing van het UWV te kunnen afdwingen. Gelet op de kwetsbare positie waarin eiseres zich als WAO-gerechtigde in een hoge arbeidsongeschiktheidsklasse bevindt, acht de rechtbank het op zijn plaats dat het UWV eiseres niet alleen in de positie brengt waarin zij had gezeten als het UWV juist had gehandeld, maar eiseres ook compenseert voor de onnodige stress die zij bij eiseres heeft veroorzaakt door aldus te handelen en pas in beroep met een (gedeeltelijke) oplossing te komen. Het UWV had zich meer rekenschap moeten geven van het effect dat dergelijk handelen en de gevolgen daarvan op een kwetsbaar persoon in de positie van eiseres heeft. In dit alles ziet de rechtbank reden om op grond van artikel 57, zesde lid, van de WAO in samenhang met de door het UWV aangehaalde rechtspraak van de CRvB, te bepalen dat het UWV van terugvordering had moeten afzien. Gelet op de fouten die door het UWV zijn gemaakt en de stress die dit bij eiseres heeft veroorzaakt, is een terugvordering niet langer evenredig. De bestreden besluiten en het primaire besluit kunnen dan ook niet in stand blijven. Conclusie en gevolgen
  12. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten I en II in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de volledige terugvordering over de periode van 1 maart 2024 tot en met 31 augustus 2024 wordt kwijtgescholden. 8.1 Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook draagt de rechtbank het UWV op de reiskosten ten bedrage van € 6,20 aan eiseres te vergoeden.Eiseres heeft voor het overige geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten I en II; - herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de terugvordering, bepaalt dat de terugvordering over de periode maart tot en met augustus 2024 vervalt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden; - bepaalt dat het UWV de reiskosten van € 6,20 aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verwezen is naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.