RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 24/3212 en 24/3366 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen eisende partijen: (onder nummer ZWO 24/3212) [eiser 1], alsmede haar bestuurders [eiser 3] en [eiser 4] (gemachtigde: [gemachtigde]), en (onder nummer ZWO 24/3366) [eiser 2], alsmede haar bestuurders [eiser 5] en [eiser 6]; (gemachtigde: mr. D.F. Briedé) en verwerende partij: de burgemeester van Almelo (gemachtigde: mr. M. Ichoh). De twee eisende partijen worden hierna kortweg aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2]. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de exploitatievergunningen die de burgemeester aan de bestuurders van [eiser 1] en [eiser 2] heeft verleend. [eiser 1] en [eiser 2] zijn het niet eens met deze vergunningen, voor zover deze op naam zijn gesteld van de bestuurders in plaats van op naam van de rechtspersoon en voor de beperkte duur van vijf jaar zijn verleend. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de exploitatievergunningen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunningen heeft kunnen verlenen zoals hij heeft gedaan. [eiser 1] en [eiser 2] krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding en procesverloop 2. Zowel [eiser 1] als [eiser 2] exploiteren een coffeeshop in Almelo. Zij waren beide daarvoor in het bezit van exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd. 2.1. De gemeenteraad van Almelo heeft bij besluit van 7 december 2021 de nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo (APV) vastgesteld. Bij brief van 17 december 2021 heeft de burgemeester [eiser 1] en [eiser 2] afzonderlijk geïnformeerd over de nieuwe APV en gewezen op de voor hen relevante wijzigingen en de mogelijke gevolgen daarvan. 2.2. [eiser 1] en [eiser 2] hebben ieder bezwaar gemaakt tegen het besluit tot vaststelling van de APV en tegen de brief van de burgemeester van 7 december 2021. Deze bezwaren zijn nietontvankelijk verklaard. [eiser 1] en [eiser 2] hebben hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] op 10 april 2024 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is door zowel [eiser 1] als [eiser 2] hoger beroep ingesteld. 2.3. Zowel [eiser 1] als [eiser 2] hebben naar aanleiding van de gewijzigde APV op 18 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning. 2.4. De burgemeester heeft met de besluiten van 3 oktober 2022 besloten aan [eiser 1] en [eiser 2] exploitatievergunningen te verlenen voor de duur van vijf jaar. De exploitatievergunningen zijn op naam van de bestuurders gesteld. 2.5. [eiser 1] en [eiser 2] hebben bezwaar gemaakt. 2.6. Met de bestreden besluiten van 18 juli 2024 op de bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] is de burgemeester bij de verlening van de exploitatievergunningen gebleven. 2.7. [eiser 1] en [eiser 2] hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.8. De burgemeester heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.9. De rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 3] namens [eiser 1], de gemachtigde van [eiser 1], [eiser 6] en [eiser 5] namens [eiser 2], de gemachtigde van [eiser 2] en de gemachtigde van de burgemeester. Beoordeling door de rechtbank 3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] tegen de door de burgemeester verleende exploitatievergunningen van 3 oktober 2022. De rechtbank beoordeelt niet of en in hoeverre de burgemeester de oude exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd rechtsgeldig heeft beëindigd en of de burgemeester de op naam van de stichtingen ingediende aanvragen om een exploitatievergunningen terecht buiten behandeling heeft gesteld dan wel heeft afgewezen, omdat de beroepschriften zich niet richten op de beëindiging van oude exploitatievergunningen en niet op het buiten behandeling stellen dan wel afwijzen van de aanvragen van de stichtingen. 3.1. Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] dezelfde beroepsgronden hebben aangevoerd, zal de rechtbank deze beroepsgronden gezamenlijk behandelen. De overige beroepsgronden, die namens één van de stichtingen zijn aangevoerd, zal de rechtbank daarna apart bespreken. Vergunningen op naam van de bestuurders 4. [eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat de exploitatievergunningen ten onrechte zijn verleend op naam van de bestuurders. Zij hebben toegelicht dat de exploitatievergunningen eerder op naam van de stichtingen stonden en dat zij dit graag zo willen behouden in verband met de continuïteit van de bedrijfsvoering. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat ook niet is gemotiveerd waarom exploitatievergunningen niet langer op naam van de rechtspersoon (mogen) worden gesteld. [eiser 1] heeft nog aangevoerd dat de coffeeshop moet worden gezien als een paracommerciële instelling, waardoor de exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, vierde lid, van de APV op naam van de rechtspersoon had moeten worden verleend. 4.1. De burgemeester heeft er in het verweerschrift op gewezen dat het uitgangspunt in de APV is dat een vergunning persoonsgebonden is. Dit blijkt uit de artikelen 1:5 en 2:28, derde lid, van de APV. Slechts voor een paracommerciële instelling is in de APV een uitzondering gemaakt. Uit artikel 2:28, vierde lid, van de APV volgt namelijk dat een dergelijke vergunning op naam van de paracommerciële rechtspersoon kan worden gesteld. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunningen conform de bepalingen uit de APV heeft kunnen verlenen op naam van de bestuurders van [eiser 1] en [eiser 2]. De rechtbank ziet niet in dat [eiser 1] en [eiser 2] hierdoor onevenredig zijn benadeeld ten opzichte van de situatie waarbij de exploitatievergunningen zouden zijn verleend op naam van de stichtingen. Dat dit de continuïteit van hun bedrijfsvoering in gevaar zou brengen, is onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd. Dat de onderneming van [eiser 2] niet meer going concern zou kunnen worden overgedragen, zoals [eiser 2] heeft aangevoerd, acht de rechtbank een onvoldoende valide argument, omdat óók als de exploitatievergunning op naam van de rechtspersoon zou staan de verkrijgende partij bij een bedrijfsoverdracht zelfstandig een (nieuwe) exploitatievergunning zou moeten aanvragen, omdat de vergunning niet overdraagbaar is. 4.3. [eiser 1] stelt dat zij als exploitant van een coffeeshop moet worden aangemerkt als een paracommerciële instelling als bedoeld in artikel 2:27, aanhef en onder f, van de APV, omdat zij een stichting is, en dat de exploitatievergunning om die reden op haar naam kan worden gesteld. De rechtbank volgt dit niet. De enkele omstandigheid dat de coffeeshops worden geëxploiteerd door een stichting, maakt niet dat reeds hierom sprake is van een paracommerciële instelling. In artikel 2:27, aanhef en onder f, van de APV wordt een paracommerciële rechtspersoon omschreven als een rechtspersoon, niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een openbare inrichting. [eiser 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als exploitant van een coffeeshop aan deze omschrijving voldoet. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat coffeeshops geen paracommerciële instellingen zijn. Ook hierom hoefde de burgemeester de exploitatievergunningen niet op naam van de rechtspersonen te verlenen. Vergunningen voor bepaalde tijd 5. [eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat de exploitatievergunningen ten onrechte voor de duur van vijf jaar zijn verleend. Volgens hen zouden de vergunningen voor onbeperkte tijd moeten worden verleend. Zij doen daarvoor een beroep op de Dienstenrichtlijn. Zij stellen dat de exploitatievergunningen geen schaarse exploitatievergunningen zijn, zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn, omdat deze enkel betrekking hebben op de legale horeca-activiteiten. Het is niet duidelijk waarom de burgemeester een “toetsmoment” wenst na vijf jaar en waarom reguliere handhavingsinstrumenten niet volstaan. Er zijn immers geen incidenten geweest en er is ook geen sprake van overlastmeldingen. 5.1. Niet in geschil is, dat op een exploitatievergunning voor een horecabedrijf de Dienstenrichtlijn van toepassing is, die in Nederland is geïmplementeerd in de Dienstenwet. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 september 2023. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de Dienstenwet wordt een vergunning die voor onbepaalde tijd kan worden verleend niet in geldigheidsduur beperkt, tenzij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.