RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummers: 08.302900.24, 08-349225-24, 08-016016-25 (gev. ttz.), 08-249809-23 (vnvv) en 21-004615-22 (vnvv) Datum vonnis: 1 mei 2025 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] , verblijvende in de PI [verblijfplaats] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank de feiten van de zaak met parketnummer 08-302900-24 als feit 1 en feit 2, de feiten van de zaak met parketnummer 08-349225-24 als feit 3 en feit 4 en de feiten van de zaak met parketnummer 08-016016-25 als feit 5 en feit
- De verdenking komt er, kort en bondig, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 25 juli 2024 tot en met 22 september 2024 in Zwolle opzettelijk in cocaïne heeft gedeald;feit 2: op 22 september 2024 in Zwolle opzettelijk 23,28 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;feit 3: op 24 april 2024 in Utrecht een binnenspiegel en voorruit heeft vernield;feit 4: in de periode van 1 maart 2024 tot 1 mei 2024 [slachtoffer] meermaals heeft bedreigd;feit 5: op 11 oktober 2024 in Almelo [slachtoffer] heeft bedreigd;feit 6: in de periode van 19 december 2024 tot en met 22 december 2024 in Almelo meermaals heeft gehandeld in strijd met een door de officier van justitie afgegeven gedragsaanwijzing. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: feit 1 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 juli 2024 tot en met 22 september 2024 te Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 hij op of omstreeks 22 september 2024 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 3 hij op of omstreeks 24 april 2024 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (binnen)spiegel en/of een (voor)ruit van een auto (Volkswagen Polo, kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; feit 4 hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot 1 mei 2024 te Utrecht en/of Deventer en/of Zwolle, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: - dat hij haar en haar hele familie zou vermoorden en/of - dat hij haar, haar zus en haar moeder gaat vermoorden, maar dat hij begint met haar en/of dat als de politie zoveel meer over hem wist met betrekking tot het dealen hij haar dood laat schieten en/of - dat zij het verdient om op dood geschoten te worden, omdat ze een snitch is, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. feit 5 hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Deventer en/of Almelo, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen - " Snapje? ik ga jou niet als lachende derde laten daar! Ja? Ga ik niet laten. Jij gaat de meeste pijn krijgen, geloof me nou maar" en/of - "ik heb je toen nog klappen gegeven ook nog, ga je weer hem bellen! Wat moet ik met jou doen? Moet ik jou doodslaan?" en/of - "he moet ik jou.. moet ik jou echt volgende keer gewoon dat je helemaal dat je je ogen niet meer open kan doen slaan? Wil je dat hebben?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; feit 6 hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 december 2024 tot en met 22 december 2024 te Almelo, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 november 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door telefonisch contact op te nemen met [slachtoffer]. 3De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt de onder feit 1, feit 2, feit 5, en feit 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig was en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De resultaten van de doorzoeking, inclusief de aangetroffen drugs en de telefoon, moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Er is aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feit, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft voorts bepleit dat verdachte wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder feit 5 en feit 6 ten laste gelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De feiten en omstandigheden Op 22 september 2024 zien verbalisanten verdachte in Zwolle rijden in een rode Citroën C1 met kenteken [kenteken 2] . Tijdens de start van hun dienst is besproken dat sinds juli 2024 elf Meld Misdaad Anoniem (MMA) meldingen over verdachte zijn binnengekomen. Verdachte zou handelen in harddrugs en daarbij gebruik maken van een rode Citroën Cl met kenteken [kenteken 2] . Hij zou zowel binnen als buiten Zwolle handelen. Daarnaast zou hij ergens een garagebox hebben waar hij de drugs verpakt. Uit onderzoek bleek dat verdachte een rode Citroen Cl met kenteken [kenteken 2] op zijn naam heeft. Het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor de handel in soft- en harddrugs. De verbalisanten houden verdachte staande en hij legitimeert zich als [verdachte] . De verbalisanten doorzoeken het voertuig en fouilleren verdachte. In het voertuig wordt een telefoon aangetroffen. In de linkerjaszak van verdachte treffen verbalisanten een plastic zak gevuld met wit poeder aan. Dit blijkt 9,70 gram cocaïne. Ook heeft verdachte een sleutel bij zich die past op een garagebox aan de [adres] . In de garagebox wordt een paarse papieren tas met daarin onder meer een gripzakje met wit poeder aangetroffen. Dit blijkt 13,58 gram cocaïne. De in de auto van verdachte aangetroffen telefoon is onderzocht. Met de telefoon is vanaf 11 september 2024 meermaals het volgende bericht verstuurd. ‘ [naam] hier, ben ik actief en snel op locatie zuivere SOS/Coca o,5 voor 35 euro (aanbieding 3x voor 90) 0,7 voor 40 (aanbieding 3x voor 100) 0,8 voor 50 (aanbieding 3x voor 130) 1.0 voor 60 (aanbieding 5.0 voor 250) 3 mmc topkwaliteit 2.0 20 eu ,5.0 40 eu, 10 voor 75 eu Zwolle en omstreken tikkie mogelijk’. Daarnaast zijn met de telefoon meerdere dealergesprekken gevoerd. Het eerste gesprek dateert van 12 september
- Verdachte heeft verklaard dat hij twee weken voor zijn aanhouding op 22 september 2024 is begonnen met het verkopen van cocaïne. Verdachte is naar eigen zeggen onder druk gezet om te dealen vanwege hoge schulden in het criminele milieu. De drugs die hij bij zich had tijdens zijn aanhouding en in de garagebox waren van hem. Overwegingen en oordeel Onrechtmatige doorzoeking De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verbalisanten bekend waren met de elf binnengekomen MMA-meldingen over verdachte. In deze meldingen werd gesteld dat verdachte handelde in harddrugs en reed in een rode Citroën Cl met kenteken [kenteken 2] . Deze informatie is geverifieerd en het bleek dat verdachte een rode Citroën C1 met kenteken [kenteken 2] op zijn naam had. Deze meldingen leveren naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet op, te meer omdat de verbalisanten ambtshalve bekend waren met de antecedenten van verdachte. De rechtbank acht de doorzoeking van het voertuig daarom rechtmatig en verwerpt het verweer van de raadsman. De pleegperiode De rechtbank overweegt op basis van de bewijsmiddelen ten aanzien van de pleegperiode het volgende. Verdachte heeft bekend dat hij twee weken voor zijn aanhouding is begonnen met de handel in cocaïne. Volgens de officier van justitie heeft verdachte zich hier echter al sinds 25 juli 2024 mee beziggehouden. Dit volgt volgens haar uit een WhatsApp-gesprek met een contact genaamd ‘ [alias] ’ waarin door [alias] wordt gevraagd om SOS (cocaïne). Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het betreffende WhatsApp-gesprek met [alias] onvoldoende is om vast te stellen dat verdachte sinds 25 juli 2024 handelde in cocaïne. In het gesprek laat verdachte weten dat ‘hij zo laat niets kan regelen’ waardoor er geen deal tot stand komt. Op voornoemd bericht na zijn er geen berichten op de telefoon van verdachte aangetroffen die duiden op de handel in cocaïne vóór 1 september
- Dat op de bankrekening van verdachte ronde bedragen zijn bijgeschreven via ‘Tikkies’ is onvoldoende om te concluderen dat die betalingen verband hebben gehouden met de verkoop van drugs. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 1 september 2024 tot en met 22 september 2024 cocaïne heeft verkocht en verstrekt. Voorhanden hebben van cocaïne De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen verder vast dat verdachte op 22 september 2024 in Zwolle 23,28 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarmee is ook het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te stellen dat verdachte opzettelijk de binnenspiegel en voorruit van [slachtoffer] heeft vernield. De rechtbank overweegt daartoe dat de aangifte van [slachtoffer] niet wordt ondersteund door overig bewijs. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en de verklaring van aangeefster [slachtoffer] zodanig uiteenlopen, dat er, afgezet tegen de ontkennende verklaring van verdachte, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om het onder feit 4 ten laste gelegde bewezen te verklaren. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder feit 4 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 5 ten laste gelegde. Verdachte heeft dit feit bekend en door of namens hem is ten aanzien daarvan geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden – overeenkomstig artikel 359, lid 3, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – in dit vonnis met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan: de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 april 2025; het proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2024 (pagina’s 9 tot en met 11). Ten aanzien van het onder feit 6 ten laste gelegde Verdachte heeft bekend dat hij het onder feit 6 ten laste gelegde heeft gepleegd. Tijdens de zitting is door hem of zijn raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt daarom op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder feit 6 ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, lid 3, laatste volzin, Sv zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
- de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 april 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2025 (pagina’s 12 tot en met 14). 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: feit 1 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 september 2024 tot en met 22 september 2024 te Zwolle, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 2 hij op 22 september 2024 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad 23,28 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 5 hij op 11 oktober 2024 te Almelo, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen - " Snapje? ik ga jou niet als lachende derde laten daar! Ja? Ga ik niet laten. Jij gaat de meeste pijn krijgen, geloof me nou maar" en - "ik heb je toen nog klappen gegeven ook nog, ga je weer hem bellen! Wat moet ik met jou doen? Moet ik jou doodslaan?" en - "he moet ik jou.. moet ik jou echt volgende keer gewoon dat je helemaal dat je je ogen niet meer open kan doen slaan? Wil je dat hebben?"; feit 6 hij op meerdere tijdstippen in de periode van 19 december 2024 tot en met 22 december 2024 te Almelo, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 november 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door telefonisch contact op te nemen met [slachtoffer] . De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 184a, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 5: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling; feit 6: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten. 6De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door GGZ Tactus Enschede (hierna: de reclassering) geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de eis van de officier van justitie te matigen. De raadsman heeft gewezen op de positieve reclasseringsrapportage en verzocht verdachte het ingezette hulpverleningstraject zo snel mogelijk te laten hervatten. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De aard en de ernst van de gepleegde feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad en heeft gedurende een periode van enkele weken gedeald in cocaïne. Dit moet krachtig worden bestreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Dit is een gevaar voor de volksgezondheid en het ruïneert het leven van gebruikers (en hun naasten). Bovendien gaat de verspreiding van en de handel in harddrugs gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer] en het meermaals overtreden van een gedragsaanwijzing door [slachtoffer] te bellen. Met dit handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] en angstige gevoelens bij haar teweeggebracht. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. De persoon van verdachte Uit het strafblad van verdachte van 21 januari 2025 volgt dat verdachte meermaals is veroordeeld wegens (onder meer) het overtreden van de Opiumwet. Hij liep bovendien in twee proeftijden van eerdere veroordelingen. Dit betrekt de rechtbank strafverzwarend bij de strafoplegging. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van 2 april
- Hierin staat beschreven dat als gevolg van het criminele verleden en de verslavingsproblematiek van verdachte forse financiële problemen zijn ontstaan. Door deze problemen en door de financiële situatie van zijn moeder en de spanningen met zijn ex-partner ervaart verdachte grote druk en emotionele klachten. Deze factoren hebben een negatieve invloed op alle leefgebieden en het recidiverisico. Op 27 maart 2024 is het toezicht horend bij parketnummer 21.004615-22 gestart. De toezichthouder merkte dat verdachte niet het achterste van zijn tong liet zien. De eerste periode waren er volgens toezichthouder geen signalen van drugsgebruik, maar uiteindelijk is verdachte teruggevallen in middelengebruik. Kort voor zijn aanhouding was verdachte gestart met een ambulante verslavingsbehandeling bij JusTact. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De reclassering wil verdachte nog een kans geven, omdat het toezicht in de opstartfase zat en adviseert de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en het meewerken aan middelencontrole. De strafoplegging De rechtbank neemt bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. Het oriëntatiepunt voor het dealen in harddrugs gedurende minder dan een maand is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Dit oriëntatiepunt ziet op een verdachte die zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan drugshandel. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin nadrukkelijk in aanmerking dat er sprake is van veelvuldige recidive. Eerdere straffen voor soortgelijke feiten hebben verdachte er geenszins van weerhouden opnieuw te handelen in cocaïne. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 10 tot 50 gram harddrugs (een taakstraf van 80 uur) en het oriëntatiepunt voor bedreiging (een geldboete van € 350,--). De rechtbank acht, gelet op de kortere duur van de bewezenverklaarde periode ter zake van de handel in cocaïne, een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist passend en geboden. Daarnaast wil de rechtbank net als de reclassering verdachte nog een laatste kans geven. Een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf na het voorarrest kan ervoor zorgen dat het inzetten op hulpverlening geen zin meer heeft. De rechtbank zal, alles afwegende, aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank koppelt daaraan – om het recidiverisico in te perken – de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, zoals in het dictum vermeld. Hoewel het de rechtbank verstandig lijkt dat verdachte en [slachtoffer] geen contact meer met elkaar hebben, zal de rechtbank geen contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde opleggen omdat is gebleken dat de afgelopen maanden ook vanuit [slachtoffer] contact is gezocht met verdachte. 7De in beslag genomen voorwerpen 7.1 De standpunten van partijen De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 825,-- terug te geven aan verdachte. De raadsman heeft eveneens verzocht het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan verdachte. 7.2 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen geldbedrag van € 825,-- (zoals deze op de beslaglijst is vermeld) niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring. Omdat de overige gronden voor inbeslagneming uit artikel 94 Sv niet langer aan de orde zijn en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet, gelast de rechtbank de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan verdachte. 8De schade van benadeelde 8.1 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 180.509,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: vernielde voorruit € 409,64; eigen risico [bedrijf] € 100,--. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 180.000,-- gevorderd. 8.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 8.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren. 8.4 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade De vordering ter vergoeding van de materiële schade heeft betrekking op het onder feit 3 ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op grond van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De immateriële schade Op basis van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij in beperkte gevallen aanspraak maken op vergoeding van andere schade dan vermogensschade, zoals in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Tegen de achtergrond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 15 maart 2019, NJ 2019/162) dient de rechtbank te beoordelen of de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. De rechtbank stelt vast dat een nadere onderbouwing van de psychische gevolgen voor [slachtoffer] ontbreekt. De nadelige gevolgen van de aard en de ernst van de normschending voor de benadeelde liggen in dit geval niet zo voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder een nadere onderbouwing, te meer omdat ter zitting is gebleken dat [slachtoffer] tot zeer recent ook zelf contact blijft zoeken met verdachte. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
- De vorderingen tenuitvoerlegging (met parketnummer 21-004615-22 en 08-249809-23) 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft op 22 november 2024 schriftelijk de tenuitvoerlegging van twee aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen gevorderd. Onder parketnummer 21-004615-22 gaat het om een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 augustus 2023 aan hem heeft opgelegd. Onder parketnummer 08-249809-23 gaat het om een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden die de politierechter van de rechtbank Overijssel op 19 januari 2024 aan verdachte heeft opgelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd de gevangenisstraf van drie maanden om te zetten in een taakstraf van 200 uren en voornoemde gevangenisstraf van twaalf maanden volledig ten uitvoer te leggen. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht beide vorderingen af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van parketnummer 08-249809-23 de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen en dat de gevangenisstraf van drie maanden moet worden omgezet naar een taakstraf van 200 uren. De rechtbank zal ten aanzien van parketnummer 21-004615-22 de vordering van de officier van justitie toewijzen voor een periode van drie maanden. Ook zal de rechtbank de proeftijd (voor de resterende voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden) verlengen met de duur van één jaar. 10De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde artikelen en op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr. 11De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod; feit 5: het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling; feit 6: het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd. strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van vijf maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte (zich) gedurende de proeftijd: meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak; laat behandelen door forensische polikliniek JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart en kan na detentie worden voortgezet. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor (crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek). Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt; verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, nog nader te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; meewerkt aan controle op het gebruik van cocaïne en 3-MMC om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; - draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] - bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil; het in beslag genomen voorwerp - gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 825,--; tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (met parketnummer 21-004615-22) - beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 augustus 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden; - verlengt de proeftijd met één jaar; tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (met parketnummer 08-249809-23) - beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 19 januari 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden en zet deze straf om in een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. Monincx, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. M. Scheeper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei
- Buiten staat Mr. N.J.C. Monincx is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2024 (154 tot en met 158). Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 24 september 2024 (pagina’s 148 tot en met149), inclusief het als bijlage gevoegde NFiDENT-rapport van 24 september 2024 (pagina 140). Het proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2024 (pagina’s 31 tot en met 33). Het proces-verbaal van bevindingen van 26 september 2024 (pagina’s 52 en 53). Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 19 november 2024 (pagina’s 138 tot en met 142), inclusief het als bijlage gevoegde NFiDENT-rapport van 24 oktober 2024 (pagina 143). Het proces-verbaal van bevindingen van 24 september 2024 (60 tot en met 71). Het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2024 (72 tot en met 75). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-
- Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.