RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/324078 / HA ZA 24-434 Vonnis van 27 augustus 2025 in de zaak van 1 [partij A 1] B.V., te [vestigingsplaats 1], hierna te noemen: [partij A 1],2. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., te Den Haag, hierna te noemen: Nationale Nederlanden, eisende partijen in de hoofdzaak, gedaagde partijen in het incident, hierna samen te noemen: [partij A], advocaat: mr. V.R. Pool, tegen 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht [partij B 1] , te [vestigingsplaats 2] (Polen), gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij B 1], advocaat: mr. V.C. Hofman, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht [partij B 2] , te [vestigingsplaats 3] (Polen), gedaagde partij in de hoofdzaak, geen partij in het incident, (nog) niet verschenen in de hoofdzaak, hierna te noemen: [partij B 2], hierna samen te noemen: [partij B] 1De zaak in het kort 1.1. [partij A 1] heeft [partij B 1] ingeschakeld, omdat zij goederen van Deventer naar Polen wilde laten vervoeren. [partij B 1] heeft vervolgens een derde partij de opdracht gegeven om de goederen te vervoeren. Vervolgens is de vracht verdwenen. [partij A] vordert van [partij B] schadevergoeding voor het verdwijnen van de vracht. 1.2. In incident vordert [partij B 1] onder meer dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. De rechtbank wijst deze vordering toe. De rechtbank is van oordeel dat het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR-verdrag) niet van toepassing is op de overeenkomst tussen [partij A 1] en [partij B 1] en de rechtbank haar bevoegdheid dus niet aan dit verdrag kan ontlenen. Op grond van artikel 4 EEX-verordening is de rechtbank in Polen bevoegd over dit geschil te oordelen. 1.3. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt [partij A] in de proceskosten. 2De procedure 2.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding; - de akte overlegging producties; - de incidentele conclusie houdende excepties van onbevoegdheid en vrijwaring;- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, tevens akte referte in het vrijwaringsincident; - de akte in het bevoegdheidsincident van [partij B 1]. 2.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [partij A 1] is een groothandel in producten voor de voedingsmiddelenindustrie. Nationale Nederlanden is de verzekeraar van [partij A 1]. 3.2. Op 9 mei 2022 stuurde [partij B 1] de volgende e-mail aan [partij A 1]: “Good morning! I am (…) [partij B 1] – Logistics Company from Poland. We are organizing transport around Europe (…) full truck and part loads too. Frigo trucks and taulieners too – as you wish. I will do my best to find the best truck for You. (…)” 3.3. Per e-mail van diezelfde dag stuurde de heer [naam] van [partij A 1] de e-mail van [partij B 1] intern door in de organisatie van [partij A 1]. Daarbij stuurde hij de volgende tekst: “Below I am sending you the contact details of the Polish forwarder who will help us with deliveries to Poland. (…)” 3.4. Diezelfde dag vroeg [partij A 1] per e-mail het eerste vervoer aan bij [partij B 1]. Ook daarna heeft [partij A 1] meerdere keren [partij B 1] ingeschakeld in verband met transporten naar Polen. 3.5. [partij B 1] heeft veertien facturen overgelegd, daterend van juni t/m augustus 2022 en januari t/m april 2023. Op al die facturen staat bij de omschrijving van de werkzaamheden: “Forwarding service according to the order (…)” 3.6. Op 26 april 2023 heeft de volgende mailwisseling plaatsgevonden tussen [partij A 1] en [partij B 1]: [partij A 1] (8.43 uur): “We will have a shipment ready next Monday to the address below. At what price can you offer us (…)? This is about 21 block pallets, net weight 24,170 kg. (…)” [partij B 1] (8.44 uur): “Im checking my options will let you know asap!” [partij A 1] (13.40 uur): “(…) do you have an offer for me yet?” [partij B 1] (13.47 uur):“unfortunately not yet, i am working on it. (…)” [partij A 1] (13.56 uur): “I have an offer already from our forwarder which we normally use for Germany (€ 1.123,-). I must decide by the end of today. (…)” [partij B 1] (14.02 uur): “Oh understand, just wanted to check lower price. At the moment I have 1050€, loading Thursday morning with delivery Friday around 14:00-15:00. (…) Can we do it?” [partij A 1] (14.16 uur): “Yes, thanks, you can do it, hereby my agreement.” 3.7. [partij B 1] heeft vervolgens de vennootschap naar buitenlands recht [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) ingeschakeld om de vracht te vervoeren. 3.8. De zending is op of omstreeks 4 mei 2023 in Deventer geladen door [bedrijf]. 3.9. Per e-mail van 5 mei 2023 schrijft [partij A 1] aan [partij B 1]: “Did you manage to deliver this shipment successfully?” 3.10. Op 8 mei 2023 schrijft [partij B 1] aan [partij A 1]: “unfortunately, it seems that our suspicions have come true and most likely the goods have been stolen by the carrier (…).” 4Het geschil Hoofdzaak 4.1. [partij A] vordert veroordeling van [partij B] tot betaling van: een bedrag van € 143.088,77, te vermeerderen met de samengestelde CMR-rente; de buitengerechtelijke incassokosten; de vertaalkosten; e proceskosten (inclusief nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente. 4.2. [partij A] stelt dat [partij B 1] aansprakelijk is voor het verlies van de zending. [partij A] spreekt [partij B 2] aan als aansprakelijkheidsverzekeraar van [partij B 1]. Incident 4.3. [partij B 1] vordert in incident: primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart in de hoofdzaak kennis te nemen; subsidiair, voor het geval de rechtbank zich in de hoofdzaak niet onbevoegd verklaart, dat het [partij B 1] wordt toegestaan [partij B 2] en [bedrijf] (de vervoerder) in vrijwaring op te roepen; [partij A] hoofdelijk in de kosten van de incidenten (inclusief nakosten) te veroordelen, vermeerderd met de wettelijke rente; voor het geval de incidentele vorderingen van [partij B 1] zouden worden afgewezen: dat de rechtbank zal oordelen dat tussentijds hoger beroep van het te wijzen tussenvonnis is toegestaan. Stellingen [partij B 1] 4.4. [partij B 1] voert daartoe aan dat de Poolse rechtbank bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. [partij B 1] verwijst hiervoor naar artikel 4 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-verordening). De bevoegdheid van onderhavige rechtbank kan niet worden gebaseerd op het CMR-verdrag, omdat tussen partijen geen vervoersovereenkomst is gesloten zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 CMR-verdrag. [partij B 1] is een expediteurskantoor dat zich uitsluitend richt op het doen vervoeren. Dat was voor [partij A 1] ook vanaf het begin van de samenwerking duidelijk. Volgens [partij B 1] moet op basis van het Poolse recht worden beoordeeld of sprake is van een overeenkomst tot vervoer of een overeenkomst tot expeditie. 4.5. [partij B 1] voert ter onderbouwing van haar stelling dat geen sprake is van een vervoersovereenkomst (maar van een expediteursovereenkomst) onder meer het volgende aan: [partij B 1] richt zich alleen op het doen vervoeren. Naar de buitenwereld presenteert zij zich ook als zodanig. Zo staat op haar website onder meer dat zij transporten ‘organiseert’ en dat zij werkt met ‘geselecteerde vervoerders op basis van langdurige contacten’. [partij B 1] heeft geen eigen transportmaterieel. Weliswaar staat [partij B 1] in het Poolse handelsregister geregistreerd in de categorie ‘goederenvervoer over de weg’, maar dat komt omdat voor expediteurs geen aparte registratiecode bestaat. [partij B 1] en [partij A 1] zijn met elkaar in contact gekomen, omdat [partij A 1] een expediteur zocht. Uit de mailwisseling tussen [partij B 1] en [partij A 1] van 9 mei 2022 blijkt dat [partij B 1] zich bij [partij A 1] heeft geïntroduceerd als expediteur, en [partij A 1] dit ook zo heeft begrepen. [partij A 1] stuurt immers de introductiemail van [partij B 1] binnen de organisatie van [partij A 1] door met de tekst dat zij de contactgegevens van de Poolse expediteur stuurt. Op iedere factuur die [partij A 1] van [partij B 1] heeft ontvangen, staat als omschrijving dat het gaat om “forwarding service”, oftewel expeditiediensten. [partij A 1] is een aanzienlijk bedrijf dat regelmatig goederen naar (buitenlandse) afnemers verstuurt. [partij A 1] mag daarom bekend worden verondersteld met het (juridische) verschil tussen vervoerder en expediteur. Bij de opdracht van 26 april 2023 mailde [partij B 1] haar opties te checken en het duurde een halve dag voordat [partij B 1] een aanbieding had. Een vervoerder heeft eigen vrachttarieven en kan dus sneller een prijs afgeven. De mailberichten van 5 en 8 mei 2023 zijn van na de totstandkoming van de overeenkomst op 26 april 2023 en moeten dan ook buiten beschouwing worden gelaten bij de kwalificatie van de overeenkomst. 4.6. Tot slot wil [partij B 1] dat als zou worden geoordeeld dat de rechtbank in dit geschil wel bevoegd is, zij [partij B 2] en [bedrijf] in vrijwaring mag oproepen. Zij voert daartoe aan dat [partij B 2] verzekeringsdekking moet verlenen. Bovendien kan de aansprakelijkheid worden verlegd naar [bedrijf], omdat [bedrijf] de vracht heeft vervoerd. Verweer [partij A] 4.7. [partij A] voert als verweer dat de onderhavige rechtbank op basis van het CMR-verdrag bevoegd in de hoofdzaak te oordelen. De overeenkomst tussen [partij A 1] en [partij B 1] valt immers onder de definitie van artikel 1 lid 1 CMR-verdrag: ‘overeenkomst voor het vervoer van goederen over de weg’. Dit begrip moet volgens [partij A 1] autonoom worden uitgelegd. Ook uitbesteed vervoer valt onder het CMR-verdrag. 4.8. Ter onderbouwing van de stelling dat de overeenkomst als vervoersovereenkomst – zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 CMR-verdrag – moet worden aangemerkt, voert [partij A] het volgende aan: Op de website van [partij B 1] staat dat zij zowel vervoersdiensten als expediteursdiensten aanbiedt. Op de website staat immers onder meer: “in Europa zijn de landen waar wij transporten uitvoeren” en “Wij hebben bussen, solo’s, dekzeilen (…) tankwagens en koelwagens tot uw beschikking.” [partij B 1] staat in het handelsregister met ‘goederenvervoer over de weg’ geregistreerd. [partij B 1] heeft een vervoerdersaansprakelijkheidverzekering. [partij B 1] heeft nooit medegedeeld als expediteur te willen optreden. [partij A 1] heeft telkens alleen vervoeropdrachten gegeven aan [partij B 1]. [partij B 1] heeft de general Polish forwarding terms 2010 niet van toepassing verklaard, die normaliter door Poolse expediteurs van toepassing worden verklaard. [partij B 1] rekent een all-in prijs. [partij A 1] ging ervan uit dat [partij B 1] een vervoersverplichting had. Dit blijkt uit een e-mail van 5 mei 2023 waarin [partij A 1] aan [partij B 1] schrijft: “Did you manage to deliver this shipment successfully?”. Ook volgt dit uit een e-mail van 8 mei 2023, waarin [partij A 1] [partij B 1] aansprakelijk houdt. 4.9. Slechts als het autonoom toepassen van het CMR-verdrag geen antwoord geeft op de vraag of de rechtbank bevoegd is, moet de vraag of sprake is van een vervoersovereenkomst worden beantwoord naar Pools recht. Naar Pools recht is het onder meer noodzakelijk dat sprake is van aanvullende diensten om van een overeenkomst tot expeditie te kunnen spreken. 4.10. [partij A] refereert zich in het vrijwaringsincident aan het oordeel van de rechtbank. 5De beoordeling Bevoegdheid 5.1. Beoordeeld moet worden of de rechtbank bevoegd is om van de vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.