RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/1695 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde 1]), en de heffingsambtenaar van de gemeente Kampen (gemachtigde: [gemachtigde 2]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 december 2023. 1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op€ 297.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslagin de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Kampen voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag). 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een matrix. 1.4. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2025 gereageerd op het verweerschrift en aanvullende gronden ingediend. 1.5. Daarop heeft de heffingsambtenaar op 28 augustus 2025 gereageerd met een aanvullend verweerschrift en een aangepaste matrix. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [naam 1] als taxateur van de heffingsambtenaar. Feiten 2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De hoekwoning is gebouwd in 1984, heeft een gebruiksoppervlakte (gbo) van 92 m2 en staat op een kavel van 228 m2. De woning beschikt over een berging/schuur, een aangebouwde garage, een tuinberging/blokhut en een luifel/overkapping. Op de woning liggen zonnepanelen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". 6. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de woning kan worden bepaald met behulp van de vergelijkingsmethode zoals genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken. 7. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in dat kader verwezen naar de in beroep overgelegde aangepaste taxatiematrix, opgesteld door [naam 2], WOZ-taxateur. In deze matrix concludeert de taxateur tot een waarde van de woning op de waardepeildatum van € 334.456,-. Dit is hoger dan de beschikte waarde van € 297.000,-. Bij de waardebepaling heeft de heffingsambtenaar - na aanpassing - rekening gehouden met de verkoopprijzen van vijf woningen in IJsselmuiden. Het gaat om de woningen: [adres 2], hoekwoning, op 30 november 2021 verkocht voor € 370.000,-; [adres 3], rijwoning, op 21 mei 2021 verkocht voor € 285.000,-; [adres 4], rijwoning, op 18 maart 2022 verkocht voor € 331.500,-; [adres 5], rijwoning, op 10 februari 2022 verkocht voor € 318.500,-; [adres 6], hoekwoning, op 27 juli 2022 verkocht voor € 300.000,-. 8. De in de aangepaste taxatiematrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de woning van belanghebbende. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, zoals de gebruiksoppervlakte, de kaveloppervlakte en de uitstraling, heeft de heffingsambtenaar bij de herleiding van de vastgestelde waarde van de woning uit de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate rekening gehouden. Deze verschillen zijn voorts niet van een zodanige omvang dat de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten bij de bepaling van de waarde van de woning niet goed bruikbaar zijn. Duurzaamheidsniveau 9. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het ondergemiddelde duurzaamheidsniveau van de woning. De woning is matig tot slecht geïsoleerd. 10. De heffingsambtenaar stelt dat hij met het beweerdelijk ondergemiddelde duurzaamheidsniveau rekening heeft gehouden door de vergelijking met objecten uit dezelfde bouwjaarklasse en met een vergelijkbare bouwwijze. De eventuele waardedrukkende invloed hiervan is daarom verdisconteerd in de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten. 11. De rechtbank ziet geen aanleiding om de heffingsambtenaar niet te volgen in zijn standpunt, vooral ook omdat belanghebbende zijn standpunt niet heeft onderbouwd. Doordat de heffingsambtenaar vergelijkingsobjecten gebruikt uit dezelfde bouwperiode, is het beweerdelijk, maar op geen enkele wijze onderbouwde ondergemiddelde duurzaamheidsniveau in de verkoopprijzen van deze objecten verdisconteerd. Daarbij komt dat uit het in beroep overgelegde taxatierapport volgt dat de woning is voorzien van zonnepanelen. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat het duurzaamheidsniveau ondergemiddeld is. In dat verband gelden ook onderstaande overwegingen. Weigering inpandige opname 12. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde keuken en badkamer. De keuken en badkamer zijn meer dan 16 jaar oud. De heffingsambtenaar heeft de woning vergeleken met objecten die geen gedateerde keuken en badkamer hebben. 13. De heffingsambtenaar voert aan dat de gedateerdheid van de keuken en badkamer niet inzichtelijk wordt gemaakt door middel van een taxatierapport of foto’s. Als de keuken en badkamer daadwerkelijk meer dan 16 jaar oud zijn, betekent dat niet zonder meer dat de voorzieningen lager gewaardeerd zouden moeten worden. Daarbij komt dat geen inpandige opname heeft kunnen plaatsvinden. Belanghebbende heeft de afspraak voor een inpandige opname afgezegd. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar nogmaals verzocht om medewerking te verlenen aan een inpandige opname, waarbij hij ook heeft aangegeven dat hij anders zou uitgaan van de reeds bekende gegevens en dat het niet meewerken gevolgen kan hebben voor de omkering en verzwaring van de bewijslast. Hierop heeft belanghebbende niet gereageerd. Omdat geen inpandige opname heeft kunnen plaatsvinden, is de heffingsambtenaar uitgegaan van de staat van de woning zoals die bekend is in de administratie. Verder zijn de voorzieningen van de vergelijkingsobjecten [adres 2], [adres 4] en [adres 5] op een 4 gewaardeerd, wat leidt tot een opwaartse correctie van 10% op de m2-prijzen van deze objecten. Hieruit blijkt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de staat van de voorzieningen. 14. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende tot tweemaal toe een inpandige opname van zijn woning door de heffingsambtenaar heeft geweigerd. Die proceshouding is, indien al niet aan te merken als een obstructie op voorhand van de op de heffingsambtenaar rustende bewijsaandraagplicht/-last krachtens het Oostflakkee-arrest, een omstandigheid die meebrengt dat de heffingsambtenaar geen acht hoeft te slaan op beweerdelijke woningwaardeverminderende omstandigheden die - indien aangetoond door de belanghebbende - normaal gesproken door de heffingsambtenaar krachtens voornoemd arrest behoren te worden meegenomen door de heffingsambtenaar bij een zorgvuldige waardering van de woning. Anders geformuleerd, belanghebbende heeft eventueel tegenbewijs door de heffingsambtenaar om hem moverende redenen op voorhand onmogelijk gemaakt. 15. Met het vorenstaande is uitdrukkelijk niet gezegd dat het belanghebbende niet vrijstaat eerdergenoemde keuze te maken, maar tegelijkertijd geldt dat aan die vrijheid consequenties kunnen kleven die niet in het voordeel van de belanghebbende uitpakken. Dat klemt te meer nu het kantoor van belanghebbendes gemachtigde een grote beroepsmatige speler is in de ncnp-WOZ-business en van de hoed en de rand weet hoe de hazen lopen en weet wat van een belanghebbende in het kader van een procedure mag worden verwacht. 16. De taxateur heeft thans noodgedwongen moeten volstaan met een uitpandige taxatie en heeft niet kunnen verifiëren (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.