vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Zwolle zaaknummer / rolnummer: C/08/313304 / HA ZA 24-151 Vonnis van 15 januari 2025 in de zaak van de vennootschap naar Duits recht [partij A] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. I.K.M. Hoffmann te Enschede, tegen 1. de maatschap [partij B1] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [partij B2], wonende te [woonplaats 1] , 3. [partij B3], wonende te [woonplaats 2] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaten mrs. A.H.M. Bouwmeister en L.D. Braakhuis te Arnhem. De rechtbank noemt eiseres in conventie/verweerster in reconventie hierna [partij A] en gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1 [partij B] . Gedaagden in conventie/eisers in reconventie zullen hierna samen [partij B] c.s. worden genoemd. In dit vonnis gebruikt de rechtbank voor het Weens Koopverdrag ook de aanduiding CISG. In een bijlage bij dit vonnis zijn de artikelen van het Weens Koopverdrag opgenomen, die in het vonnis genoemd zijn. 1Samenvatting 1.1. [partij A] , een Duitse voerleverancier en [partij B] , een Nederlandse varkenshouder, hebben een overeenkomst voor de levering van varkensvoer gesloten en twisten over het bestaan van een tweede overeenkomst. Het Weens Koopverdrag is van toepassing op de rechtsverhouding tussen partijen. De leverancier wenst betaling van een nog openstaand bedrag voor reeds geleverd voer en ontbinding van de desbetreffende overeenkomst. Daarnaast vordert de leverancier ontbinding van een overeenkomst die hij stelt met de varkenshouder gesloten te hebben, maar waarvan het bestaan door die laatste betwist wordt. [partij A] wenst bovendien haar schade vergoed te zien. [partij B] c.s. stelt de door hem erkende overeenkomst ontbonden te hebben, omdat het door [partij A] geleverde voer stramheid bij de varkens veroorzaakte en dus niet aan de overeenkomst beantwoordde. Hij wenst een schadevergoeding van [partij A] . 1.2. De rechtbank oordeelt dat tekortschieten aan de zijde van [partij A] niet vast komt te staan, dat de eerste overeenkomst voor ontbinding vatbaar is en dat [partij A] recht heeft op betaling van het openstaande bedrag en van schadevergoeding. [partij B] c.s. heeft geen recht op schadevergoeding. De rechtbank geeft [partij A] een bewijsopdracht in verband met de door haar gestelde, tweede, overeenkomst. Indien die tweede overeenkomst vast komt te staan is ook die voor ontbinding vatbaar. [partij A] heeft dan ook in verband daarmee recht op schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat artikel 76 van het Weens Koopverdrag niet en artikel 74 van dat verdrag wel als grondslag voor de aan [partij A] te betalen schadevergoeding kan dienen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met 11 producties de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met 18 producties het bericht van de rechtbank aan partijen over de mondelinge behandeling de conclusie van antwoord in reconventie met productie 12 producties 19 en 20 van [partij B] c.s. productie 13 van [partij A] de akte wijziging eis van [partij A] de mondelinge behandeling op 21 november 2024, ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen overgelegd hebben en waarvan de griffier aantekeningen gemaakt heeft. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. [partij A] exploiteert een veevoederfabriek en [partij B] c.s. een varkensveehouderij. 3.2. In de periode van september 2021 tot en met mei 2022 hebben partijen vier contracten gesloten met de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] onderscheidenlijk [nummer 4] voor de levering door [partij A] aan [partij B] van in totaal 9.850.000 kilo varkensvoer. Per contract vonden de levering en de facturering in delen plaats. [partij B] c.s. heeft alle facturen die betrekking hadden op alle deelleveringen van de vier contracten betaald. 3.3. Op 6 september 2022 hebben partijen een overeenkomst met nummer [nummer 5] gesloten voor de levering door [partij A] aan [partij B] van 5.000.000 kilo varkensvoer. [partij A] heeft in de periode van 1 juni tot 13 juni 2023 een deel van de totale hoeveelheid voer aan [partij B] geleverd, namelijk 240.360 kilo. Voor die heeft [partij A] op 15 juni 2023 een factuur aan [partij B] gestuurd met een totaalbedrag van € 97.451,77. [partij B] heeft op die factuur een betaling van € 47.451,77 verricht. Op de factuur staat als “Restmenge” [nummer 6] vermeld. [partij B] c.s. heeft na de levering van voornoemde 240.360 kilo voer geen voer meer afgenomen onder het contract met nummer [nummer 5] . 3.4. Na op 15 maart 2023 een “Angebot” voor een contract van 1 juni 2023 tot 30 oktober 2023 aan [partij B] gestuurd te hebben heeft [partij A] op 16 maart 2023 een “Kontraktsbestätigung” aan [partij B] gestuurd voor een contract met nummer [nummer 7] dat ziet op de levering van in totaal 5.000.000 kilo varkensvoer. 3.5. Op 23 mei 2023 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden op het bedrijf van [partij B] . [naam 1] , werkzaam bij [partij A] , heeft daar een verslag van gemaakt. De Duitse tekst van het verslag luidt als volgt: Protokoll Besuchstermin [partij B] in [plaats] am 23.05.2023, 9 Uhr, Anwesend: [naam 2] und [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] und [naam 1] Beim Besuch am 23.05.2023 in [plaats] wurde das Bestehen des Futtermittelkontraktes vom 16.03.2023 über 5.000 to. Vom 01.06.2023- 31.10.2023 thematisiert, dieser wurde von [naam 3] bestätigt. Allerdings habe er vorab darauf hingewiesen, das die ‘Strammigkeit‘ der Tiere, damit ist gemeint das sich die Tiere zeitweise steif bewegen und auf dem Hintern sitzen, im Griff sein muss, das sei Grundlage für den Kontrakt. In vorherigen Terminen ist dies angesprochen worden und von [naam 1] darauf hingewiesen worden, das im Futter alles dafür getan wird, das aus Futtergründen keine Probleme entstehen, wir aber immer noch mit Lebewesen arbeiten. Festgestellt wurde, das [partij B] sehr gute Schweinemäster sind und das [partij A] sehr gutes Futter macht. Festgestellt wurde ebenso, das mit heutiger Kalkulation der Futterkontrakt um 3,75€ bis 3,85 € je dt. günstiger zu kaufen wäre. Bemerkt wurde von [naam 1] , das die Möglichkeit besteht den Kontrakt nicht abzunehmen, dann muss die Differenz der Preise multipliziert mit der Kontraktmenge bezahlt werden. Da das o.g. Verhalten der Tiere laut [partij B] bei 5-10% der Schweine vorkommt, ist untersucht worden wo die Ursache für das Problem liegt. Da das Problem bei Ferkeln aus dem Betrieb [bedrijf] vorkommt, aber nicht bei Ferkeln aus anderer Herkunft, die im Stall in [vestigingsplaats 1] gemästet werden, war man sich einig, das es sich nicht um ein Futterproblem handelt sondern die Ferkelherkunft/Genetik eine Rolle spielt. [naam 3] erklärte, das er durch die derzeitigen Situation mit der ‘Strammigkeit’ der Tiere je Schwein ca. 5 € je Schwein verliert. Er wolle somit den aktuell abzunehmenden Kontrakt abnehmen und den Folgekontrakt nicht weiter nehmen, da das Problem bei den Tieren nicht gelöst ist. [naam 5] erklärte, das wie abgesprochen 3-400g/to. mehr Monocalciumphosphat im Futter eingesetzt werden. [naam 3] und [naam 2] gaben an das sich in letzter Zeit Zunahmen und Futterverwertung weiter verbessert hätten. [naam 1] sagte, das [partij A] alles immer umgesetzt hat, was von [partij B] vorgegeben wurde und das Futter nach deren Vorstellungen produziert und geliefert wurde. Es wurde vorab darauf hingewiesen, dass die Futter nach [partij B] -Vorgaben sehr energiereich sind und im Stall und bei der Tiergesundheit alles sehr gut sein muss, damit die Tiere diese Futter gut verwerten können und es keine Probleme gibt. Dies wurde von [naam 5] bestätigt. Da die genannten Probleme im Betrieb in [vestigingsplaats 1] nicht vorkommen und dadurch die Ursache im Futter sehr unwahrscheinlich ist, gibt es aus Sicht von [partij A] keinen Grund einen Kontrakt nicht abzunehmen und es wird auf Abnahme bestanden. Schließlich ist die Situation im Ferkelbetrieb [bedrijf] besprochen worden, die derzeitigen Ferkel haben unter anderem Ohrrandnekrosen, es gibt es aus Sicht von [naam 3] und [naam 2] [partij B] deutlichen Verbesserungsbedarf. [partij A] liefert dort Ferkelfutter für die letzte Aufzuchtphase, anderes Futter produziert [bedrijf] selbst. Von [naam 2] und [naam 3] ist gefordert worden, das [naam 4] erreicht das [bedrijf] besser arbeitet, [partij A] sich dort mehr einbringt um bessere Ferkel zu produzieren. Von [naam 1] und [naam 4] ist erklärt worden, das wenn von [bedrijf] gewünscht und zugelassen wird, sehr gerne mehr beraten und wenn nötig Verbesserungsvorschläge gemacht werden können. Es ist aber nicht möglich, [bedrijf] vorzuschreiben wie er seinen Betrieb zu führen hat und zu kontrollieren ob er Vorschläge umsetzt. Der Vorschlag eines Treffens mit [partij B] , [bedrijf] und Kollegen von [partij A] wurde von [naam 3] und [naam 2] [partij B] abgelehnt, ein Treffen mit [bedrijf] hätte es schon gegeben und es wäre zwecklos. Alle waren sich einig, dass nach einer Lösung gesucht werden muss und die Betriebe [partij B] und [partij A] gerne weiter erfolgreich zusammenarbeiten möchten, dazu wurde gemeinsam einiges überlegt: 1. Wenn die Ferkel von [bedrijf] nicht den Vorstellungen von [partij B] entsprechen muss ein anderer Lieferant gesucht werden. Meinung dazu: Zur Zeit sind Ferkel knapp und daher würde man so schnell keinen Ersatzlieferanten mit entsprechender Ferkelqualität und Menge finden. 2. Wenn die Ferkel wegen Punkt 1 weiter von [bedrijf] genommen werden müssen und diese mit dem hoch konzentrierten Futter nicht klar kommen, ist es möglich die Nährstoffkonzentration zu verringern. Dadurch ist es allerdings wahrscheinlich, das die Tiere etwas langsamer wachsen und etwas schlechtere Futterverwertung haben können. [naam 5] merkte an, das sich der Futterpreis dadurch auch verringern würde. Meinung dazu: Der Vorschlag wurde von [partij B] abgelehnt, das Futter soll bleiben wie es jetzt ist. Es soll Topleistung erreicht werden. 3. Um den Umstellstress der Ferkel zu vermindern bespricht [naam 4] mit [bedrijf] , ob es möglich ist in den letzten Aufzuchttagen das Futter [omschrijving] [partij B] , welches in den Mastställen auch gefüttert wird, einzusetzen. Meinung: Das will [naam 4] mit [bedrijf] besprechen, kann ihm das empfehlen. Protokoll erstellt von [naam 1] In de Nederlandse, met behulp van een vertaalprogramma gemaakte vertaling van dat verslag staat: Protocol bezoekdatum [partij B] in [plaats] op 23/05/2023, 9 uur, Aanwezig: [naam 2] en [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 1] Tijdens het bezoek op 23/05/2023 in [plaats] werd het bestaan van het voedercontract van 16/03/2023 op 5.000 ton. Van 01.06.2023 - 31.10.2023 werd dit bevestigd door [naam 3] . Hij had er echter vooraf op gewezen dat de 'stijfheid' van de dieren, wat betekent dat de dieren soms stijf bewegen en op hun kont zitten, onder controle moet zijn, wat de basis is voor het contract. Dit is in eerdere vergaderingen aan de orde geweest en [naam 1] heeft erop gewezen dat er in het voer alles aan wordt gedaan om ervoor te zorgen dat er geen problemen ontstaan vanwege het voer, maar dat we nog steeds met levende wezens werken. Er werd vastgesteld dat [partij B] zeer goede varkenshouders zijn en dat [partij A] zeer goed voer produceert. Er werd ook vastgesteld dat met de berekening van vandaag, het voercontract €3,75 tot €3,85 per ton goedkoper zou zijn om in te kopen. [naam 1] merkte op dat het mogelijk is om het contract niet af te nemen, in welk geval het prijsverschil vermenigvuldigd met de contracthoeveelheid moet worden betaald. Omdat het bovengenoemde diergedrag volgens [partij B] bij 5-10% van de varkens voorkomt, is onderzocht wat de oorzaak van het probleem is. Aangezien het probleem zich wel voordoet bij biggen van het bedrijf [bedrijf] , maar niet bij biggen van andere herkomst die in de stal in [vestigingsplaats 1] worden afgemest, is afgesproken dat het geen voerprobleem is, maar dat de herkomst/genetica van de biggen een rol speelt. [naam 3] legde uit dat hij ongeveer €5 per varken verliest door de huidige situatie met de 'stijfheid' van de dieren. Hij wilde daarom het huidige contract aannemen en niet het volgende contract, omdat het probleem met de dieren niet was opgelost. [naam 5] legde uit dat, zoals afgesproken, 3-400g/ton meer monocalciumfosfaat in het voer zal worden gebruikt. [naam 3] en [naam 2] verklaarden dat de gewichtstoename en voederconversie de laatste tijd verder waren verbeterd. [naam 1] zei dat [partij A] altijd alles heeft geïmplementeerd wat door [partij B] werd gespecificeerd en dat het voer volgens hun specificaties werd geproduceerd en geleverd. Vooraf werd erop gewezen dat het voer volgens de specificaties van [partij B] zeer energierijk is en dat alles in de stal en op het gebied van diergezondheid heel goed moet zijn, zodat de dieren dit voer goed kunnen benutten en er geen problemen ontstaan. Dit werd bevestigd door [naam 5] . Aangezien de genoemde problemen niet voorkomen op het bedrijf in [vestigingsplaats 1] en de oorzaak dus zeer waarschijnlijk niet in het voer ligt, ziet [partij A] geen reden om een contract niet te accepteren en dringt aan op acceptatie. Tot slot werd de situatie op biggenbedrijf [bedrijf] besproken; de huidige biggen hebben onder andere oornecrose en [naam 3] en [naam 2] [partij B] vinden dat er duidelijk verbetering nodig is. [partij A] levert biggenvoer voor de laatste opfokfase, terwijl [bedrijf] ander voer zelf produceert. [naam 2] en [naam 3] hebben [naam 4] gevraagd ervoor te zorgen dat [bedrijf] beter gaat werken en dat [partij A] meer betrokken raakt om betere biggen te produceren. [naam 1] en [naam 4] hebben aangegeven dat als [bedrijf] dat wil en toestaat, zij graag meer advies willen geven en eventueel verbetervoorstellen willen doen. Het is echter niet mogelijk om [bedrijf] te vertellen hoe hij zijn bedrijf moet runnen en om te controleren of hij suggesties uitvoert. Het voorstel voor een bijeenkomst met [partij B] , [bedrijf] en collega's van [partij A] werd afgewezen door [naam 3] en [naam 2] [partij B] , een bijeenkomst met [bedrijf] had al plaatsgevonden en het zou zinloos zijn. Iedereen was het erover eens dat er een oplossing moest worden gevonden en dat [partij B] en [partij A] graag succesvol willen blijven samenwerken: 1. Als de biggen van [bedrijf] niet aan de verwachtingen van [partij B] voldoen, moet er een andere leverancier worden gezocht. Mening: Op dit moment is er een tekort aan biggen, dus het zou moeilijk zijn om een vervangende leverancier te vinden met de juiste kwaliteit en hoeveelheid biggen. 2. Als de biggen vanwege punt 1 uit [bedrijf] gehaald moeten blijven worden en ze het sterk geconcentreerde voer niet aankunnen, is het mogelijk om de nutriëntenconcentratie te verlagen. Hierdoor zullen de dieren echter waarschijnlijk iets langzamer groeien en een iets slechtere voederconversie hebben. [naam 5] merkte op dat dit ook de prijs van het voer zou verlagen. Advies: Het voorstel is door [partij B] afgewezen, het voer moet blijven zoals het nu is. Er moeten topprestaties worden geleverd. 3. Om de overgangsstress van de biggen te minimaliseren, bespreekt [naam 4] met [bedrijf] of het mogelijk is om het [omschrijving] [partij B] voer, dat ook in de vleesvarkensstallen wordt gevoerd, in de laatste dagen van de opfok te gebruiken. Advies: [naam 4] wil dit met [bedrijf] bespreken, kan hem dit aanbevelen. Notulen gemaakt door [naam 1] 3.6. Op 31 mei 2023 heeft [partij B] een e-mailbericht aan [partij A] gestuurd, waarin onder meer staat: Tijdens ons gesprek in maart is gesproken over een prijs voor 5.000 ton over de periode 1-6-23 t/m 31-10-23. Hiervoor is door [partij A] vervolgens ook een offerte afgegeven. Ook is tijdens dit gesprek gesproken over de huidige problematiek omtrent ‘stramheid’ van de biggen. Het is expliciet benoemd dat wanneer deze problematiek aan zou houden de samenwerking met [partij A] ‘sofort’ beëindigd zou worden. Zoals duidelijk moge zijn is de stramheid momenteel absoluut niet tot een acceptabel niveau terug gedrongen. Het is dus puur uit coulance dat wij momenteel nog doorvoeren met het restant van het huidige contract. Het doet ons bijzonder zeer te moeten horen dat het niet aan [partij A] is gelegen om een oplossing tot deze (serieuze) problematiek te kunnen vinden bij de vermeerderaar. Helemaal gezien [partij A] ook voerleverancier is bij deze vermeerderaar. Er is in samenspraak ( [partij B] - [partij A] ) al het een en ander gewijzigd in ons voeder (lees; verbeteringen om stramheid te verhelpen). Dit had kostenstijgingen tot gevolg welke door ons zijn gedragen. Zoals wij hebben mogen begrijpen is bij de vermeerderaar niet op deze problematiek gecommuniceerd en geacteerd. Dat is een keuze van [partij A] geweest, al dan niet met het gevolg dat de problematische stramheid nog steeds niet is verholpen. Zoals benoemd zijn wij – los van bovenstaande – tevreden over de samenwerking met [partij A] , wanneer het niet aan [partij A] is gelegen om de vermeerderaar te betrekken bij het vinden van een oplossing, zal er door [partij A] een ander samenstelling afgegeven kunnen worden. Dit maakt echter wel dat [partij A] voor ons geen voorkeurspositie meer geniet. Momenteel zijn wij daarom ook met meerdere partijen in gesprek voor toekomstige voerlevering. [partij A] kan daar wat ons betreft ook bij horen. Graag benadrukken wij, dat met betrekking tot een vervolg, tot dusver op geen enkele wijze een bindende overeenkomst is gesloten met [partij A] . 3.7. Op 13 juni 2023 heeft [partij B] een e-mail aan [partij A] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat: Zoals vanmiddag in onze mail duidelijk is gemaakt heeft [naam 1] door zijn dreigementen een absolute grens overschreden. Deze dreigementen hebben ervoor gezorgd dat de samenwerking per direct is gestrand, al dan niet is hersteld door het uitblijven van een reactie op ons schrijven. Dit heeft als gevolg dat wij – vanavond nog - acuut keuzes hebben moeten maken om onze directe voervoorziening veilig te stellen (!). Onbegrijpelijk. 3.8. Op 26 juli 2023 heeft [partij B] een verklaring met de volgende inhoud aan [partij A] gestuurd: Verklaring volledige beëindiging samenwerking tussen de partijen [partij B1] en [partij A] . Hierbij verklaren de partijen [partij B1] ( [partij B] ), en [partij A] ( [partij A] ) met ondertekening van dit document, na betaling van de door [partij B] aangehouden gelden a.d. 50.000,00 euro, op geen enkele wijze verplichtingen meer aan elkaar te hebben. Door [partij A] ingenomen stelling, en daaropvolgende dreigementen, hebben [partij B] doen leiden naar het aanhouden van genoemde gelden. Te vermeerderen met de te maken juridische kosten. [partij A] zal immers een rechtsgang voorbereiden, en inzetten. Het door [partij B] aangehouden bedrag ziet op de door [partij B] extra gemaakte voerkosten uit de door [partij A] gerectificeerde pakketprijs in contract [nummer 3] . Wanneer [partij A] deze verklaring weigert te ondertekenen door wederom haar, door [partij B] bestreden, stelling in te nemen, zal [partij A] haar moeten verantwoorden bij het Hof. [partij B] zal haar dan ook beroepen op meerdere grieven. Enkel ondertekening van deze verklaring door bovengenoemde partijen zal een bevrijdende werking hebben op betaling van de aangehouden gelden a.d. 50.000,00 euro. Mocht [partij A] reeds haar genoemde rechtsgang ingezet hebben, dan dient [partij B] daar uiterlijk 27-7-2023 over geïnformeerd te worden. Is dit niet het geval, dan bevestigd [partij A] met ondertekening van dit document dat er geen grond is voor de door eerder ingenomen stelling over het bestaan van een nieuw contract. Partijen hebben deze verklaring niet ondertekend. 3.9. Op 18 januari 2024 heeft de advocaat van [partij A] een brief aan [partij B] c.s. gestuurd, waarin onder meer staat dat [partij A] [partij B] c.s. sommeert om binnen 14 dagen het op de factuur van 15 juni 2023 openstaande bedrag van € 50.000,00 te betalen, schriftelijk te bevestigen dat hij de resthoeveelheid van 475.743 kilo voer onder het contract met nummer [nummer 5] binnen een redelijke termijn in ontvangst neemt na voorafgaande betaling van de afgesproken koopprijs en schriftelijk te bevestigen dat hij het bestaan van de overeenkomst van 16 maart 2023 met nummer [nummer 7] erkent en de afgesproken hoeveelheid van 5.000.000 kilo voer afneemt na voorafgaande betaling van de afgesproken koopprijs. 4De vordering in conventie 4.1. [partij A] vordert na wijziging van haar eis dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: i. [partij B] veroordeelt tot betaling van € 50.000,00 (inclusief btw) en [partij B2] en [partij B3] ieder tot de helft daarvan, onder de openstaande factuur (met nummer [nummer 8] ) van 15 juni 2022, binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente op grond van § 288 BGB ter hoogte van 8% bovenop de basisrentevoet vanaf 1 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat de totale betalingsverplichting van [partij B] c.s. uit hoofde van deze veroordeling het bedrag van € 50.000,00 vermeerderd met wettelijke vertragingsrente niet te boven gaat; de tussen partijen gesloten koopovereenkomst van 6 september 2022 ontbindt; [partij B] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [partij A] op grond van artikel 76 CISG ter hoogte van € 41.375,18 en [partij B2] en [partij B3] ieder tot de helft daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat de totale betalingsverplichting van [partij B] c.s. uit hoofde van deze veroordeling het bedrag van € 41.375,18 vermeerderd met wettelijke rente niet te boven gaat. de tussen partijen gesloten koopovereenkomst van 16 maart 2023 ontbindt; [partij B] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [partij A] op grond van artikel 76 CISG ter hoogte van € 268.844,75 en [partij B2] en [partij B3] ieder tot de helft daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat de totale betalingsverplichting van [partij B] c.s. uit hoofde van deze veroordeling het bedrag van € 268.844,75 vermeerderd met wettelijke rente niet te boven gaat; [partij B] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [partij A] op grond van artikel 74 CISG ter hoogte van € 57.495,30 en [partij B2] en [partij B3] ieder tot de helft daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat de totale betalingsverplichting van [partij B] c.s. uit hoofde van deze veroordeling het bedrag van € 57.495,30 niet te boven gaat; [partij B] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] op grond van artikel 74 CISG ter hoogte van € 4.681,82 en [partij B2] en [partij B3] ieder tot de helft daarvan, met bepaling dat de totale betalingsverplichting van [partij B] c.s. uit hoofde van deze veroordeling het bedrag van € 4.681,82 niet te boven gaat; [partij B] veroordeelt in de kosten van het geding en [partij B2] en [partij B3] ieder tot de helft daarvan, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening met bepaling dat de totale betalingsverplichting van [partij B] c.s. uit hoofde van deze veroordeling het bedrag vermeerderd met wettelijke rente niet te boven gaat. 4.2. [partij A] grondt haar vordering op het volgende. [partij B] is op grond van artikel 53 CISG gehouden de koopprijs van het in juni 2023 onder contract [nummer 5] geleverde voer te voldoen en moet daarom het van de factuur van 15 juni 2023 nog openstaande bedrag ter hoogte van € 50.000,00 betalen. [partij B] weigert de nog niet geleverde hoeveelheid voer onder contract [nummer 5] af te nemen en te betalen. Op grond van artikel 64, eerste lid onder a, CISG kan [partij A] daarom het gedeelte van die overeenkomst dat ziet op de levering van de restanthoeveelheid ontbonden verklaren. Daaruit vloeit voort dat [partij A] recht heeft op schadevergoeding, bestaande uit het verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de ten tijde van de ontbinding geldende dagprijs. [partij A] verwijst naar artikel 76, eerste lid, CISG. [partij B] weigert ook het onder de op 16 maart 2023 tussen hem en [partij A] gesloten overeenkomst (contract met nummer [nummer 7] ) te leveren varkensvoer af te nemen en te betalen. [partij A] roept daarom op grond van artikel 64, eerste lid, onder a, CISG eveneens de ontbinding in van die overeenkomst. Ook in dit geval is [partij B] gehouden de schade te vergoeden die [partij A] lijdt en die bestaat uit het verschil tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de ten tijde van de ontbinding geldende dagprijs (artikel 76, eerste lid, CISG). Daarnaast dient [partij B] volgens [partij A] op grond van artikel 74 CISG de schade te vergoeden, die bestaat uit winst die [partij A] misgelopen heeft doordat [partij B] het varkensvoer dat [partij A] onder de contracten [nummer 5] en [nummer 7] zou leveren niet afgenomen heeft. [partij A] meent ook recht te hebben op vergoeding door [partij B] van buitengerechtelijke kosten. [partij B2] en [partij B3] zijn volgens [partij A] als maten van [partij B] op grond van artikel 7A:1680 BW aansprakelijk voor de schulden van [partij B] , ieder voor gelijke som en gelijk aandeel. 5Het verweer 5.1. Volgens [partij B] c.s. voldoet de kwaliteit van het door [partij A] geleverde varkensvoer niet aan de in de overeenkomst gestelde eisen in de zin van artikel 35 CISG, omdat het voer stramheid bij de varkens van [partij B] veroorzaakte. [partij B] heeft daar tijdig over geklaagd, maar dat heeft er niet toe geleid dat het nadien geleverde voer wel aan de overeenkomst beantwoordde. De varkens bleven last van stramheid hebben. Daarom heeft [partij B] de overeenkomst met [partij A] (contract [nummer 5] ) gedeeltelijk ontbonden overeenkomstig artikel 49 CISG. Indien [partij B] de overeenkomst niet ontbonden heeft, heeft hij zijn afnameverplichting opgeschort op grond van artikel 71 lid 1 sub a CISG. 5.2. [partij B] c.s. betwist dat partijen contract [nummer 7] afgesloten hebben. [partij B] c.s. heeft het aanbod van [partij A] namelijk niet aanvaard. Indien de rechtbank tot het oordeel zou geraken dat dit contract wel tot stand gekomen is, rechtvaardigt hetgeen [partij B] c.s. naar voren gebracht heeft over het door [partij A] geleverde voer als oorzaak van de stramheid bij zijn varkens ook de ontbinding van die overeenkomst. 5.3. [partij B] c.s. betwist ook de schadeberekening door [partij A] . In de eerste plaats voert hij aan dat de resthoeveelheid van de te leveren hoeveelheid voer op grond van contractnummer [nummer 5] niet 475.743 kilo, maar 187.688 kilo bedroeg. Omdat partijen ten aanzien van de totale hoeveelheid voer onder het contract een marge van 5% afgesproken hebben en 187.688 binnen die marge valt, behoefde [partij B] niets meer af te nemen onder genoemd contract. Daarnaast gebruikt [partij A] volgens [partij B] c.s. ten onrechte de datum 14 maart 2024 als datum voor het bepalen van de ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst geldende dagprijs als bedoeld in artikel 76 CISG, omdat [partij A] de overeenkomst toen niet ontbonden heeft. [partij B] c.s. meent daarenboven dat een schadevergoeding op grond van artikel 76 CISG geheel niet toewijsbaar is. Hij voert daartoe het volgende aan. Toen in juni 2023 duidelijk was dat [partij B] geen voer meer zou afnemen, had [partij A] uit hoofde van haar in artikel 77 CISG vastgelegde verplichting om schade te beperken de grondstoffen voor het aan [partij B] c.s. te leveren voer moeten verwerken in voer voor andere afnemers. Met de verkoop van dat voer aan andere afnemers, na ontbinding van de overeenkomst tussen partijen, zou een dekkingskoop in de zin van artikel 75 CISG plaatsgevonden hebben. [partij A] vordert nu pas ontbinding van de overeenkomst tussen partijen zonder dat een dekkingsverkoop plaatsgevonden heeft, om schadevergoeding op grond van artikel 76 CISG te kunnen vorderen. Daar heeft [partij A] baat bij omdat de prijzen van de grondstoffen voor het voer dalen en het verschil tussen de tussen partijen afgesproken prijs en de dagprijs in de zin van artikel 76 CISG groter wordt. Het resultaat daarvan zou zijn dat [partij A] in een betere positie komt dan in welke zij gekomen zou zijn, indien [partij B] de overeengekomen hoeveelheden voer afgenomen zou hebben. Dat is echter niet toegestaan. Als om die reden de rechtbank de vordering tot schadevergoeding niet reeds afwijst, zou de rechtbank de schadevergoeding moeten matigen, in die zin dat de dagprijs aansluit op de feitelijke situatie en daarmee op de schade die [partij A] daadwerkelijk geleden heeft. De rechtbank leest het verweer van [partij B] c.s. zo dat dit , voor zover toepasselijk, ook geldt voor het contract met nummer [nummer 7] , indien de rechtbank zou oordelen dat die overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen is. 5.4. Verder wijst [partij B] c.s. erop dat [partij A] bedragen aan schadevergoeding vordert zonder te onderbouwen uit welke posten – verbonden met de grondstoffen waaruit het voer samengesteld wordt – die bedragen bestaan c.q. welke concrete prijsverschillen tussen de overeengekomen prijs en de dagprijs van 14 maart 2024 tot die bedragen hebben geleid. 5.5. [partij B] c.s. stelt zich op het standpunt dat hij met zijn betaling van een bedrag van € 47.451,77 op de factuur van 15 juni 2023 de waarde van het ontvangen en aan de varkens opgevoerde voer in de zin van artikel 84 CISG vergoed heeft na de ontbinding van de overeenkomst. Voor toewijzing van de vordering tot veroordeling tot betaling van een bedrag van € 50.000,00 is dan ook geen ruimte. Indien [partij B] c.s. het bedrag van € 50.000,00 dat nog openstaat van de factuur van 15 juni 2023 nog geheel of gedeeltelijk aan [partij A] moet betalen, beroept [partij B] c.s. zich op verrekening met de hierna te bespreken vordering in reconventie. 5.6. [partij B] c.s. vindt dat de rechtbank de vordering die ziet op vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten moet afwijzen, omdat deze kostenpost niet onderbouwd is. Als de rechtbank de vordering van [partij A] gedeeltelijk toewijst dient het bedrag wegens buitengerechtelijke kosten in ieder geval gematigd te worden. 5.7. [partij B] c.s. komt tot de conclusie dat de rechtbank [partij A] in haar vorderingen niet ontvankelijk moet verklaren, dan wel die vorderingen moet afwijzen, althans de vordering die betrekking heeft op het openstaand bedrag van de rekening van 15 juni 2023 slechts moet toewijzen tot een bedrag in lijn met artikel 84 CISG voor zover dat hoger is dan de waardevergoeding van € 47.451,77, de vorderingen strekkende tot vergoeding van schade op grond van artikel 76 CISG moet matigen en de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten eveneens moet matigen, met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure, met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan die proceskostenveroordeling is voldaan, daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn. 5.8. [partij B] c.s. verzoekt de rechtbank, in geval zij de vorderingen van [partij A] geheel of gedeeltelijk toewijst, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat een door de rechtbank te bepalen bedrag als zekerheid wordt gesteld. Volgens [partij B] c.s. levert het verkrijgen van terugbetaling na vernietiging van het vonnis extra kosten en risico’s op, omdat het om een grensoverschrijdende zaak gaat. in reconventie 6de vordering 6.1. [partij B] c.s. vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de overeenkomst nr. [nummer 5] door hem rechtsgeldig op 13 juni 2023, althans op 26 juli 2023 is ontbonden en [partij A] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [partij B] c.s. te betalen een bedrag van € 210.477,23 met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de betalingsverplichting is voldaan, daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd zal zijn, met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure, met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan, daarover teven de wettelijke rente verschuldigd zal zijn. 6.2. [partij B] c.s. legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [partij B] heeft rechtsgeldig de overeenkomst tussen partijen (contract [nummer 5] ) ontbonden. [partij A] moet de schade die [partij B] heeft geleden ten gevolge van de tekortkoming door [partij A] vergoeden op grond van artikel 45 jo artikel 74 CISG. [partij A] heeft de samenstelling van het voer dat zij aan [partij B] verkocht heeft aangepast. Aanvankelijk leverde [partij A] standaard voer, maar later leverde [partij A] “ [partij B] eigen” voer. Maar van dat voer werden de varkens ziek. [partij B] heeft voor de aanpassing van het voer betaald, maar die kosten dienen voor rekening van [partij A] te komen. Het totaal van die kosten is € 117.112,73. Daarnaast heeft [partij B] schade door oversterfte door gemiste voerwinsten geleden. De schade voor overleden varkens door stramheid komt neer op een bedrag van € 26.782,50. De varkens die aan stramheid leden verbleven gemiddeld langer bij [partij B] dan gezonde varkens. De voerwinst (omzet minus kosten varken en voerkosten) is daardoor lager. Het daarmee gemoeide bedrag is € 66.582,00. 7Het verweer 7.1. [partij A] betwist de vordering van [partij B] c.s. 7.2. [partij A] weerspreekt dat aan haar zijde sprake is van een (wezenlijke) tekortkoming bij de uitvoering van de overeenkomst. Geen verband is aangetoond tussen het voeren met het door haar geleverde voer en de stramheid bij de varkens van [partij B] . 7.3. Zo toch sprake zou zijn van een wezenlijke tekortkoming aan de zijde van [partij A] betekent dat nog niet dat de overeenkomst tussen partijen ontbonden is, omdat [partij B] de ontbinding te laat ingeroepen heeft. Volgens artikel 49 CISG diende [partij B] de overeenkomst te ontbinden binnen een redelijke termijn nadat hij de tekortkoming had ontdekt of had behoren te ontdekken. Dat heeft hij niet gedaan, omdat hij pas in juni en juli 2023 de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen, terwijl het contract gesloten is in september 2022 en vanaf dat moment ook leveringen hebben plaatsgevonden. 7.4. Reeds omdat [partij A] niet tekortgeschoten is bij de uitvoering van haar verplichtingen uit overeenkomst met [partij B] bestaat geen grond voor schadevergoeding door [partij A] . Hierbij tekent [partij A] aan, dat, gezien de door [partij B] c.s. gestelde tekortkoming, die schade slechts zou kunnen voortkomen uit een tekortkoming bij het uitvoeren van contract [nummer 5] , aangezien [partij B] geen voer afgenomen heeft onder contract [nummer 7] . [partij A] beroept zich vervolgens op de algemene voorwaarden (Lieferungs-en und Zahlungsbedingen) die van toepassing zijn op de overeenkomst, in het bijzonder op artikel 6 daarvan. Daarin is een uitsluiting van aansprakelijkheid opgenomen. Op grond van die uitsluiting is [partij A] niet alleen niet aansprakelijk voor door [partij B] geleden schade, maar is ook de claim van [partij B] c.s. verjaard. [partij A] betwist ook de verschillende onderdelen van de door [partij B] c.s. gestelde schade. Zij wijst erop dat zij het voer op verzoek van [partij B] aangepast heeft en dat, nu slechts 5 à 10% van de varkens last van stramheid had, 90 à 95% van de varkens van het voer in gewijzigde samenstelling geprofiteerd heeft. Naar de mening van [partij A] dient een eventueel schadebedrag wegens oversterfte gebaseerd te zijn op het aantal varkens dat daadwerkelijk overleden is, waarbij [partij A] opmerkt dat de stramheidklachten zich slechts hebben voorgedaan bij varkens in één stal. Een schadeberekening die gebaseerd is op stramheid bij de varkens in alle stallen is onjuist. Wat [partij A] naar voren gebracht heeft ten aanzien van de oversterfte geldt ook voor de gemiste voerwinsten: de schadeberekening moet gebaseerd zijn op de varkenspopulatie van één stal. 7.5. [partij A] komt tot de slotsom dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [partij B] c.s. zou moeten afwijzen en [partij B] c.s. zou moeten veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 8De beoordeling in conventie en in reconventie Bevoegdheid en toepasselijk recht 8.1. [partij A] is gevestigd in Duitsland en gedaagden zijn gevestigd dan wel woonachtig in Nederland. Gezien dit internationale karakter van de zaak onderzoekt de rechtbank de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Daarnaast dient zij vast te stellen naar welk recht zij het geschil tussen partijen dient te beoordelen. 8.2. Op grond van artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), dat bepaalt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat, is de Nederlands rechter bevoegd van de vordering in conventie kennis te nemen. Immers, de eerste gedaagde is in Nederland gevestigd en de andere gedaagden zijn woonachtig in Nederland. Op grond van artikel 8, aanhef en onder 3, van genoemde verordening, inhoudende dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook kan ook worden opgeroepen ten aanzien van een tegenvordering die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is voor het gerecht waar deze laatste aanhangig, is de Nederlandse rechter eveneens bevoegd kennis te nemen van de vordering in reconventie. 8.3. Artikel 4 van Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) geeft als regel dat bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 van die verordening en onverminderd de artikelen 5 tot en met 8 daarvan, de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Nu [partij A] is gevestigd in Duitsland, is Duits recht van toepassing. Duitsland is een verdragsluitende staat in de zin van het CISG, net als Nederland overigens. Het CISG, zoals partijen ook erkennen, is op de overeenkomsten tussen partijen van toepassing. In aanvulling daarop dient de rechtbank Duits recht toe te passen. in conventie Hebben partijen op 16 maart 2023 een overeenkomst gesloten (contract [nummer 7] )? 8.4. [partij A] stelt dat [partij B] daags na het verzenden van het ‘Angebot’ van 15 maart 2023 telefonisch contact gehad heeft met [partij A] en daarin verklaard heeft akkoord te gaan met de inhoud van dat ‘Angebot’. Op die wijze heeft [partij B] het aanbod van [partij A] mondeling aanvaard, zodat een overeenkomst tot stand is gekomen. Ter bevestiging heeft [partij A] op 16 maart 2023 nog een ‘Kontraktsbestätigung’ aan [partij B] gestuurd, aldus [partij A] . [partij B] c.s. erkent wel met [partij A] over contract [nummer 7] gesproken te hebben, maar hij betwist het aanbod aanvaard te hebben. [partij B] wilde dat niet omdat de problemen rond de stramheid van de varkens nog niet opgelost waren. [partij B] c.s. wijst erop dat hij de ‘Kontraktsbestätigung’ niet aan [partij A] teruggestuurd heeft. Bij het afsluiten van de eerdere contracten met [partij A] heeft, zo stelt [partij B] c.s., hij dat wel gedaan. In het geding heeft [partij B] c.s. gebracht (afschriften van) ‘Kontraktsbestätigungen’ die betrekking hebben op de contracten [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] (productie 1 van [partij B] c.s.). Deze zijn voorzien van handtekeningen van zowel [partij A] als van [partij B] . Productie 2 van [partij B] c.s. is (een afschrift van) de ‘Kontraktsbestätigung’ voor contract [nummer 7] . Deze is slechts voorzien van een handtekening van [partij A] . Een handtekening van [partij B] ontbreekt daarop. [partij A] heeft (een afschrift van) die ‘Kontraktsbestätigung’ in het geding gebracht zonder enige handtekening (productie 5 bij dagvaarding). [partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [partij B] de ‘Kontraktsbestätigungen’ in de meeste gevallen niet aan haar teruggestuurd heeft. [partij B] c.s. heeft op de inhoud van het verslag van de bespreking op 23 mei 2023 gewezen. Daarin staat dat [partij A] bij [partij B] aandringt op acceptatie van het (nieuwe) contract. Daaruit valt af te leiden dat het nieuwe contract nog niet gesloten was, aldus [partij B] c.s. Laatstgenoemde bestrijdt dan ook dat hij het bestaan van dat contract in dat gesprek bevestigd heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is de Duitse tekst van het gespreksverslag van 23 mei 2023 besproken. De passage, waarin volgens de Nederlandse vertaling staat dat [partij A] aandringt op acceptatie van het contract luidt als volgt: „(..) gibt es aus Sicht von [partij A] keinen Grund einen Kontrakt nicht abzunehmen und es wird auf Abnahme bestanden.” Volgens de ter zitting aanwezig tolk duidt dit op het geven van een vervolg waaraan iemand vastzit. Tot slot verwijst [partij B] c.s. naar de vermelding in zijn bericht van 31 mei 2023 waarin opgenomen is dat hij benadrukt dat geen bindende overeenkomst met [partij A] gesloten is. 8.5. De rechtbank oordeelt als volgt. Tegenover de verklaring van [partij A] dat [partij B] mondeling akkoord gegaan is met haar aanbod staat de ontkenning van [partij B] c.s. Aan het ontbreken van een door partijen getekende ‘Kontraktsbestätigung’ kent de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toe, nu [partij A] stelt dat zij niet in alle gevallen een door [partij B] getekende ‘Kontraktsbestätigung’ ontvangen heeft, terwijl het bestaan van de getekende ‘Kontraktsbestätigungen’ nog niet betekent dat [partij A] die ontvangen heeft. Daarbij komt dat een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen kan zijn door de mondelinge aanvaarding van het ‘Angebot’ van [partij A] . Aan de inhoud van het verslag van het overleg tussen partijen op 23 mei 2023 kent de rechtbank evenmin doorslaggevende betekenis toe. Zowel de Nederlandse tekst als de Duitse tekst kan duiden op acceptatie van een reeds gesloten contract als op het aangaan van een nog te sluiten contract. De vermelding in het e-mailbericht van [partij B] van 31 mei 2023 maakt het voorgaande niet anders. Dat bericht is immers verstuurd op een moment dat de discussie tussen partijen over het al dan niet gesloten zijn van contract [nummer 7] al gaande was. Nu [partij A] naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende gesteld heeft over het bestaan van de overeenkomst, zal de rechtbank [partij A] in de gelegenheid stellen te bewijzen dat partijen deze overeengekomen hebben, doordat [partij B] op 16 maart 2023 telefonisch het door [partij A] gedane aanbod onvoorwaardelijk aanvaard heeft. Is [partij A] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst? 8.6. Volgens [partij B] c.s. beantwoordt het door [partij A] geleverde voer niet aan de door partijen gesloten overeenkomst(en). Ter onderbouwing daarvan wijst [partij B] c.s. op het volgende. Na het begin van de samenwerking tussen partijen in september 2021 en dus van de levering van voer door [partij A] bleven goede resultaten bij de (groei van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.