RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer / rekestnummer: 11439610 \ EJ VERZ 24-444 Beschikking van 25 maart 2025 in de zaak van [partij A] , te [woonplaats 1], verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [partij A], gemachtigde: mr. L.H. Haarsma, tegen CONNEXXION TAXI SERVICES B.V., te IJsselmuiden, verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: Connexxion, gemachtigde: mr. W.M. Hes. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, en als de opzegging niet wordt vernietigd, om vaststelling van een billijke vergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek tot vernietiging van de opzegging af, omdat de opzegging (rechts)geldig is, en wijst een bedrag van € 3.000,- als billijke vergoeding toe. In het tegenverzoek verzoekt Connexxion om [partij A] te veroordelen in daadwerkelijke door Connexxion gemaakte proceskosten. Het tegenverzoek wordt afgewezen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 23 producties - het verweerschrift met 5 producties, met een tegenverzoek - de mondelinge behandeling van 19 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.1. [partij A], geboren [geboortedatum] 1971, ontvangt sinds 9 november 2004 een WAO-uitkering, in verband met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Hij is op 6 december 2007 in dienst getreden bij Connexxion in de functie van taxichauffeur leerlingenvervoer, tegen een loon van € 490,08 bruto per maand. 2.2. Op 4 december 2013 is [partij A] wegens hartfalen uitgevallen. Op 24 maart 2014 is bij [partij A] een ICD geplaatst. Per 1 juli 2015 is het oordeel van de bedrijfsarts: Sinds begin 2014 heeft betrokkene een behandeling (die niet ophoudt of ongedaan gemaakt wordt), die maakt, dat hij blijvend rijongeschikt is, in principe voor alle rijden. Daarbij heeft hij zodanige beperkingen qua energie, dat er geen belastbaarheid met arbeid is. Recent had ik opnieuw contact met hem en de ernst van de aandoening is eerder toegenomen dan afgenomen en daarmee ook de ernst van de beperkingen. Ik verwacht geen zodanige afname van de beperkingen meer, dat er nog een belastbaarheid voor structurele arbeid zal ontstaan. 2.3. Re-integratie in spoor 1 of spoor 2 is niet ingezet, gelet op de afwezigheid van belastbaarheid arbeid. Na het einde van de wachttijd van 104 weken heeft Connexxion met ingang van 2 december 2015 de loonbetaling gestaakt. Het UWV heeft geen aanleiding gezien om een loonsanctie op te leggen. 2.4. [partij A] heeft op 29 februari 2016 het UWV verzocht zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen. De bedrijfsarts van het UWV rapporteert op 9 juni 2016: Belanghebbende was reeds bekend met beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Verder bestaan er nu aanmerkelijke beperkingen ten aanzien van het fysieke functioneren. Tenslotte geldt een arbeidsduurbeperking met een maximum van 5 x 4 uur per week. Daarbij dienen nachtdiensten te worden uitgesloten. […] Belanghebbende was per 2-12-15 en is per datum onderzoek belastbaar te achten met arbeid conform hetgeen is vastgelegd in de functionele mogelijkheden lijst van heden. Connexxion is destijds niet, maar eerst naar aanleiding van een op 26 april 2024 uitgebrachte dagvaarding, op de hoogte geraakt van dit oordeel van de bedrijfsarts van het UWV. 2.5. Naar aanleiding van de ‘Xella-beschikking’ heeft Connexxion al haar werknemers met een slapend dienstverband (ongeveer 100, waaronder [partij A]) uitgenodigd een verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te doen onder toekenning van een transitievergoeding. [partij A] wenste hier niet op in te gaan. Bij brief van 5 maart 2020 heeft hij via zijn advocaat aan Connexxion laten weten te willen re-integreren bij Connexxion. 2.6. Connexxion heeft bij e-mail van 2 april 2020 dit verzoek afgewezen en daarbij aangegeven dat zij, gelet op de WAO-status van [partij A], na de wachttijd niet (meer) verantwoordelijk zijn voor zijn re-integratie. 2.7. Partijen correspondeerden vervolgens enige tijd, waarbij [partij A] wisselend aangeeft te willen re-integreren en de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Connexxion heeft haar standpunt gehandhaafd dat geen aanleiding bestaat uitvoering te geven aan de re-integratie van hem. Zij hebben geen overeenstemming bereikt over een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 2.8. Op 1 maart 2023 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. [partij A] herhaalde zijn wens te willen re-integreren heeft daarbij aangegeven dat hij ten hoogste een uur per dag zou kunnen werken, dat hij heel voorzichtig moet zijn met stress en spanning en dat hij ‘zeg maar’ een tikkende tijdbom is. Naar aanleiding van dit gesprek is [partij A] uitgenodigd op 30 maart 2023 te verschijnen bij de bedrijfsarts van Connexxion. Vanwege ziekte is hij niet verschenen. 2.9. Partijen hebben vervolgens weer gecorrespondeerd over een vaststellingsovereenkomst en over re-integratie bij Connexxion, zonder overeenstemming te bereiken. 2.10. Op 26 april 2024 heeft [partij A] vervolgens een dagvaarding laten uitbrengen waarin hij primair wedertoelating tot het werk vordert en subsidiair vordert dat Connexxion wordt veroordeeld tot (
- i)het aanvragen van toestemming voor opzegging aan het UWV en vervolgens (
- ii)het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. 2.11. Bij e-mail van 22 mei 2024 heeft Connexxion aangegeven dat voor zowel voor het verkrijgen van een ontslagvergunning als re-integratie beoordeling door een bedrijfsarts diende plaats te vinden. 2.12. [partij A] is uitgenodigd om op het spreekuur van 3 juni 2024 te verschijnen. Hij is daar niet verschenen, en heeft vervolgens laten weten dat hij de gehele maand juni niet aanwezig is. 2.13. Connexxion heeft op 19 juni 2024 toestemming gevraagd aan het UWV. 2.14. [partij A] is vervolgens uitgenodigd om op het spreekuur van 1 juli 2024 om 16.00 uur te verschijnen. Ook daar is hij niet verschenen. In zijn e-mail van diezelfde dag om 13.21 geeft [partij A] geen reden van verhindering. Hij bericht dat hij niet zal verschijnen, meldt dat hij in juni 2024 geen contact heeft gehad met zijn advocaat, attendeert op de aanhangig gemaakte procedure en deelt mee dat gelet daarop geen contact – anders dan via de kantonrechter – tussen partijen of hun advocaten dient plaats te vinden. 2.15. Op 2 augustus 2024 heeft het UWV de ontslagvergunning verleend. 2.16. Op 27 augustus 2024 heeft Connexxion de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 december 2024. 3Het verzoek en het verweer 3.1. [partij A] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: primair: de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen’ Connexxion te veroordelen de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2024 te herstellen op straffe van verbeurte van een dwangsom; de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van 1 december 2024; subsidiair: 4. Connexxion te veroordelen tot betaling van a. een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto, b. een immateriële schadevergoeding van € 50.000,- c. in alle juridische procedures tussen partijen gemaakte juridische kosten; primair en subsidiair: 5. Connexxion te veroordelen in de proceskosten van deze procedure. 3.2. Connexxion voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. 4Het tegenverzoek en het verweer 4.1. Connexxion verzoekt [partij A] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten. 5De beoordeling van het verzoek van [partij A] Moet de opzegging worden vernietigd? 5.1. Aan de primaire verzoeken heeft [partij A] – samengevat – ten grondslag gelegd dat hij weliswaar geen chauffeurswerkzaamheden meer kan doen, maar dat Connexxion in onvoldoende mate heeft onderzocht of hij andere passende arbeid zou kunnen doen. Aangezien [partij A] een werknemer met een arbeidshandicap is, bedraagt de herplaatsingstermijn 26 weken. Van Connexxion had verwacht mogen worden dat zij [partij A] had laten onderzoeken door de bedrijfsarts ten einde de mate van belastbaarheid vast te stellen. Connexxion heeft dat in onvoldoende mate gedaan. Daarnaast had Connexxion een overzicht van de aanwezige en binnen een redelijke termijn te verwachten vacatures dienen over te leggen. Ook dat heeft zij nagelaten. 5.2. De kantonrechter volgt [partij A] niet in zijn standpunt. 5.3. Uit artikel 7:682 en 671a Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kantonrechter een met toestemming van het UWV opgezegde arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer kan herstellen als de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 BW. Uit 7:669 lid 1 en lid 3 BW volgt, voor zover hier van belang, dat de werkgever mag opzeggen indien de werknemer door ziekte of gebrek niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten; de ziekte tenminste twee jaar heeft geduurd; aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht herplaatsing binnen een redelijke termijn (van in dit geval 26 weken) al dan niet met behulp van scholing in een andere passende functie niet mogelijk is 5.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] volledig arbeidsongeschikt is voor de bedongen arbeid, aangezien hij vanwege de aanwezigheid van een ICD blijvend rijongeschikt is en dus geen chauffeurswerkzaamheden kan verrichten. 5.3.2. Naar het oordeel van de kantonrechter is evenmin gebleken van een mogelijkheid van herplaatsing in een andere passende functie. Dat het onderzoek van Connexxion naar herplaatsingsmogelijkheden ondeugdelijk is geweest, kan niet worden aangenomen. Van belang daarbij is dat Connexxion op grond van de laatst bekende beoordeling van de bedrijfsarts (1 juli 2015) er aanvankelijk op goede gronden vanuit ging dat er géén belastbaarheid was. Na het gesprek van 1 maart 2023, waarin [partij A] aangaf dat hij wel (in zeer beperkte mate) belastbaar zou zijn, heeft zij [partij A] doen uitnodigen voor een bezoek aan de bedrijfsarts op 30 maart 2023. Navolgbaar is dat Connexxion, voor wat betreft de belastbaarheid niet wilde afgaan op de enkele mededeling van [partij A], temeer omdat hij daarbij aangaf dat hij een ‘tikkende tijdbom’ is. Beoordeling heeft op 30 maart 2023 niet plaatsgevonden, omdat [partij A] zich wegens ziekte heeft afgemeld. Niet gebleken is dat [partij A] vervolgens heeft verzocht om een nieuwe afspraak. In 2024 is [partij A] nog twee keer uitgenodigd voor een bezoek aan de bedrijfsarts. Beide keren heeft hij verstek laten gaan. Hij is eerst uitgenodigd voor het spreekuur op 3 juni 2024, maar is daar niet verschenen omdat hij (na ontvangst van de uitnodiging) aangaf de gehele maand juni verhinderd te zijn. Vervolgens is hij, rekening houdend met deze verhindering, uitgenodigd voor het spreekuur van 1 juli 2024. Ter zitting heeft [partij A] toegelicht dat (
- i)hij de gehele maand juni in Frankrijk verbleef; (
- ii)hij in de nacht van 30 juni op 1 juli 2024 is teruggekomen; (iii) hij in de ochtend van 1 juli 2024 de uitnodiging heeft gezien, en (
- iv)toen per e-mail heeft aangegeven niet te verschijnen. Die uitleg is, mede gelet op de twee eerdere uitnodigingen die niet hebben geleid tot een bezoek aan de bedrijfsarts, naar het oordeel van de kantonrechter niet afdoende om zonder consequenties niet te verschijnen: [partij A] wist of kon weten dat hij op enig moment na de door hem opgegeven verhindering zou kunnen worden uitgenodigd, en de e-mail waarin hij zegt niet te komen is ruim 2,5 uur voor het aanvangstijdstip van het bezoek verstuurd. Hij had dus nog voldoende gelegenheid om wél te verschijnen. Bovendien biedt de e-mail van [partij A] geen onderbouwing voor de ter zitting gegeven reden van afwezigheid. Die e-mail laat zich niet anders lezen dan dat hij wel kon verschijnen, maar dat zonder deugdelijke grond weigerde. Tegen deze achtergrond behoefde Connexxion [partij A] niet voor een vierde keer uit te nodigen voor een bezoek aan de bedrijfsarts. In het verlengde daarvan kon zij voor de vraag of [partij A] herplaatsbaar was in een andere functie uitgaan van de rapportage van 1 juli 2015 en de mededelingen van [partij A] zelf over zijn (zeer) beperkte inzetbaarheid. Aangezien de mededelingen van [partij A] zelf dateren van ná de beoordeling van de bedrijfsarts van het UWV uit 2016 (waarvan Connexxion pas op 26 april 2024 kennis heeft kunnen nemen, rechtsoverweging 2.4) bestond er – zonder recente beoordeling van de bedrijfsarts – hoe dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een hogere belastbaarheid dan [partij A] zelf in het gesprek van 1 maart 2023 heeft genoemd. Connexxion heeft op 22 augustus 2022 [partij A] gewezen op de vacatures binnen Connexxion, en daarbij aangegeven dat geen van deze functies passend is of is te maken. Onder verwijzing naar de beschikbare vacatures heeft Connexxion op 22 mei 2024 opnieuw aangegeven dat voor [partij A] geen structurele passende arbeid beschikbaar is binnen de groep waarvan Connexxion onderdeel uitmaakt (Transdev Nederland), gelet op zijn geringe belastbaarheid (zo er al sprake zou zijn van enige belastbaarheid). Ter onderbouwing van de aanvraag van de ontslagvergunning heeft zij opnieuw inzicht gegeven in de vacatures van Transdev Nederland. Naar aanleiding daarvan heeft het UWV geoordeeld dat hij de conclusie van Connexxion kon volgen dat geen vacante passende functies voor [partij A] binnen een redelijke termijn beschikbaar zijn of komen. [partij A] heeft ook in deze procedure niet toegelicht op welke specifieke punten het onderzoek van Connexxion ondeugdelijk zou zijn en welke vacante functies wel aansluiten bij zijn opleiding, ervaring en capaciteiten en medische beperking. 5.4. Het UWV heeft dus op goede gronden de ontslagvergunning kunnen verlenen. Het primaire verzoek van [partij A] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, omdat de opzegging rechtsgeldig is. Moet aan [partij A] een billijke vergoeding worden betaald? 5.5. Aan het subsidiaire verzoek heeft [partij A] ten grondslag gelegd dat Connexxion niet heeft voldaan aan haar verplichting om zorg te dragen voor een deugdelijke re-integratie, maar alleen aan te sturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tussen 2013 en 2019 heeft, zo stelt [partij A], Connexxion hem geheel links laten liggen. Na 2019 zou Connexxion geen deugdelijk onderzoek hebben gedaan naar andere passende arbeid binnen Transdev Nederland, zich daarbij op het onjuiste standpunt stellende dat het UWV verantwoordelijk is voor de re-integratie van [partij A]. 5.6. Volgens Connexxion kan [partij A] geen aanspraak maken op een billijke vergoeding omdat zij de re-integratieverplichtingen niet heeft geschonden en ook niet heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 5.7. Uit artikel 7:682, lid 1 aanhef en onder c volgt dat de kantonrechter een billijke vergoeding kan toekennen indien de opzegging in verband met – kort gezegd – arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. 5.7.1. Anders dan [partij A] stelt, kan een schending van re-integratieverplichtingen door Connexxion in de periode tussen december 2013 en 5 maart 2020 niet worden aangenomen. Blijkens de beoordeling van 1 juli 2015 was [partij A] niet belastbaar en was er ook geen verwachting dat hij belastbaar zou worden. Connexxion hoefde dan ook geen re-integratie in spoor 2 in te zetten. Dat Connexxion niet uit mocht gaan van de juistheid van deze beoordeling omdat de bedrijfsarts [partij A] voor het laatst op 16 april 2014 heeft gezien, zoals [partij A] heeft aangevoerd, kan niet worden aangenomen. Van een noodzaak voor de bedrijfsarts om [partij A] kort voor de beoordeling opnieuw te zien is niet gebleken, al helemaal niet omdat de bedrijfsarts meldt dat hij recent opnieuw contact had gehad met [partij A] en daaruit afleidde dat de ernst van de aandoening en de beperkingen eerder waren toe- dan afgenomen. Met ingang van 2 december 2015 verviel de loonbetalingsverplichting, en was sprake van een ‘slapend dienstverband’. Aangezien de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, bleven de re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658a BW op Connexxion rusten. Connexxion hoefde daar echter geen actieve invulling aan te geven omdat zij ervan uitging en van uit mocht gaan dat [partij A] niet belastbaar was en [partij A] ook niet te kennen heeft gegeven dat hij weer werkzaamheden bij Connexxion wilde verrichten. Zoals hiervoor is overwogen, was Connexxion in deze periode niet op de hoogte van de beoordeling van de bedrijfsarts van het UWV van 9 juni 2016. 5.7.2. Op 5 maart 2020 heeft [partij A] duidelijk laten aangeven weer te willen re-integreren. Ten onrechte heeft Connexxion zich vervolgens op het standpunt gesteld dat zij geen inspanningsverplichting had. Zij heeft dit standpunt in ieder geval gehandhaafd tot 1 maart 2023. Connexxion had naar aanleiding van de wens tot re-integratie van [partij A] echter al in 2020 moeten navragen bij [partij A] of de belastbaarheid was gewijzigd en bij een bevestigend antwoord, [partij A] moeten laten uitnodigen door de bedrijfsarts. Dat zij dit toen niet heeft gedaan, valt Connexxion in ernstige mate te verwijten. 5.7.3. Na het gesprek op 1 maart 2023 is van schending van de re-integratieverplichting geen sprake meer geweest. Anders dan [partij A] ingang wil doen vinden, kan evenmin worden aangenomen dat Connexxion enkel heeft aangestuurd op een beëindiging. Uit de brieven en e-mails van Connexxion komt duidelijk naar voren dat indien uit een beoordeling van een bedrijfsarts – ook voor wat betreft de voorgenomen beoordeling ten behoeve van het verzoek om een ontslagvergunning – zou zijn gebleken dat wel sprake zou zijn van voldoende belastbaarheid, [partij A] in aanmerking zou kunnen komen voor vacatures die aansluiten op zijn opleiding, ervaring en capaciteiten. Dat een bedrijfsarts niet heeft kunnen vaststellen dat de belastbaarheid is toegenomen en dus moest worden uitgegaan van hooguit een zeer beperkte belastbaarheid, kan Connexxion, gelet op hetgeen onder 5.3.2 is overwogen, niet worden verweten. 5.8. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 5.8.1. Voor de bepaling van de hoogte van een billijke vergoeding neemt de kantonrechter in ogenschouw dat [partij A] in 2015 een bruto jaarsalaris genoot van ongeveer € 6.000,-. Verder is van belang dat, anders dan [partij A] heeft betoogd, Connexxion in de periode van 2013 tot 2020 en na maart 2023 haar verplichtingen niet heeft geschonden. Ook is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat een eerder adequaat onderzoek tot een andere uitkomst had geleid. Al met al acht de kantonrechter een bedrag van € 3.000,- passend. 5.9. [partij A] heeft niet toegelicht op welke grond Connexxion gehouden is € 50.000,- aan immateriële schade te vergoeden. Dit onderdeel ligt dan ook voor afwijzing gereed. 5.10. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen. 6De beoordeling van het tegenverzoek 6.1. Voor veroordeling in de daadwerkelijke kosten is noodzakelijk dat sprake is van buitengewone omstandigheden, waaronder misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan kan sprake zijn indien het instellen van een verzoek of vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen achterwege behoorde te blijven. Ook kan sprake zijn van misbruik van procesrecht als nodeloos wordt geprocedeerd terwijl een juridische grond daarvoor ontbreekt. 6.2. Gelet op de gedeeltelijke toewijzing van het subsidiair verzochte is geen sprake van misbruik van procesrecht of anderszins onrechtmatig handelen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om [partij A] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten die Connexxion heeft moeten maken. 7De beslissing De kantonrechter Ten aanzien van de verzoeken van [partij A] 7.1. wijst het primaire verzoek af, 7.2. veroordeelt Connexxion om aan [partij A] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00, 7.3. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, 7.4. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 7.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad, 7.5. wijst het meer of anders verzochte af; Ten aanzien van het tegenverzoek van Connexxion 7.6. wijst het tegenverzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025. HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734 Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle). Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.