RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/325447 / HA ZA 24-468 Vonnis van 5 november 2025 in de zaak van WORKTRANS DIENSTVERLENING B.V., te Purmerend, eisende partij, hierna te noemen: Worktrans, advocaat: mr. R.G.F. Lammers, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats], hierna te noemen: [gedaagde 1], niet verschenen,2. [gedaagde 2], te [woonplaats], hierna te noemen: [gedaagde 2], advocaat: mr. D.F. Fransen, gedaagde partijen. Samenvatting [gedaagde 1] heeft chauffeurs ingeleend van Worktrans. Veertien facturen zijn onbetaald gebleven. Worktrans vordert van [gedaagde 1] betaling van die facturen. Worktrans wordt in die vordering niet ontvankelijk verklaard, omdat [gedaagde 1] wegens een gebrek aan baten is opgehouden te bestaan. Daarnaast houdt Worktrans [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade die zij lijdt doordat de facturen onbetaald zijn gebleven. Voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt een hoge lat en die lat wordt hier niet gehaald. De vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] worden daarom afgewezen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties (1-9)- de conclusie van antwoord met producties (1-5)- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - het bericht van 13 juni 2025 met producties (10 en 11) van Worktrans - de mondelinge behandeling van 26 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde 2] is sinds 22 juli 2016 statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1]. 2.2. Worktrans heeft op 6 januari 2017 een raamovereenkomst gesloten met [gedaagde 1] voor de in- en uitleen van personeel. Op basis van deze raamovereenkomst zijn meerdere chauffeurs door Worktrans uitgeleend aan [gedaagde 1], waaronder de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]). 2.3. [gedaagde 1] heeft een achterstand laten ontstaan in de betaling van de facturen aan Worktrans, welke achterstand vanaf april 2023 steeds verder opliep. Worktrans heeft [gedaagde 1] herhaaldelijk per e-mail aangespoord om tot betaling van de achterstallige facturen over te gaan. 2.4. Op 31 oktober 2023 is de jaarrekening van [gedaagde 1] over 2022 vastgesteld en gedeponeerd. Onder het kopje “Informatieverschaffing over continuïteit” staat in die jaarrekening het volgende vermeld: “Het eigen vermogen van [gedaagde 1] B.V. bedraagt per 31 december 2022 negatief. Hierdoor bestaat er een onzekerheid van materieel belang op grond waarvan gerede twijfel zou kunnen bestaan over de continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van [gedaagde 1] B.V. De onderneming is in gesprek met de schuldeisers om tot een crediteurenakkoord te komen. Daarnaast wil de onderneming haar vreemd vermogen omzetten naar eigen vermogen om uiteindelijk richting een positief eigen vermogen te komen. De verwachting is dat de operationele kasstromen zich zodanig ontwikkelen dat aan deze verplichtingen kan worden voldaan. De in de onderhavige jaarrekening gehanteerde grondslagen van waardering en resultaatbepaling zijn dan ook gebaseerd op de veronderstelling van continuïteit van de vennootschap.” 2.5. Op 3 november 2023 heeft Worktrans een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende staat: “Ik heb afgelopen maandag telefonisch contact met je gehad en tevens onderstaande mails verstuurd. Helaas heb je op mijn mail niet meer gereageerd en er is ook helemaal geen betaling vanuit jullie zijde meer binnengekomen. We gaan [naam 1] vandaag even bellen en bij hem aangeven dat volgende week wel eens zijn laatste week kan gaan zijn bij jullie bedrijf via onze organisatie. We zullen [naam 1] ook gewoon even netjes uitleggen dat wanneer jullie ons niet betalen wij zijn salaris ook niet meer kunnen betalen. We gaan dan samen met [naam 1] kijken naar een andere opdrachtgever waar hij zijn werk als chauffeur met plezier kan gaan uitvoeren. In het bijgevoegde openstaande posten overzicht wat ik je verstuurd heb ontbreekt nog de factuur welke je deze week zult gaan ontvangen. De vervallen facturen zijn inmiddels opgelopen naar een € 23.232,69 per maandag 06-11-2023. Wanneer er maandag 06-11-2023 dit bedrag niet is bijgeschreven op de gebruikelijke betaalrekening van Force Service Center / Worktrans Dienstverlening zullen wij onze samenwerking beëindigen en [naam 1] vertellen dat per 10-11-2023 zijn werkzaamheden bij jullie organisatie zullen gaan stoppen. (…)” 2.6. Diezelfde dag heeft [naam 2] (de vader van [gedaagde 2]) namens [gedaagde 1] een e-mail naar Worktrans gestuurd waarin hij – voor zover hier relevant – schrijft: “Zojuist telefonisch besproken en hierbij een bevestiging. Er is een reservering van 25 k voor jou . Ze hebben een auto afgekocht bij de lease met eigen geld en deze is sinds 2 weken verkocht omdat het werk stopt. Dit duurt langer dan er werd gezegd want het zou deze week al rond zijn Van morgen heeft blijkbaar de boekhouder zijn papieren pas als bevestiging naar de lease gestuurd. Normaal is het volgende week dan binnen op de rekening van [gedaagde 1] BV (…)” 2.7. Op 14 november 2023 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 25.717,03 aan Worktrans betaald. Hierna heeft [gedaagde 1] geen betalingen meer aan Worktrans verricht. Over de periode van 20 oktober 2023 tot en met 11 januari 2024 zijn veertien facturen onbetaald gebleven van in totaal een bedrag van € 24.788,94. Het betreft facturen voor werkzaamheden die [naam 1] in de periode van 2 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 voor [gedaagde 1] heeft verricht. 2.8. Nadat Worktrans meermaals [gedaagde 1] had aangemaand om tot betaling van voornoemde facturen over te gaan, heeft zij in april 2023 [gedaagde 2] en zijn vader als bestuurder respectievelijk feitelijk beleidsbepaler van [gedaagde 1] tot betaling gesommeerd. Hierop heeft de gemachtigde van [gedaagde 2] een brief naar Worktrans gestuurd waarin hij aangeeft dat voor voortzetting van [gedaagde 1] een sanering van de schuldenlast noodzakelijk is. Hij vraag Worktrans in deze brief om ermee in te stemmen dat tegen finale kwijting tien procent van haar vordering – afgerond een bedrag van € 2.500,00 – wordt voldaan. Worktrans heeft hiermee niet ingestemd. 2.9. Op 7 november 2024 is de jaarrekening van [gedaagde 1] over 2023 vastgesteld en gedeponeerd. Hierin staat onder het kopje “Informatieverschaffing over continuïteit” het volgende vermeld: “Het eigen vermogen en resultaat van [gedaagde 1] B.V. is per 31 december 2023 negatief. Hierdoor bestaat er een onzekerheid van materieel belang op grond waarvan gerede twijfel zou kunnen bestaan over de continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van [gedaagde 1] B.V. De onderneming is in gesprek met de belastingdienst en andere schuldeisers om tot een saneringsvoorstel te komen. Door de ontwikkelingen in de transportsector in 2024 zijn deze kansen zover geslonken dat de verwachting is dat er geen akkoord komt en de onderneming haar activiteiten zal staken. De in de onderhavige jaarrekening gehanteerde grondslagen van waardering en resultaatbepaling zijn dan ook gebaseerd op de veronderstelling van staking van de vennootschap.” 2.10. Op 28 november 2024 is [gedaagde 1] ontbonden en wegens een gebrek aan baten opgehouden te bestaan. 3Het geschil 3.1. Worktrans vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk bij voorraad: ten aanzien van [gedaagde 1]: 1. [gedaagde 1] te veroordelen om aan Worktrans een bedrag te betalen van € 24.788,94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en een bedrag van € 1.024,89 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen; ten aanzien van [gedaagde 2]: 2. voor recht te verklaren dat [gedaagde 2] jegens Worktrans onrechtmatig heeft gehandeld; 3. hem deswege, wanneer [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling tot betaling aan Worktrans heeft voldaan, te veroordelen tot betaling van de hoofdsom, of het restant daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, te vermeerderen met een bedrag van € 1.024,89 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover; 4. [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen. 3.2. Worktrans heeft aan de vordering ten aanzien van [gedaagde 1] ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] tekort geschoten is in de nakoming van de raamovereenkomst van 6 januari 2017 en de nadien gesloten deelovereenkomsten, door veertien facturen onbetaald te laten. Zij vordert alsnog nakoming van de overeengekomen betalingsverplichtingen. Aan de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] heeft Worktrans ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens Worktrans valt [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt te maken van het feit dat [gedaagde 1] geen verhaal biedt, door vanaf oktober 2023 welbewust door te gaan met het inlenen van werknemers, terwijl hij wist dat [gedaagde 1] haar betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan ontstane schade. Ook heeft [gedaagde 2] volgens haar bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [gedaagde 1] haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen. 3.3. [gedaagde 1] is niet in het geding verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd. 3.4. [gedaagde 2] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Worktrans, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Worktrans, met veroordeling van Worktrans in de kosten van deze procedure. 3.5. [gedaagde 2] betwist dat hij onrechtmatig jegens Worktrans heeft gehandeld. Hij weerspreekt dat hem als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat [gedaagde 1] niet de volledige vordering van Worktrans heeft kunnen voldoen. Hij heeft aangevoerd dat hij in 2017, bij het aangaan van de raamovereenkomst, niet heeft kunnen zien aankomen dat [gedaagde 1] de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet volledig zou kunnen nakomen. Hierbij wijst hij erop dat meer dan 95 procent van het grote aantal facturen dat Worktrans sinds 2017 aan [gedaagde 1] heeft gestuurd is voldaan en dat slechts en klein deel onbetaald is gebleven. Toen het slecht ging met [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] er naar eigen zeggen alles aan gedaan om een doorstart of overname van [gedaagde 1] mogelijk te maken. Toen in juli 2024 bleek dat de Belastingdienst twintig in plaats van de verwachte tien procent van haar vordering op [gedaagde 1] wenste te incasseren, viel voor [gedaagde 1] het doek. Hiervan valt hem geen persoonlijk ernstig verwijt te maken. Ook wijst hij erop dat Worktrans op de hoogte was van de financiële situatie van [gedaagde 1] en dat zij er desondanks voor gekozen heeft om de uitleen van [naam 1] aan [gedaagde 1] voort te zetten. Daarmee heeft Worktrans zelf een risico genomen, waarvan zij de gevolgen volgens [gedaagde 2] niet achteraf op hem kan afschuiven. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Vordering ten aanzien van [gedaagde 1] 4.1. De rechtbank zal Worktrans niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering ten aanzien van [gedaagde 1], omdat [gedaagde 1] bij de ontbinding wegens een gebrek aan baten overeenkomstig artikel 2:19 lid 4 BW is opgehouden te bestaan. Artikel 2:23c BW bepaalt dat wanneer na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt, of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Niet gesteld of gebleken is dat Worktrans de weg van artikel 2:23c BW tot heropening van de vereffening van [gedaagde 1] heeft bewandeld, zodat de rechtspersoon [gedaagde 1] niet is herleefd en zich nog steeds bevindt in een toestand van opgehouden hebben te bestaan. In deze toestand kan [gedaagde 1] niet worden gedagvaard. Pas na de heropening van de vereffening kan de niet-bestaande rechtspersoon worden gedagvaard. Worktrans wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering ten aanzien van [gedaagde 1]. Daarbij zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op nihil. Vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] 4.2. De vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] zijn gebaseerd op de stelling dat [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Worktrans en daarom aansprakelijk is voor het onbetaald en onverhaald blijven van haar vordering op [gedaagde 1]. Voor de beoordeling van deze vorderingen gelden volgens vaste jurisprudentie de volgende uitgangspunten. Juridisch kader 4.2.1. Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Uitgangspunt is dat een bestuurder niet aansprakelijk is voor de schulden van de door haar bestuurde vennootschap. Onder omstandigheden kan op dat uitgangspunt een uitzondering worden aanvaard. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen) volgt, samengevat, dat een bestuurder slechts aansprakelijk kan worden gehouden vanwege het door de vennootschap onbetaald laten van een vordering indien deze bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.