← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2025:6683

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Toezicht - Schuldsanering Zittingsplaats Zwolle insolventienummer: C/08/25/28 R uitspraakdatum: 24 februari 2025 Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van: [verzoeker], wonende te [woonplaats] , Verzoekster, verder te noemen: [verzoeker]. Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is op 10 juli 2024 een onderbewindstelling uitgesproken, met benoeming van [beschermingsbewindvoerder] h.o.d.n. [bedrijf] tot (beschermings)bewindvoerder. Het procesverloop [verzoeker] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 februari 2025. [verzoeker] en de beschermingsbewindvoerder zijn ter zitting verschenen. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt. De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 juli 2023 is de Wet verbetering doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking getreden. Als gevolg van inwerkingtreding van vorengenoemde wet is onder andere artikel 349a lid 1 Faillissementswet (Fw) aangepast, in die zin dat nu is bepaald dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt te rekenen van de dag van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 eerste lid onder f, indien die dag eerder is gelegen. De rechtbank zal eerst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling behandelen en vervolgens bepalen of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum vast te stellen. De rechtbank concludeert het volgende wat betreft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schuldenlast in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Tevens heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank zal de schuldsaneringsregeling dan ook op [verzoeker] van toepassing verklaren. Wat betreft het bepalen van een eerdere ingangsdatum overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] is gehuwd geweest met de heer [naam] ([naam]). In verband met een tijdens het huwelijk ontstane problematische schuldenlast is in 2011 de gezamenlijke woning van [naam] en [verzoeker] geveild, waarna een schuld van bijna € 80.000,-- aan de SNS Bank resteerde. In 2015 zijn [verzoeker] en [naam] gescheiden. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat ze door jarenlang beslag op haar loon in verband met de vordering van de SNS Bank al bijna € 90.000,-- op de vordering van de SNS Bank heeft afgelost. Op 20 december 2024 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1913) prejudiciële vragen beantwoord over de bepaling in artikel 349a lid 1 Faillissementswet dat de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling op een datum gelegen vóór de datum waarop de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken, kan worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft onder andere bepaald dat een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van een schuldenaar gelegd beslag ook als eerste aflossing kan worden aangemerkt. Voorts heeft de Hoge Raad bepaald dat artikel 349a lid 1 Faillissementswet ambtshalve moet worden toegepast. De rechtbank concludeert dat [verzoeker] geen (uitdrukkelijk) beroep heeft gedaan op het bepalen van een eerdere ingangsdatum. De rechtbank is echter van oordeel dat ambtshalve toepassing van artikel 349a lid 1 Faillissementswet, er in het geval van [verzoeker], nu zij door langdurig beslag op haar inkomen substantieel heeft afgelost op de vordering van één schuldeiser, toe moet leiden dat de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling op een jaar vóór toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden bepaald. Tenslotte overweegt de rechtbank dat door de toepassing van de schuldsaneringsregeling de ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen van rechtswege komen te vervallen. De beslissing De rechtbank: - spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker] geboren op [geboortedatum]-1973 te [geboorteplaats] (Turkije), wonende te [woonplaats]; - benoemt tot rechter-commissaris mr. A.E. Zweers, en tot bewindvoerder mw. [bewindvoerder], [adres] ; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan [verzoeker] gerichte brieven en telegrammen; - stelt de vergoeding voor de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling voorlopig vast op de bedragen zoals bepaald in het op 1 januari 2024 in werking getreden Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, en brengt deze bedragen ten laste van de boedel; - bepaalt dat de bewindvoerder - bij wijze van voorschot - van deze vergoeding gemiddeld per maand een bedrag mag opnemen van maximaal het maandbedrag van het looptijdafhankelijke deel, te vermeerderen met 1/18 van het looptijdonafhankelijke deel, een en ander vanaf de maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is (een gedeelte van een maand daaronder begrepen) en uitsluitend wanneer het saldo op de ten behoeve van de schuldsaneringsregeling geopende bankrekening dit toelaat; - bepaalt de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 349a lid 1 Faillissementswet op 24 februari 2024 is. Gewezen te Zwolle door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.