vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team Toezicht - Schuldsanering Zittingsplaats Zwolle rekestnummer: NL:TZ:2500738:R-RK uitspraakdatum: 30 juni 2025 Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van: [verzoeker], wonende te [woonplaats] , Verzoeker, verder te noemen: [verzoeker]. Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is op 22 april 2024 een onderbewindstelling uitgesproken, met benoeming van [bewindvoerder 1] B.V. te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder. Het procesverloop [verzoeker] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 juni
- [verzoeker], mevrouw [naam] ([bedrijf] B.V.) en mevrouw [beschermingsbewindvoerder] (beschermingsbewind) zijn ter zitting verschenen. De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 juli 2023 is de Wet verbetering doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking getreden. Als gevolg van inwerkingtreding van vorengenoemde wet is onder andere artikel 349a lid 1 Faillissementswet (Fw) aangepast, in die zin dat nu is bepaald dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt te rekenen van de dag van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285 eerste lid onder f, indien die dag eerder is gelegen. [verzoeker] heeft, naast dat hij heeft verzocht de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren, ook verzocht om een eerdere ingangsdatum van de looptijd van die schuldsaneringsregeling vast te stellen. De rechtbank zal eerst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling behandelen en vervolgens bepalen of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum vast te stellen. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. rekestnummer: NL:TZ:2500738:R-RK blad 2 [verzoeker] heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van de schuldenlast, onder controle heeft gekregen. Ook heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank zal de schuldsaneringsregeling dan ook op [verzoeker] van toepassing verklaren. Door de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn de ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen van rechtswege komen te vervallen. Wat betreft het bepalen van een eerdere ingangsdatum overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] heeft verzocht de eerdere ingangsdatum op 1 januari 2025 te bepalen. Uit de aangeleverde stukken en de verklaring ter zitting maakt de rechtbank op dat [verzoeker] vanaf januari 2025 zijn inkomen dat uitstijgt boven de van toepassing zijnde berekening van het vrij te laten bedrag, heeft afgedragen (gespaard) voor zijn schuldeisers. [verzoeker] heeft over de gehele periode fulltime gewerkt en werkt nog steeds fulltime. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de eerdere ingangsdatum moet worden bepaald op 1 januari
- De beslissing De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker] geboren op [geboortedatum]-1998 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]; - benoemt tot rechter-commissaris mr. A.E. Zweers, en tot bewindvoerder [bewindvoerder 2], [adres] ; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan [verzoeker] gerichte brieven en telegrammen; - stelt de vergoeding voor de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling voorlopig vast op de bedragen zoals bepaald in het op 1 januari 2024 in werking getreden Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, en brengt deze bedragen ten laste van de boedel. - bepaalt dat de bewindvoerder - bij wijze van voorschot - van deze vergoeding gemiddeld per maand een bedrag mag opnemen van maximaal het maandbedrag van het looptijdathankelijke deel, te venneerderen met 1/18 van het looptijdonathankelijke deel, een en ander vanaf de maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is (een gedeelte van een maand daaronder begrepen) en uitsluitend wanneer het saldo op de ten behoeve van de schuldsaneringsregeling geopende bankrekening dit toelaat; rekestnummer: NL:TZ:2500738:R-RK blad 3 - bepaalt de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 349a lid 1 Faillissementswet op 1 januari
- Gewezen te Zwolle door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak moet kennisnemen (art. 349a jo 351 Fw).