RECHTBANK OVERIJSSEL Team Familie en Jeugd Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08-037845-25 (P) Datum vonnis: 1 december 2025 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] . 1De toelichting op dit vonnis De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte] ) opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welk strafbare feit [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt. Op 17 november 2025 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouw mr. M. Mulderij-Anker, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldiging vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd. De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldiging vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft. De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat de verdenking die de officier van justitie [verdachte] primair verwijt, kan worden bewezen. [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daarbij bijzondere voorwaarden stellen zoals aan het eind van dit vonnis genoemd. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en bondig weergeven, op neer dat [verdachte] op 3 februari 2025 in Zwolle [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) met een mes in de buik heeft gestoken en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling (primair), of mishandeling (subsidiair). Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat: primair hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes en/of steekvoorwerp, althans een scherp, puntig en/of snijdend voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in/op de buik, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te hebben gestoken, geprikt en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Zwolle [slachtoffer] heeft mishandeld, door met een mes en/of steekvoorwerp, althans een scherp, puntig en/of snijdend voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in/op de buik, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken, prikken en/of snijden. 3De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. [verdachte] heeft dit feit bekend. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsvrouw ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden - overeenkomstig artikel 359 lid 3 laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering - met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan: primair de (bekennende) verklaring van [verdachte] , afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 17 november 2025; het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 3 februari 2025 (pagina’s 7 tot en met 9); het proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2025 inclusief bijlagen (pagina 39 tot en met 63). 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank vindt op grond van de inhoud van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat: primair:hij op 3 februari 2025 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in de buik van die [slachtoffer] in heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de strafbaarheid van [verdachte] Het beroep op noodweer(exces) of putatief noodweer De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer(exces) of putatief noodweer. De officier van justitie vindt dat daar geen sprake van is en dat die verweren van de verdediging moeten worden verworpen. Voor de beoordeling van de beroepen van de verdediging gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. [verdachte] en [slachtoffer] waren direct vóór het steekincident wat aan het stoeien, dat ging over en weer. Dit heeft [slachtoffer] verklaard en zijn verklaring wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] aan het sparren was voor de lol. Ze waren hierbij beiden aan het lachen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] en [slachtoffer] wat aan het stoeien waren op een leuke manier, waarna het wel steeds wat harder ging, maar het was nog steeds sparren. Getuige [getuige 2] heeft ook verklaard over het stoeien tussen [verdachte] en [slachtoffer] . Ook een onafhankelijke getuige, [getuige 3] , heeft verklaard dat er over en weer wat duw- en trekwerk is geweest tussen twee jongens. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat [slachtoffer] uit het niets zei ‘wil je vechten?’ en vervolgens direct op hem af kwam gerend, waarna [verdachte] uit zelfverdediging [slachtoffer] gestoken heeft in zijn buik. Van stoeien of sparren voor de lol is geen sprake geweest, aldus [verdachte] . De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting, namelijk dat in het geheel geen sprake is geweest van een stoeipartij ‘voor de grap’ of enig duw- en trekwerk over en weer direct voorafgaand aan het steken en dat [slachtoffer] hem uit het niets ineens aanviel, acht de rechtbank op basis van het dossier niet aannemelijk geworden. Enkel [verdachte] ontkent het bestaan van de eerdere ‘stoeisituatie’ en spreekt over een aanval vanuit [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] en meerdere getuigen hier anders over verklaard hebben. Niemand anders verklaart over een plotselinge aanval vanuit [slachtoffer] richting [verdachte] . Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat vóór het steekincident sprake was van een stoeipartij of duw- en trekwerk over en weer in een (redelijk) ontspannen sfeer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] de hem verweten gedraging om die reden niet verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een gedraging van [slachtoffer] die naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Omdat de noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, zal de rechtbank het beroep op noodweer verwerpen. Om diezelfde reden verwerpt de rechtbank ook het beroep op noodweerexces. Onder putatief noodweer wordt verstaan het geval dat een verdachte bij vergissing in de veronderstelling verkeerde dat hij zich mocht of moest verdedigen tegen (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Een beroep op putatief noodweer slaagt als de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. In dit geval dient dan vastgesteld te worden dat [verdachte] in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar vanuit [slachtoffer] heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. Dit betekent dat een onmiddellijke dreiging van aanranding niet alleen voor [verdachte] , maar ook voor derden (voor de gemiddelde mens) aannemelijk moet zijn geweest op grond van hetgeen ter plaatse op dat moment gebeurde. In dit verband overweegt de rechtbank dat er voor [verdachte] objectief gezien geen enkele aanleiding bestond te vrezen voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding vanuit [slachtoffer] . [slachtoffer] , maar ook diverse getuigen, spreken immers van een stoeipartij en/of duw- en trekwerk in een (redelijk) ontspannen sfeer. Dit beeld past niet bij het verontschuldigbaar inbeelden van een onmiddellijk dreigende aanval. De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer. De rechtbank is van oordeel dat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of van [verdachte] uitsluiten. Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. [verdachte] is ook strafbaar voor het bewezen verklaarde feit. Het bewezen verklaarde levert op: primair het misdrijf: poging tot zware mishandeling. 5De motivering van de straf 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel worden gekoppeld de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden en de voorwaarde dat [verdachte] in het kader van begeleid of beschermd wonen bij [instelling] of een soortgelijke instelling moet verblijven. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie. 5.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegd feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De aard en de ernst van het gepleegde feit [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. [verdachte] en [slachtoffer] waren op straat aan het stoeien. Op enig moment steekt [verdachte] met een mes in de buik van [slachtoffer] . Hierdoor heeft [slachtoffer] letsel opgelopen; een snijwond in zijn buik van twee tot drie centimeter lang en één centimeter diep. Dit letsel had veel ernstiger kunnen zijn. Het is niet aan [verdachte] te danken dat het uiteindelijk goed met [slachtoffer] afgelopen is. Immers is [verdachte] gelijk na het steken weg gegaan en heeft hij [slachtoffer] achtergelaten. [verdachte] heeft met zijn geweldshandeling [slachtoffer] verwond en daarmee een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. De rechtbank neemt dit [verdachte] kwalijk. De persoon van [verdachte] Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van 17 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.