Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2025:7006
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 24/3867 en 24/3914 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (de raad) (gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).
Procesverloop 1. [verzoeker] heeft in november 2023 en december 2023 inzake meerdere toevoegingen de raad verzocht om handhaving en nakoming van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
1.1.
De raad heeft met een brief van 14 december 2023 aangegeven dat de raad geen bemoeienis heeft met de wijze waarop een zaak wordt behandeld en de daarvoor te verrichten werkzaamheden.
1.2. [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 14 december 2023.
1.3.
De raad heeft het bezwaar van [verzoeker] met het bestreden besluit van 25 juni 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.4. [verzoeker] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij zowel de rechtbank Oost-Brabant als de rechtbank Gelderland.
1.5.
De rechtbank Gelderland heeft het beroep van [verzoeker] op 1 november 2024 doorgezonden aan de rechtbank Overijssel.
1.6.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep van [verzoeker] op 4 november 2024 doorgezonden aan de rechtbank Overijssel.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de raad deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank Bevoegdheid 2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dat wordt ook wel relatieve competentie genoemd. Relatieve competentie is geregeld in artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in bijlage 2 bij de Awb.
2.1. [verzoeker] stelt dat de rechtbank Overijssel onbevoegd is om kennis te nemen van zijn beroepen. Volgens [verzoeker] is de rechtbank Gelderland bevoegd om kennis te nemen van zijn beroep met zaaknummer ZWO 24/3867. De rechtbank Oost-Brabant is volgens [verzoeker] bevoegd om kennis te nemen van zijn beroep met zaaknummer ZWO 24/3914.
2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 8:7 van de Awb luidt:
Artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb luidt, voor zover hier van belang:
2.3.
De rechtbank stelt vast dat artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb op twee manieren kan worden en in andere uitspraken ook wordt uitgelegd.
2.4.
Als “bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand” zo gelezen moet worden dat dit verwijst naar “een besluit”, zal voor de relatieve competentie moeten worden beoordeeld of het gaat om een besluit zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Slechts als sprake is van zo’n besluit, is de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd bevoegd. Van een dergelijk besluit is hier geen sprake. In overige gevallen, waarbij geen sprake is van een besluit zoals bedoeld in hoofdstuk II van de Wrb, gelden dan de algemene regels inzake de relatieve competentie uit artikel 8:7 van de Awb.
2.5.
De bepaling is echter ook zo te lezen dat “bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand” verwijst naar de Raad voor rechtsbijstand. In dat geval zou de rechtbank in het arrondissement waar de raad is gevestigd bevoegd zijn om kennis te nemen van beroepen tegen alle soorten besluiten die zijn genomen door de Raad voor rechtsbijstand.
2.6.
De rechtbank constateert dat zowel de rechtbank Gelderland als de rechtbank Oost-Brabant zichzelf onbevoegd hebben geacht om kennis te nemen van de beroepen van [verzoeker] . Zij hebben de beroepen van [verzoeker] immers doorgezonden naar de rechtbank Overijssel. De rechtbank zal daarom, in dit concrete geval, terugvallen op artikel 8:7 van de Awb. Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb leidt in dit geval tot de conclusie dat de rechtbank Overijssel bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker] , gelet op zijn woonplaats Deventer. De rechtbank ziet in dit geval geen noodzaak om een eventueel geschil over de toepassing van artikel 8:7 en bijlage 2 van de Awb voor te leggen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar 3. [verzoeker] voert aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de brief van 14 december 2023 wel is gericht op rechtsgevolg.
3.1.
Op grond van de Awb kan alleen tegen een besluit bezwaar worden gemaakt. In de brief van 14 december 2023 is slechts aangegeven dat de raad niet de (wettelijke) bevoegdheid heeft om handhaving en nakoming van artikel 24 van de Wrb af te dwingen. De brief bevat dus geen beslissing die is gericht op rechtsgevolg en is daarom geen besluit als bedoeld in de Awb. De rechtbank is daarom van oordeel dat de raad het bezwaar van [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie en gevolgen 4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat [verzoeker] geen gelijk krijgt. [verzoeker] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3867.
Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3914.
Artikel 1:3 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb.