RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 11944427 \ CV EXPL 25-3231 Vonnis in kort geding van 19 december 2025 in de zaak van [eiseres] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. C. ter Braack, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats 2] ,2. [gedaagde 2], te [woonplaats 3] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , gemachtigde: mr. D.F. Briedé. 1De zaak in het kort Partijen wonen op een landgoed in een woonboerderij, bestaand uit voor- en achterhuis. [eiseres] (moeder van [gedaagde 1] ) woont in het achterhuis, [gedaagden] (zijn vrouw) in het voorhuis. De verhoudingen zijn ernstig verstoord. In een eerdere kort geding procedure (11361623 CV EXPL 24-338) zijn over en weer contact- en locatieverboden toegewezen. Volgens [eiseres] houden [gedaagden] zich hier niet aan, reden waarom zij een uitbreiding van die verboden en een verhoging van de daarbij opgelegde dwangsommen vordert. Verder vordert zij herstel van diverse gebreken. Een deel van het gevorderde wordt toegewezen, hieronder wordt uitgelegd waarom. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 21 - het herstelexploot van 27 november 2025 - de akte overlegging productie 22 van [eiseres] - de e-mail van mr. Briedé van 8 december 2025 met twee bijlages 2.2. De mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota. 3De feiten 3.1. Zoals hiervoor onder 1 al is vermeld, zijn [eiseres] en [gedaagde 1] moeder en zoon. [gedaagde 2] is de vrouw van [gedaagde 1] . 3.2. [eiseres] was eigenaar van de woonboerderij aan de [adres 1] (het achterhuis) en [adres 2] (het voorhuis) in [woonplaats 1] . Zij heeft ervoor gezorgd dat het perceel met opstallen de status van landgoed heeft gekregen. 3.3. Op 21 juli 2017 heeft [eiseres] het landgoed aan [gedaagde 1] overgedragen. Sindsdien woont [eiseres] in het achterhuis en [gedaagde 1] in het voorhuis. Inmiddels woont ook [gedaagde 2] in het voorhuis. 3.4. Bij kortgedingvonnis van 12 december 2024 is het [gedaagden] onder meer verboden om: zich te bevinden in het gebied zoals dat bij benadering middels de geel/rode belijning is aangegeven op onderstaande schets (beslissing 2); [afbeelding] zich binnen een straal van tien meter rondom [eiseres] te bevinden, wanneer [eiseres] zich vanuit het geel/rood belijnde gebied naar de openbare weg loopt of zich in het geel/rood belijnde gebied bevindt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 5.000,00 (beslissing 3); [eiseres] (met haar auto) of haar bezoek (met auto) de toegang tot het landgoed te weigeren, actief te benaderen en aan te spreken, dan wel de toegang tot het landgoed op enige andere wijze te ontzeggen, beletselen op te werpen tegen parkeren door [eiseres] of haar bezoek in het geel/rood belijnde gebied en hun honden los te laten lopen in het geel/rood belijnde gebied of het gebied tussen het geel/rood belijnde gebied en de openbare weg, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 10.000,00 (beslissing 5). 4Het geschil 4.1. [eiseres] vordert samengevat: I. [gedaagden] te verbieden om zich te bevinden in het gebied zoals aangegeven op onderstaande afbeelding, welk verbod zich mede uitstrekt tot derden en zaken die door of vanwege [gedaagden] aanwezig zijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00; [afbeelding] II. [gedaagden] te verbieden zich binnen een straal van tien meter rondom [eiseres] te bevinden wanneer zij vanuit het in de afbeelding aangegeven gebied naar de openbare weg loopt of zich in het geel/rood belijnde gebied bevindt, welk verbod zich mede uitstrekt tot derden die door of vanwege [gedaagden] aanwezig zijn op het landgoed, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00; III. [gedaagden] te verbieden om [eiseres] (met haar auto) of haar bezoek (met auto) de toegang tot het landgoed te weigeren, actief te benaderen en aan te spreken, dan wel de toegang tot het landgoed op enige andere wijze te ontzeggen, om beletselen op te werpen tegen parkeren door [eiseres] of haar bezoek in het geel/rood belijnde gebied, om hun honden los te laten lopen in het geel/rood belijnde gebied of het gebied tussen het geel/rood belijnde gebied en de openbare weg, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 10.000,00; IV. het in het eerdere kortgedingvonnis opgelegde locatieverbod uit te breiden in overeenstemming met het in de afbeelding hierboven aangegeven gebied; V. te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen dat [eiseres] een schutting met poort laat plaatsen, waarbij de kosten van maximaal € 10.000,00 door [gedaagden] (primair), dan wel voor de helft door [gedaagden] (subsidiair), dan wel door [eiseres] (meest subsidiair) moeten worden betaald; VI. te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen en niet mogen (laten) verhinderen dat [eiseres] op kosten van [gedaagde 1] haar slaapkamerraam laat herstellen, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00, met veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van de factuur van de glaszetter van € 1.471,00 inclusief btw; VII. te bepalen dat [gedaagden] moeten gedogen en niet mogen (laten) verhinderen dat [eiseres] op kosten van [gedaagde 1] – tot een maximum van € 20.000,00 – een aannemer en tuinman inschakelt om de lekkage te herstellen, de dichtgeschroefde/dichtgetimmerde ramen en deuren te herstellen, het verf op de ramen van de keuken en voordeur te verwijderen, de vernielde achterpui te herstellen, onderhoud aan de verwarmingsketel te plegen, de haag en zaken voor haar ramen te verwijderen, het onkruid in haar tuin te laten verwijderen en opnieuw met gras in te laten zaaien, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00 (primair), dan wel [gedaagde 1] te veroordelen om deze gebreken binnen vier maanden op zijn kosten door deskundige derden te laten herstellen, welke derden door [eiseres] moeten worden goedgekeurd en alleen het terrein van het locatieverbod mogen betreden na overleg met en schriftelijke toestemming van [eiseres] , op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 50.000,00 (subsidiair); VIII. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente. 4.2. [gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Kwalificatie overeenkomst partijen 5.2. In het kortgedingvonnis van 12 december 2024 is overwogen: (...) 4.5 Hoewel het in de Familieovereenkomst genoteerde voornemen om de voorwaarden en bepalingen ten aanzien van het gebruik van de woonruimte door [eiseres] nader vast te leggen in een huurovereenkomst niet is uitgevoerd, staat vast dat [eiseres] de woonruimte gebruikt en daarvoor huur betaalt. Het lijdt daarom geen twijfel dat tussen partijen een huurovereenkomst bestaat. 5.3. Volgens [gedaagden] is er geen sprake van een huurovereenkomst (en heeft de rechter het in voormeld vonnis (dus) bij het verkeerde eind). Het was destijds de bedoeling om een huurovereenkomst te sluiten voor het voorhuis, maar dat is nooit gebeurd. Namens [eiseres] is daarop ter zitting aangevoerd dat er, gelet op voormeld vonnis, in deze procedure vanuit moet worden gegaan dat sprake is van een huurovereenkomst. 5.4. Allereerst wordt opgemerkt dat aan een vonnis in kort geding geen gezag van gewijsde toekomt. Verder is er geen regel die verbiedt dat (een geschil over) een rechtsbetrekking opnieuw ter discussie wordt gesteld. Desalniettemin ziet de kantonrechter geen aanleiding zich opnieuw te buigen over de vraag of sprake is van een huurovereenkomst. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze kwestie inmiddels (ook) voorligt in hoger beroep en dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden daterend van na het kortgedingvonnis van 12 december 2024 die moeten leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een huurovereenkomst. Dat [eiseres] lange tijd niet op het landgoed heeft verbleven (en daarmee haar hoofdverblijf elders heeft gehad) en naar eigen zeggen “noodgedwongen” is teruggekeerd, is daarvoor onvoldoende. Dit zijn immers geen omstandigheden die maken dat een overeenkomst niet of niet langer als huurovereenkomst kan worden gekwalificeerd. 5.5. In het navolgende zal dan ook als uitgangspunt gelden dat sprake is van een huurovereenkomst met betrekking tot het achterhuis. Incidenten na het kortgedingvonnis van 12 december 2024 5.6. Volgens [eiseres] hebben [gedaagden] zich door het kortgedingvonnis niet laten weerhouden van het: plaatsen van grote stenen op de wegstrook waar zij (en haar bezoek) de auto keert; blokkeren van de oprijlaan (op 14 februari 2025); uitschelden van haar ( [gedaagde 1] , op 15 februari 2025); filmen van haar op korte afstand ( [gedaagde 2] , op 15 februari 2025); barricaderen van haar ramen met houten schuttingdelen (op 15, 16 en 20 februari 2025); - afdekken van de ramen naast haar voordeur met een zwarte plaat, die is vastgetimmerd aan de kozijnen (mei 2025). Verder hebben zij alle ruitjes in haar voordeur en haar keukenramen dichtgespoten met zwarte verf, althans hebben zij dit laten doen door [gedaagde 2] vader (mei 2025) en kijken eind mei 2025 een vriendin van [gedaagde 2] en een vriend van [gedaagde 1] uitgebreid en zonder gêne bij haar naar binnen. Vanaf medio juni 2025 wachten [gedaagden] haar dagelijks op als ze naar buiten gaat, waarbij ze haar naschreeuwen, op de ramen bonken en naar haar zwaaien. Verder laten ze, eveneens in juni 2025, een drone pal voor haar raam op de eerste verdieping rondzwermen. 5.7. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] diverse foto’s en filmpjes willen overleggen. Deze bestanden konden echter, zoals meegedeeld aan mr. Briedé, niet worden geopend, waarop hem is verzocht deze bestanden op een andere wijze aan te leveren. Aangezien mr. Briedé vervolgens heeft laten weten dat dit niet mogelijk was, maken deze bestanden geen deel uit van de processtukken. Dat laat onverlet dat uit de gemailde toelichting bij deze foto’s en filmpjes kan worden opgemaakt dat [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat niet zij de oprijlaan hebben geblokkeerd, maar [eiseres] dat heeft gedaan, dat op de wegstrook waar [eiseres] stelt haar auto te keren altijd bloembakken hebben gestaan en dat van filmen op korte afstand geen sprake is geweest (de afstand zou ruim 18 meter zijn geweest). Verder zou [eiseres] “het privacy folie” op het raam naast de voordeur moedwillig hebben verwijderd en een telefoon al filmend in een lege auto hebben achtergelaten. Dat [gedaagde 2] naar [eiseres] zwaait ( [eiseres] ’s productie 14) is dan ook niet waar; [eiseres] zat niet in die auto, aldus [gedaagden] . Ter zitting hebben zij verklaard dat zij niets van doen hebben gehad met het barricaderen van [eiseres] ’s ramen met schuttingdelen, het dichtspuiten van [eiseres] ’s ramen en de drone. 5.8. De kantonrechter stelt vast dat op de door [eiseres] als productie 11 overgelegde foto en haar als fragment 7 (van productie 6; een USB-stick met filmpjes) overgelegde filmpje te zien is dat er een houten schuttingdeel is geplaatst voor haar voordeur en de twee ramen daarnaast (waarbij op dit filmpje ook te zien is dat zij deze schutting verwijdert). Op de foto’s die zijn overgelegd als productie 12 is te zien dat voormelde twee ramen naast de voordeur zijn afgedekt door een zwarte, aan het kozijn bevestigde plaat. Op het als fragment 8 overgelegde filmpje is te zien dat iemand met een spuitbus het in beeld zijnde raam voorziet van verf, terwijl de als producties 12 en 22 overgelegde foto’s laten zien dat de raampjes in de voordeur en twee andere raampjes alle zijn voorzien van zwarte verf. Op het als fragment 11 overgelegde filmpje is een drone te zien, die gedurende enige tijd vlak voor het raam blijft “hangen”. 5.9. Dat [gedaagden] niets te maken hebben gehad met voormelde incidenten, komt niet geloofwaardig voor. Hoewel niet geheel uit te sluiten is dat (een) willekeurige derde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.