RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almelo Zaaknummer / rekestnummer: 11827153 \ EJ VERZ 25-133 Beschikking van 22 december 2025 in de zaak van CONDUENT NETHERLANDS B.V., te Tilburg, verzoekende partij, verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: Conduent, gemachtigde: mr. M. Bosma, advocaat te Utrecht, tegen [partij B] , te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: [partij B] , gemachtigde: mr. W.Y. Hofstra, advocaat te Hilversum. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, - het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek - de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling. 1.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen enige tijd aangehouden voor overleg over een minnelijke regeling. Partijen hebben de kantonrechter bij afzonderlijke brieven van 20 november 2025 verzocht uitspraak te doen. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De zaak in het kort 2.1. Conduent is een internationale organisatie die bedrijven en overheden ondersteunt met bedrijfskritische diensten en oplossingen zoals klantcontactdiensten, human resource-diensten en oplossingen voor operationeel management en transactieverwerking. 2.2. [partij B] , geboren op [geboortedatum] 1962, is sinds 9 november 2020 (voor onbepaalde tijd) in dienst bij Conduent. De functie van [partij B] is [functie] met een loon van € 6.423,60 bruto per maand op basis van 40 uur per week. 2.3. Conduent heeft in maart 2025 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) toestemming gevraagd het dienstverband van [partij B] op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen in de zin van artikel 7:671a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij besluit van 6 juni 2025 heeft het UWV geweigerd om aan Conduent deze toestemming te verlenen. 2.4. In deze procedure verzoekt Conduent de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [partij B] te ontbinden op bedrijfseconomische gronden. [partij B] heeft daartegen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst het verzoek van Conduent af, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat Conduent als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering heeft moeten treffen, die ertoe leiden dat de arbeidsplaats/functie van [partij B] vervalt en daarnaast omdat Conduent niet heeft voldaan aan de herplaatsingsverplichting. De kantonrechter licht haar oordeel hierna toe. 3Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijke) tegenverzoek 3.1. Conduent verzoekt de kantonrechter (kort gezegd), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de tussen Conduent en [partij B] bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW; II. bij het bepalen van de einddatum van het dienstverband rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de te wijzen ontbindingsbeschikking en deze duur in mindering te brengen op de voor partijen geldende opzegtermijn; III. aan [partij B] de transitievergoeding toe te kennen; IV. de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.2. [partij B] verweert zich gemotiveerd tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [partij B] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarnaast verzoekt [partij B] in dat geval primair te bepalen dat Conduent geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentie- en het relatiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, althans subsidiair beide bedingen te vernietigen, althans meest subsidiair te bepalen dat Conduent voor de duur van deze bedingen aan hem een billijke vergoeding moet betalen, een en ander met veroordeling van Conduent in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. 3.3. Op de door partijen over en weer ingenomen stellingen en verweren zal hierna, voor zover van belang nader worden ingegaan. 4. De beoordeling van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek Vooraf 4.1. Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen enige tijd aangehouden om hen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Dat is niet gelukt. Namens partijen is bij afzonderlijke brieven van 20 november 2025 verzocht om beschikking te wijzen. Conduent heeft echter niet volstaan met deze mededeling, maar ook haar (nadere) inhoudelijke visie gedeeld. Van de zijde van [partij B] is daartegen naar het oordeel van de kantonrechter terecht bezwaar gemaakt. De handelwijze van de zijde van Conduent is in strijd met hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken en in strijd met de goede procesorde. De kantonrechter moet bovendien het ontbindingsverzoek beoordelen op basis van hetgeen bekend is bij de behandeling van het verzoek, en eventueel nog ter zitting bekend wordt en dat geldt ook voor het herplaatsings-vereiste. Daarbij past niet dat een werkgever tijdens de procedure een mogelijk ‘niet geheel voldragen dossier’ alsnog tijdens de procedure repareert. De kantonrechter zal het inhoudelijke deel van de brief van 20 november 2025 van Conduent dan ook buiten beschouwing laten en niet bij haar beoordeling betrekken. Het verzoek van Conduent 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Conduent heeft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW (de a-grond). 4.4. De kantonrechter zal beoordelen of aan de vereisten van een redelijke grond en herplaatsing is voldaan. Redelijke grond voor ontbinding - verval van de arbeidsplaats 4.5. Als één van de redelijke gronden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt in artikel 7:669 lid 3 onder a BW aangemerkt: ‘het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.’ 4.6. In de Ontslagregeling zijn nadere regels gesteld met betrekking tot onder andere een redelijke grond voor ontslag, het afspiegelingsbeginsel en de herplaatsingsplicht. Daarnaast heeft het UWV Uitvoeringsregels voor het ontslag wegens bedrijfseconomische redenen vastgesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Ontslagregeling (en de toelichting daarop) recht in de zin van artikel 79 Wet Rechterlijke Organisatie is, en dat de Uitvoeringsregels alleen bindend zijn voor het UWV. Dit laatste neemt niet weg dat de rechter deze regels wel als richtsnoer kan gebruiken. In de Memorie van toelichting bij de Wet werk en zekerheid (Wwz) is ook tot uitgangspunt genomen dat de rechter het ontbindingsverzoek aan dezelfde criteria toetst als het UWV. 4.7. Het staat een werkgever in beginsel vrij om voor een bepaalde bedrijfsvoering en inrichting van zijn onderneming te kiezen, ook als dat leidt tot een organisatieverandering met verlies van arbeidsplaatsen. Dat neemt niet weg dat opzegging van een arbeidsovereen-komst wel een voldragen ontslaggrond vereist. De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een voldragen ontslaggrond liggen bij Conduent. 4.8. Conduent heeft bij het UWV een ontslagaanvraag voor [partij B] ingediend op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, meer in het bijzonder organisatorische of technologische veranderingen. Daarbij heeft Conduent aangevoerd dat zij al meerdere jaren verlies lijdt. Ook binnen de bredere Europese groep van Conduent-entiteiten (hierna: de EMEA-regio) worden aanzienlijke verliezen geleden. Als gevolg van de aanhoudende verliezen over 2024 en de voorgaande jaren staat de continuïteit van zowel de Europese groep als haar individuele entiteiten onder druk. Als onderdeel van een internationale herstructurering door de moedermaatschappij, vanwege margedruk, is besloten dat in de gehele EMEA-regio geen actieve verkoopinspanningen meer geleverd zullen worden gericht op het verkrijgen van nieuwe klanten. Volgens Conduent vinden binnen de EMEA-regio aanzienlijk minder verkopen plaats en lopen de salesactiviteiten binnen deze regio al jaren terug. Daarom heeft Conduent ervoor gekozen om zich meer te gaan richten op andere regio’s. Als gevolg van deze besluitvorming is al eerder afscheid genomen van het volledige salesteam, op één medewerker na, en zijn alle salesactiviteiten met ingang van l januari 2025 verplaatst naar Amerika, aldus Conduent. Volgens Conduent is de functie van [partij B] met deze verplaatsing inhoudsloos geworden nu deze functie normaliter ondersteuning biedt aan het salesteam. Vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering heeft Conduent besloten om de functie van [partij B] te laten vervallen. Ook ontstaan er geen nieuwe functies. Collega [naam 1] , met dezelfde functie als [partij B] , gaat de enige beschikbare rol in het accountmanagement vervullen, waarmee hij de bestaande klanten van Conduent in Nederland blijft beheren. 4.9. Het UWV heeft de ontslagaanvraag afgewezen en daarbij als toelichting (kort gezegd) aangegeven dat de door Conduent aangedragen redenen voor de organisatorische veranderingen tegenstrijdig van aard dan wel onvoldoende onderbouwd zijn. Conduent verklaart tegenstrijdig over het al dan niet verplaatsen van alle salesactiviteiten en is er niet in geslaagd om de gestelde (financiële) omstandigheden die aanleiding geeft tot de voorgenomen organisatorische veranderingen te onderbouwen. Conduent heeft verder geen schriftelijke vastlegging van een besluit of reorganisatieplan overgelegd waaruit de wijzigingen betreffende de salesafdeling en concreet het verval van de arbeidsplaats/functie van [partij B] volgen. De door Conduent meegezonden stukken maken onvoldoende inzichtelijk dat de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] dient te vervallen. Conduent geeft enerzijds aan dat de functie van [partij B] inhoudsloos is geworden, omdat hij ondersteunde taken verricht voor de salesafdeling en dat de functie vervalt. Anderzijds geeft zij aan dat de taken van de [functie] in het belang van de organisatie worden herverdeeld, in die zin dat alle saleswerkzaamheden (voor bestaande klanten) kunnen en worden verricht door de individuele sales medewerker (collega [naam 1] ). Daarbij wordt enkel de rol van accountmanagement genoemd. Hoewel wordt aangegeven dat er geen nieuwe functies worden gecreëerd, is onvoldoende duidelijk hoe deze 'rol' dan wel gekwalificeerd moet worden. Conduent is nogmaals door het UWV in de gelegenheid gesteld om de bedrijfseconomische redenen en de noodzaak voor het verval van de arbeidsplaats/functie van [partij B] nader te onderbouwen, maar volgens het UWV heeft Conduent haar onvoldoende van haar standpunt overtuigd. Conduent reageert slechts met algemene antwoorden of een herhaling van punten uit de ontslagaanvraag. Het UWV meent dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat het verval van de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. 4.10. In hoofdstuk 1.2.1 van de Uitvoeringsregels is bepaald dat de door de werkgever aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden moeten worden onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de werkgever deze terecht aanvoert. Ook moet de werkgever toelichten dat het verval van de arbeidsplaats logisch samenhangt met de ernst van de bedrijfseconomische omstandigheden en de getroffen maatregelen. Voor de door Conduent aangevoerde bedrijfseconomische redenen is in hoofdstuk 1.2.4 (organisatorische of technologische veranderingen) vermeld welke gegevens en toelichtingen verstrekt moeten worden. De kantonrechter stelt vast dat deze gegevens niet (volledig) door Conduent zijn overgelegd en bedoelde toelichtingen niet (voldoende) zijn verstrekt. Met de informatie die in het kader van de UWV-procedure en aanvullend in deze ontbindingsprocedure wel is overgelegd, is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende inzichtelijk geworden dat het verval van de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Daarbij acht de kantonrechter van betekenis dat Conduent weliswaar stelt dat de reorganisatie zorgvuldig is voorbereid en gebaseerd is op daadwerkelijke bedrijfseconomische noodzaak, maar dat zij dat onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Zo ontbreekt een besluit of een reorganisatieplan van de (directie van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.