Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2026:1672
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 16-206823-25 (P) Datum vonnis: 30 maart 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 in [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] , nu verblijvende in de P.I. [locatie] .
1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 maart 2026 en 23 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. W.K. Cheng, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar door mr. M.M. de Boer, advocaat in Amsterdam, is aangevoerd.
2De tenlastelegging De verdenking komt, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 [slachtoffer] meermalen heeft verkracht; feit 2: in de periode van 1 april 2019 tot en met 30 juli 2023 zijn levensgezel [slachtoffer] meermalen heeft mishandeld; feit 3: in de periode van 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025 [slachtoffer] heeft gestalkt; feit 4: op 16 september 2025 een (getransformeerd) gaspistool en munitie voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat:
1 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 te Almelo, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
2 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 30 juli 2023 te Almelo, althans op een of meer plaatsen in Nederland, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal,
3 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025 te [plaats 2] en/of te [plaats 1] , althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
4 hij op of omstreeks 16 september 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) gaspistool, van het merk Blow, type TR914, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten meerdere patronen, kaliber 9mm en/of 7.65mm, voorhanden heeft gehad.
3De bewijsmotivering 3.1 Inleiding [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en verdachte hebben elkaar in de zomer van 2017 leren kennen bij de sportschool waar [slachtoffer] destijds werkzaam was. In 2018 hebben zij een - tumultueus verlopen - relatie gekregen. Op [geboortedatum 2] 2020 is [minderjarige] , de dochter van verdachte en [slachtoffer] , geboren. Op 25 juli 2025 doet [slachtoffer] aangifte van diverse strafbare feiten die in de periode vanaf 1 april 2019 hebben plaatsgevonden. Verdachte is op 16 september 2025 aangehouden. Op die dag is in zijn woning een vuurwapen met munitie aangetroffen. Verdachte ontkent de beschuldigingen die zien op [slachtoffer] . Het vuurwapenbezit is door verdachte wel bekend.
3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 heeft zij betoogd dat de belastende verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en dat het dossier voldoende steunbewijs bevat voor deze verklaringen. Over de verkrachting van 28 januari 2023 heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte dit feit ter zitting heeft bekend.
3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder feiten 1 tot en met 3 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de ten laste gelegde verkrachtingen, mishandelingen en belaging sprake is van ‘narratieve reconstructie’ in de verklaringen van [slachtoffer] , te weten een achteraf geconstrueerde voorstelling van zaken die is gebaseerd op verkeerde interpretaties van gebeurtenissen binnen een complexe relatie. Meer specifiek heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen objectief steunbewijs bevat voor de verklaringen van [slachtoffer] over de verkrachtingen, dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat verdachte met opzet letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, en dat de voor belaging vereiste stelselmatigheid en het oogmerk niet kunnen worden vastgesteld.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde.
3.4 Het oordeel van de rechtbank 3.4.1 Ten aanzien van feiten 1 en 2 3.4.1.1 De beoordeling van bewijs in zeden- en huiselijk geweldzaken Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zeden- en huiselijk geweldzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een (grotendeels) ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer. Steunbewijs kan ertoe leiden dat desondanks toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de afweging of sprake is van voldoende steunbewijs is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voor een bewezenverklaring afdoende wanneer de betrouwbare, belastende verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in overige bewijsmiddelen die afkomstig zijn uit een andere bron.
De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of (1) de belastende verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en (2) deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De verklaring van [slachtoffer] heeft in haar aangiftes van 25 juli 2025 en 13 augustus 2025 een uitgebreide tijdslijn geschetst van de incidenten die in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 hebben plaatsgevonden. Zij heeft hierin per incident, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer] afgelegde belastende verklaringen van 25 juli 2025 en 13 augustus 2025 betrouwbaar zijn. [slachtoffer] heeft hierin consistent en consequent verklaard over de aard van de door verdachte gepleegde seksuele handelingen en geweldshandelingen en over de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Zij heeft bovendien telkens gedetailleerde beschrijvingen van de gebeurtenissen gegeven. Zo weet zij nog te herinneren welke zij kleding zij droeg tijdens de door haar omschreven verkrachtingen/geweldshandelingen op 15/16 september 2019 en 9 mei 2021. De verklaringen van [slachtoffer] vinden bovendien in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere bewijsmiddelen, zoals onderdelen van de verklaring van verdachte ter zitting, de documenten van medische afspraken, spraak- en tekstberichten, de geluidsopnames van 28 januari 2023 en de foto’s van het letsel.
Ook heeft [slachtoffer] zichzelf niet gespaard en bijvoorbeeld verklaard dat zij verdachte op 21 juni 2023 is aangevlogen. Daarnaast heeft zij open en eerlijk verklaard dat er tijdens de zwangerschap, dus na de eerste door [slachtoffer] beschreven verkrachting, nog op vrijwillige basis seks heeft plaatsgevonden. Tot slot beschrijft [slachtoffer] niet alleen wat haar fysiek is overkomen, maar ook wat haar gevoel was op die momenten, zoals de angst en het gevoel van machteloosheid die door de handelingen van verdachte zijn ontstaan. Haar verklaringen bevatten geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden die de betrouwbaarheid van haar verklaring aantasten. De door de verdediging aangehaalde ambivalentie van [slachtoffer] ten aanzien van de relatie met de verdachte is voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer] .
De rechtbank ziet in deze verklaringen geen ‘narratieve reconstructie’ van achteraf anders geïnterpreteerde gebeurtenissen, maar juist een waarheidsgetrouwe weergave van de ingewikkelde dynamiek van de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de belastende verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig zijn en zal deze verklaringen (als uitgangspunt) voor het bewijs gebruiken.
Steunbewijs Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat deze verklaring niet op zichzelf staat maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het volgende.
In dit gesprek stuurt [slachtoffer] onder andere “het is hier uit de hand gelopen en [verdachte] heeft al mn spullen (…) toen flipte hij m helemaal (…) sloeg me 3 keer in mn gezicht, 2 platte handen, vuist op mn neus en vuist in mn ribben (…) toen kneep hij mn keel weer dicht tegen de muur (…) toen pakte hij me aan mn keell en droeg hij me naar binnen (…) en toen keelde hij me zo dat ik bijna nokkie ging weet niet meer wat er gebeurde” In een whatsappgesprek van 24 januari 2023 schrijft [slachtoffer] aan een vriendin: “hij wilde vanmorgen weer seks (…) gisteravond (…) volgens mij kan hij het ook niet hebben dat ik dat niet wil (…) hij begrijpt het niet (…) zei hij m’n pik heeft zin in jouw kutje”.
3.4.1.2 Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] niet op zichzelf staan, maar in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de feitelijke handelingen, zoals deze zijn ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2, heeft gepleegd, met uitzondering van het onder feit 1 ten laste gelegde dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] . Hetgeen [slachtoffer] hierover heeft verklaard, had immers geen betrekking op de onder feit 1 ten laste gelegde verkrachtingen, zodat dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.
3.4.1.3 Overige overwegingen ten aanzien van feit 1 Voor bewezenverklaring van verkrachting onder het wetsartikel dat van toepassing was ten tijde van de verweten gedragingen, moet sprake zijn van het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zo een dwangsituatie zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
De rechtbank concludeert dat op grond van de bewijsmiddelen bewezen kan worden dat verdachte door gebruikmaking van geweld en andere feitelijkheden situaties heeft gecreëerd waarin [slachtoffer] gedwongen werd tot het ondergaan van seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelingen [slachtoffer] opzettelijk in zodanige situaties heeft gebracht dat zij zich niet tegen de seksuele handelingen kon verzetten en zij zich daaraan niet kon onttrekken.
3.4.1.4 Conclusie ten aanzien van feit 1 De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.4.1.5 Overige overwegingen ten aanzien van feit 2 De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. In de aard en uiterlijke verschijningsvorm van deze handelingen ligt reeds het voor bewezenverklaring vereiste opzet op het toebrengen van pijn of letsel besloten. De rechtbank is van oordeel dat ook kan worden bewezen dat [slachtoffer] ten tijde van de ten laste gelegde feiten de levensgezel van de verdachte was, zoals bedoeld in artikel 304 Sr. De relatie van verdachte en [slachtoffer] is in 2018 begonnen. Zij zijn gaan samenwonen in de woning van [slachtoffer] . In 2020 is hun dochter [minderjarige] geboren. Op dat moment woonden zij niet meer samen, maar verdachte verbleef in die periode wel veelvuldig bij [slachtoffer] . Op basis van de feitelijke situatie, zoals blijkt uit de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] , was naar het oordeel van de rechtbank tussen verdachte en [slachtoffer] sprake van een affectieve relatie. Ook gingen zij beiden kennelijk uit van een nauwe lotsverbondenheid en was sprake van een gemeenschappelijke huishouding van enige duur. Dat de relatie soms enige tijd werd onderbroken, doet daar naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval niet aan af.
3.4.1.6 Conclusie ten aanzien van feit 2 De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.4.2 Ten aanzien van feit 3 3.4.2.1 De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Deze feiten en omstandigheden hebben ter zitting niet ter discussie gestaan.
Op 30 juni 2023 stuurt [slachtoffer] verdachte een Whatsappbericht waarin zij de relatie met verdachte definitief beëindigt en te kennen geeft dat zij volledig afstand neemt van verdachte. In de periode hierna, vanaf 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025, wordt [slachtoffer] veelvuldig gebeld en bericht door verdachte, waarbij regelmatig sprake is van meerdere oproepen of berichten per dag, overdag en ook ‘s nachts. Daarnaast is verdachte in augustus 2023 aan de deur gegaan bij de onderbuurman van [slachtoffer] , met het verzoek om via het balkon van die buurman in de woning van [slachtoffer] te kunnen kijken. Op 10 oktober 2023 heeft verdachte [naam 2] , een kennis van [slachtoffer] , benaderd met het verzoek om contact met [slachtoffer] op te nemen. [naam 2] heeft dit bericht van verdachte doorgestuurd naar [slachtoffer] . Op 22 juli 2023 en 6 september 2023 is verdachte bij de woning van de ouders van [slachtoffer] geweest. Op laatstgenoemde datum heeft hij daarbij ook geprobeerd de garagedeur te openen om zo de woning binnen te gaan. Ook is verdachte op 12 februari 2025 bij de woning, op een geheim adres, van [slachtoffer] in [plaats 1] geweest.
3.4.2.2 De overwegingen van de rechtbank Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke handelingen zoals die aan verdachte zijn tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen zijn. Verdachte heeft deze handelingen ter terechtzitting ook bekend. De rechtbank dient vervolgens, in respons op het verweer van de raadsman, de vraag te beantwoorden of er sprake is van de vereiste stelselmatigheid en het oogmerk om [slachtoffer] te dwingen dan wel vrees aan te jagen.
Stelselmatigheid De stelling van de raadsman dat in onderhavig geval geen sprake is van de voor belaging vereiste stelselmatigheid, vindt zijn weerlegging in de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] . Verdachte heeft over een periode van twee jaren veelvuldig berichten van veelal dwingende/dreigende aard aan [slachtoffer] gestuurd en haar veelvuldig gebeld, hij is meermalen naar de woning van haar ouders en zelfs naar haar eigen geheime adres gegaan en hij heeft geprobeerd via een kennis contact met [slachtoffer] af te dwingen. Verdachte heeft duidelijk gemaakt, en ook expliciet aan [slachtoffer] laten weten, dat hij niet zou stoppen, dat hij altijd zou blijven appen en dat hij op een dag zou knappen. Met dit handelen heeft verdachte wel degelijk ‘stelselmatig’ inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] .
Oogmerk Voor een bewezenverklaring van belaging dient de dader het oogmerk te hebben gehad om het slachtoffer te dwingen iets te doen, te dulden dan wel het slachtoffer vrees aan te jagen. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat daaraan is voldaan in onderhavige zaak mede gelet op de context waarin de gedragingen van verdachte zich hebben voorgedaan. Zoals hierboven is vastgesteld, heeft verdachte gedurende een periode van langer dan twee jaren een grote hoeveelheid berichten gestuurd naar [slachtoffer] en haar veelvuldig gebeld, terwijl zij hierop nimmer heeft gereageerd en daarvoor reeds uitdrukkelijk had aangegeven volledig afstand te nemen van verdachte. Verdachte heeft aangevoerd dat volgens hem zijn handelingen enkel gericht waren op contactherstel met zijn dochter.
Dit past echter niet bij de tijdstippen waarop er meerdere malen wordt gebeld of een bericht wordt gestuurd door verdachte, meer in het bijzonder ‘s nachts. Ook de inhoud van de berichten past hier niet bij contactherstel met zijn dochter. De inhoud van een deel van de berichten die verdachte aan [slachtoffer] heeft gestuurd, heeft immers een dwingend en dreigend karakter. Zo stuurt verdachte “ik kan nu niet anders dan mijn straf accepteren maar ik kom hard terug” en “we zien elkaar wel in april en jij mag dan kiezen of het goedschiks of kwaadschiks gaat”. Ook heeft verdachte gestuurd “ik heb overal al wel m'n huiswerk gedaan”, terwijl hij zich twaalf dagen daarvoor nog op het geheime adres van [slachtoffer] had begeven.
Deze teksten en handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm bedoeld om [slachtoffer] te dwingen tot het dulden van contact en om haar vrees aan te jagen. Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang gezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte het vereiste oogmerk heeft gehad.
3.4.2.3 Conclusie De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.4.3 Ten aanzien van feit 4 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
3.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1 hij in de periode van 1 september 2019 tot en met 30 juli 2023 te Almelo, meermalen, door geweld en een andere feitelijkheid, te weten door
2 hij in de periode van 1 april 2019 tot en met 30 juli 2023 in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met kracht meermalen
3 hij in de periode van 30 juli 2023 tot en met 4 september 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
4 hij op 16 september 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd gaspistool, van het merk Blow, type TR914, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten meerdere patronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 242 (oud), 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 het misdrijf: verkrachting, meermalen gepleegd; feit 2 het misdrijf: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd; feit 3 het misdrijf: belaging; feit 4 de misdrijven: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer] gevorderd, in de vorm van een maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van vijf jaren. Daarbij dient vervangende hechtenis van twee weken te worden toegepast voor iedere keer dat niet aan die maatregel wordt voldaan. De officier van justitie heeft gevorderd te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat voortduring van de detentie van verdachte zal leiden tot het verlies van zijn werk, inkomen en woning. Indien verdachte in vrijheid wordt gesteld, kan hij direct terugkeren naar zijn werk als zelfstandig monteur aan het spoor.
6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten Verdachte heeft zijn toenmalige partner [slachtoffer] , tevens de moeder van zijn kind, gedurende een periode van meerdere jaren meermalen verkracht, mishandeld en belaagd. Het jarenlange gedrag van verdachte richting [slachtoffer] heeft zich gekenmerkt door een patroon van controle en dwang, ook wel intieme terreur genoemd, waarbij verdachte het leven van [slachtoffer] beheerste en het toepassen van (seksueel) geweld niet schuwde. Dit waren voor [slachtoffer] telkens bedreigende, vernederende en zeer beangstigende ervaringen. Het merendeel van de verkrachtingen en mishandelingen vonden plaats in het huis of zelfs in het bed van [slachtoffer] : bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten voelen.
Verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Meest in het oog springend is het feit dat verdachte [slachtoffer] eens bewusteloos heeft geslagen, haar urenlang hulpeloos heeft laten liggen en in deze uren nota bene seks met haar heeft gehad. Hiermee heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van zijn toenmalige levenspartner. Zelfs nadat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] definitief was verbroken, bleek [slachtoffer] nog altijd niet veilig omdat verdachte haar bleef lastigvallen. Vanwege de ernst van de dreiging vanuit verdachte heeft [slachtoffer] , in overleg met Veilig Thuis en de politie, zelfs haar woning moeten verlaten en moeten onderduiken.
Verdachte reageerde daarop door alles in het werk te stellen om achter het (geheime) adres van [slachtoffer] te komen en haar daar wederom op te zoeken. [slachtoffer] en haar dochter wonen nog altijd op een geheime locatie. Uit de spreekrechtverklaring van [slachtoffer] en de namens haar ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt welke enorme impact het handelen van verdachte op haar heeft gehad en nog altijd heeft. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens van of de gevolgen voor [slachtoffer] . Sterker nog: verdachte heeft ook tijdens de zitting geen verantwoordelijkheid getoond voor zijn gedrag. Hij blijft volhouden dat [slachtoffer] al jarenlang doelbewust leugenachtige verhalen creëert die haar goed uitkomen in het frustreren van de band tussen verdachte en zijn dochter en om de onderhavige strafzaak ‘rond’ te krijgen.
De medische stukken, screenshots van gesprekken en overige door [slachtoffer] overgelegde bewijsstukken waaruit het gedrag van verdachte blijkt, zijn volgens verdachte door [slachtoffer] op berekende wijze gedurende de afgelopen jaren gefabriceerd. Met deze uitlatingen toont verdachte dat hij het laakbare van zijn handelen niet inziet. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan.
Tot slot is er een geladen vuurwapen met munitie aangetroffen in de woning van verdachte. De rechtbank acht dit wapenbezit zeer zorgelijk, niet alleen voor de maatschappij als geheel, maar met name tegen de achtergrond van de dreigende en controlerende houding van verdachte richting [slachtoffer] .
De persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2022 onherroepelijk is veroordeeld wegens vuurwapenbezit. De rechtbank weegt dit mee in het nadeel van verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 december 2025, opgemaakt door reclasseringswerker [naam 3] . Hierin staat onder meer het volgende. De houding van verdachte, zijn psychosociaal functioneren en de relatie met zijn familie, worden geduid als delictgerelateerde factoren. Er is wel sprake van een stabiele leefsituatie. Verdachte heeft werk waar hij naar verwachting na zijn detentie naar kan terugkeren en beschikt over een vast inkomen waarvan hij kan rondkomen. De reclassering acht het van belang dat er diagnostisch onderzoek wordt ingezet om zicht te krijgen op het psychosociaal functioneren van verdachte en de rol hiervan ten aanzien van de delicten. Er zijn aanknopingspunten voor een zedenbehandeling en de reclassering ziet, in het geval van een bewezenverklaring van mishandeling en belaging, ook op dat gebied indicaties om verdachte aan behandeling te onderwerpen. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden diagnostiek en een aansluitende ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de gemeente Utrecht.
De op te leggen straf en/of maatregel
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
6.4 De inbeslaggenomen voorwerpen 6.4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de goederen onder voorwerpnummers 868640 en 868641, te weten een tweetal telefoons, niet voor teruggave vatbaar zijn omdat onderzoek aan deze telefoons tot op heden nog niet mogelijk is gebleken. De officier van justitie heeft verzocht geen beslissing te nemen over deze twee telefoons, nu de inhoud van deze telefoons mogelijk relevant zou kunnen zijn bij een eventuele procedure in hoger beroep. De op de beslaglijst vermelde goederen, te weten drie telefoons onder voorwerpnummers 868646, 868648 en 868649, kunnen aan verdachte worden teruggegeven.
6.4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat zes telefoons, een USB-stick, een laptop en een honkbalknuppel, die onder verdachte in beslag zijn genomen, aan verdachte dienen te worden teruggegeven. Het Openbaar Ministerie heeft reeds te kennen gegeven dat de gegevensdragers niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of voor onttrekking aan het verkeer en dat zij aan verdachte kunnen worden teruggegeven.
6.4.3 Het oordeel van de rechtbank Op de pro forma-zitting van 18 december 2025 is toegezegd door de officier van justitie dat drie telefoons (de rechtbank neemt aan: de telefoons vermeld op de beslaglijst) zullen worden teruggegeven aan verdachte. Met deze zogenoemde ‘last tot teruggave’ is het beslag op deze voorwerpen geëindigd. De feitelijke teruggave is daarin niet doorslaggevend. Immers is met de door de officier van justitie gegeven last tot teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons op grond van artikel 134, tweede lid, Sv aan dat beslag een einde gekomen, ongeacht of die telefoons feitelijk zijn teruggegeven. Dit maakt dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen over deze telefoons.
Voor het overige is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk op welke goederen er in deze zaak strafrechtelijk beslag rust, omdat het dossier hierover geen uitsluitsel biedt. De rechtbank onthoudt zich derhalve van beslissingen over andere goederen.
7De schade van benadeelde 7.1 De vordering van de benadeelde partij Benadeelde [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 92.475,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente, maar met uitzondering van de gevorderde kosten voor de toekomstige verhuizing en het gevorderde bedrag voor de inkomensschade vanaf maart 2026 tot en met april 2027. De benadeelde partij dient in laatstgenoemde posten niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze nog te onzeker zijn.
7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal afgewezen dient te worden, omdat bij een vrijspraak – zoals door de verdediging bepleit – geen grondslag bestaat voor de gevorderde schadevergoeding. De raadsman heeft aangevoerd dat – ook indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring zou komen – de vordering niet kan worden toegewezen, vanwege het ontbreken van een rechtstreeks causaal verband. Ook zijn een deel van de materiële kosten die door de benadeelde partij zijn gevorderd het gevolg van beslissingen van de benadeelde partij op basis van haar eigen veiligheidsbeleving. Dit kan niet aan verdachte worden toegerekend. Daarnaast geldt dat diverse schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd of slechts met een globale schatting zijn begroot.
7.4 Het oordeel van de rechtbank Materieel
Immaterieel Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 30.000,-- billijk is, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de lange periode waarin deze feiten zich hebben afgespeeld de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op vergoedingen die in de rechtspraak in enigszins vergelijkbare zaken zijn toegewezen. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
7.5 De schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 208 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.
9De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
Buiten staat Mr. De Mos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.