← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2026:184

RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11887449 \ CV EXPL 25-2805 Vonnis van 13 januari 2026 in de zaak van [eiser] , handelend onder de namen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , wonende in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: De Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso B.V., tegen de besloten vennootschap: FOR B.V., gevestigd in Zwolle, gedaagde partij, hierna te noemen: For, procederend in persoon. 1Waar deze zaak over gaat [eiser] en For hebben een overeenkomst gesloten inhoudende dat [eiser] tegen betaling onderzoek verricht naar de stikstofpositie van een verbouwing. [eiser] vordert betaling van zijn werkzaamheden. For voert aan dat [eiser] de overeenkomst niet is nagekomen waardoor zij niet is gehouden om te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat For haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd en wijst de vordering van [eiser] toe. 2De procedure 2.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, uitgebracht op 4 september 2025,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek. 2.
  2. For heeft daarna, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd. 2.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.
  4. [eiser] en For hebben een overeenkomst gesloten inhoudende dat [eiser] tegen betaling onderzoek verricht naar de stikstofpositie ten aanzien van een verbouwing aan de [adres]. For heeft de offerte van [eiser] op 5 juli 2024 per e-mail geaccepteerd. 3.
  5. Op 2 augustus 2024 heeft [eiser] de factuur aan For toegestuurd. In de factuur wordt betaling verzocht vóór 16 augustus
  6. For heeft niet betaald. 3.
  7. [eiser] heeft For hierna meermaals herinnerd te betalen, maar betaling bleef uit. 3.
  8. [eiser] heeft For op 11 februari 2025 per brief gewezen op de verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten. 4Het geschil 4.
  9. [eiser] vordert (samengevat) veroordeling van For tot betaling van € 580,80, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten alsmede veroordeling van For in de proceskosten. 4.
  10. For voert verweer. 4.
  11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.
  12. De kantonrechter is van oordeel dat For de factuur van € 580,80 aan [eiser] moet betalen. For heeft aangevoerd dat [eiser] zijn kant van de overeenkomst niet is nagekomen door het rapport te laat aan te leveren. Hierdoor kon het rapport volgens For niet worden meegenomen bij de vergunningaanvraag en heeft de vergunningaanvraag vertraging opgelopen. Volgens For heeft zij meermaals [eiser] gebeld om te vragen waar het rapport bleef. Daar komt bij dat in de offerte staat vermeld dat [eiser] het rapport binnen drie werkdagen aanlevert en volgens For is deze termijn niet gehaald. For heeft haar verweer, naar het oordeel van de kantonrechter, onvoldoende onderbouwd. For heeft bijvoorbeeld niet aangegeven wanneer en hoe vaak zij [eiser] heeft gebeld over de vertraging, hoe lang de vertraging precies heeft geduurd en waarom te late aanlevering van het rapport door [eiser] de oorzaak is van vertraging van de vergunningaanvraag. Voor het overige heeft For niet betwist dat [eiser] de overeenkomst is nagekomen. For is dus gehouden om haar kant van de overeenkomst, het betalen van de factuur, na te komen. 5.
  13. [eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente. De kantonrechter zal de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen, omdat [eiser] niet heeft aangegeven dat hij bedoelt de wettelijke rente van artikel 6:119a BW te vorderen. 5.
  14. [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft recht op vergoeding van deze kosten, omdat hij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom zal een bedrag van € 87,12 worden toegewezen. 5.
  15. For is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 226,00 - salaris gemachtigde € 270,00 (2 punten × € 135,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 685,85 6De beslissing De kantonrechter 6.
  16. veroordeelt For om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 580,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, 6.
  17. veroordeelt For om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 87,12 aan buitengerechtelijke kosten, 6.
  18. veroordeelt For in de proceskosten van € 685,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als For niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.
  19. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 13 januari
  20. (hg)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.