Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2026:195
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/2276 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen Grassland B.V., statutair gevestigd in Schoonhoven, eiseres, hierna: Grassland (gemachtigde: [gemachtigde 1]), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Samenvatting Deze uitspraak gaat over de toepassing van de (zesde) Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid. Grassland heeft een aanvraag op grond van deze regeling ingediend en een voorschot van € 52.872,- ontvangen. Bij de definitieve vaststelling heeft de minister bepaald dat Grassland recht heeft op een minder groot bedrag dan eerder werd aangenomen. Grassland maakt namelijk onderdeel uit van een groep en bij de bepaling van de definitieve vaststelling moet de omzet van de hele groep worden betrokken. Dit heeft tot gevolg dat Grassland € 29.740,- moet terugbetalen aan ten onrechte ontvangen voorschot. Grassland is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Grassland krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 1. Grassland heeft op 3 november 2023 een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de (zesde) Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: de NOW-6) ingediend.
1.1.
Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming voor Grassland op een bedrag van € 23.132,- vastgesteld. Omdat Grassland eerder een voorschot van € 52.872,- heeft ontvangen, moet zij € 29.740,- terugbetalen.
1.2.
Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister het bedrag van € 29.740,- ingevorderd.
1.3.
Met de beslissing op bezwaar van 17 juli 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van 28 februari 2025 en 6 maart 2025 ongegrond verklaard.
1.4.
Grassland heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] en [naam] namens Grassland. Namens de minister is de gemachtigde verschenen.
Beoordeling door de rechtbank Bevoegdheid 2. Grassland heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel. De rechtbank heeft pas in een laat stadium van de procedure onderkend dat niet zij, maar de rechtbank Den Haag bevoegd is in deze procedure. De rechtbank heeft daarom partijen gevraagd of zij instemmen met de behandeling van het beroep door de rechtbank Overijssel. Partijen hebben hiermee ingestemd. Nu partijen dat ook wensen, zal de rechtbank in deze zaak daarom uitspraak doen als ware zij bevoegd, waarbij ook artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is betrokken.
Aanleiding 3. Grassland exploiteert hotel De Grote Zwaan in De Lutte.
3.1.
Op 14 februari 2022 heeft Grassland een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6 voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (achtste aanvraagperiode).
3.2.
Op het aanvraagformulier heeft Grassland vermeld dat zij in de periode van januari tot en met maart 2022 een omzetverlies verwacht van 80%.
3.3.
Bij besluit van 17 februari 2022 heeft de minister aan Grassland een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6 voor de achtste aanvraagperiode verleend van € 66.090,-, waarvan een bedrag van € 52.872,- (80%) als voorschot is uitbetaald.
3.4.
Vervolgens heeft plaatsgevonden wat onder Procesverloop is beschreven.
Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat in de aanvraag tot vaststelling was aangegeven dat het bedrijf geen onderdeel is van een groep of concern. Op basis van openbare bronnen, zoals de Kamer van Koophandel en de ontvangen documenten, heeft de minister echter vastgesteld dat Grassland, Guidance Beheer BV, New Financials BV, TEZ Financials BV, Werklift Verhuur BV, Werklift BV en New Financials Consulting BV een groep vormen per 1 januari 2022, zoals bedoeld in artikel 24a en artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens de minister dient op grond van de NOW-6 voor de bepaling van de omzetdaling te worden uitgegaan van de omzetgegevens van de gehele groep. Omdat de vennootschappen Werklift Verhuur BV en New Financials Consulting BV geen commerciële omzet in de referentieperiode en de meetperiode hebben gegenereerd, zijn deze entiteiten buiten beschouwing gelaten. Volgens de minister heeft de wetgever bewust voor een ruime definitie van het groepsbegrip gekozen en komt Grassland niet in aanmerking voor afwijking van artikel 5, negende lid, van de NOW-6. In geval van Grassland is sprake van een groepsomzetverlies van 28%, waarmee niet voldaan wordt aan een van de voorwaarden om hierop een uitzondering te maken. Het omzetverliespercentage en de daaropvolgende subsidietoekenning voor Grassland worden daarom berekend op groepsniveau. Het is de minister niet gebleken dat de definitieve tegemoetkoming onjuist is vastgesteld.
Standpunt van Grassland 5. Grassland heeft zich op het standpunt gesteld dat de motivering in het bestreden besluit onduidelijk is. Volgens Grassland is niet gemotiveerd waarom in haar specifieke geval niet tot een afzonderlijke beoordeling van toekenning van de NOW-subsidie is gekomen. Gelet op de winst- en verliesresultaten van de groepsondernemingen is volgens Grassland duidelijk dat voor haar een afzonderlijke beoordeling moet plaatsvinden. De activiteiten van de onderdelen van de groep zijn niet met elkaar te vergelijken. Naar de mening van Grassland heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het groepsverlies als uitgangspunt genomen dient te worden. Solidariteit kun je volgens Grassland niet alleen maar toepassen op de omzet. De omzet is hier ook niet vergelijkbaar. Volgens Grassland is het doel van de NOW-regeling om iedere onderneming, die geraakt is door corona, van steun te voorzien. Naar de mening van Grassland is hier tevens sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
Het oordeel van de rechtbank 6. De voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen 19. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat Grassland geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, voorzitter, mr. A.T. de Kwaasteniet en mr. R. J. Ouderdorp, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op griffier De voorzitter is verhinderd te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving NOW-6 Artikel 5, achtste lid Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.
Artikel 5, negende lid Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het achtste lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 januari 2022 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
Artikel 6, eerste lid (Afwijking van bepalen omzetdaling op niveau concern of groep) 1. In afwijking van artikel 5, negende lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. (…); b. (…); c. (…); en d.de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 5, negende lid, bedraagt in de omzetperiode minder dan het percentage als bedoeld in artikel 14.
Artikel 14. (Voorwaarden voor subsidieverlening) De Minister kan op grond van dit hoofdstuk aan een werkgever, die gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 wordt geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022.
Boek 2 Burgerlijk Wetboek Artikel 24a, eerste lid Dochtermaatschappij van een rechtspersoon is: a. een rechtspersoon waarin de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering kunnen uitoefenen; b. een rechtspersoon waarvan de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen lid of aandeelhouder zijn en, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen kunnen benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen.
Artikel 24b Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.
ECLI:NL:CRVB:2019:2016 ECLI:NL:CRVB:2022:1282 Zie de uitspraak van 23 januari 2025 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2025:145, en Staatscourant 2020, nr. 19874, 1 april 2020.