Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2026:2276
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 25/3402 en ZWO 25/3510 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser, en de deken van de Orde van advocaten Noord-Holland (hierna: de deken), verweerder.
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig beslissen door de deken op een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. De deken heeft in een brief van 19 augustus 2025 aan [eiser] een advocaat aangewezen. De deken heeft aan deze aanwijzing een aantal voorwaarden verbonden. De rechtbank oordeelt dat deze brief moet worden aangemerkt als een besluit op het verzoek van [eiser]. Met dit besluit heeft de deken tijdig beslist op het verzoek. Daarom is dit beroep niet-ontvankelijk.
Daarnaast gaat deze uitspraak over het beroep van [eiser] tegen het besluit van 17 oktober 2025 waarbij de deken het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 19 augustus 2025 ongegrond heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat de deken het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Voor zover sprake is van een volledige toewijzing van het verzoek, had [eiser] geen belang bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen dat besluit. Voor zover sprake is van een verkapte (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek, stond daartegen geen bezwaar open maar kon daartegen alleen beklag worden gedaan hij het Hof van Discipline. Daarom is dit beroep gegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop 2. [eiser] heeft bij de deken een verzoek ingediend tot het aanwijzen van een advocaat. [eiser] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat verzoek. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/3402. De deken heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling door de rechtbank De relevante feiten en omstandigheden 5. De rechtbank stelt vast dat het volgende tussen partijen niet in geschil is.
5.1. [eiser] wil een procedure beginnen over een openstaande vordering. In dat kader heeft hij de deken verzocht om een advocaat aan te wijzen. Daarop heeft de deken aan [eiser] een advocaat aangewezen. Met een webformulier van 31 juli 2025 heeft [eiser] de deken verzocht om aanwijzing van een andere advocaat, omdat de eerste advocaat hem geen verdere bijstand verleent.
5.2.
In een brief van 19 augustus 2025 heeft de deken mr. H.J. Bos aangewezen als advocaat van [eiser]. Aan deze aanwijzing heeft de deken de volgende voorwaarden verbonden:
Mr. Bos is dominus litus. Hij heeft de leiding in de behandeling van de zaak. Hij dient vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te bepalen met welke aanpak uw belangen het beste zijn gediend. Dat wil dus zeggen dat mr. Bos bepaalt of een eventuele procedure al dan niet kansrijk is. Mocht mr. Bos van mening zijn dat een eventuele procedure niet kansrijk is, dan dient u zich bij zijn deskundige advies neer te leggen. Mocht mr. Bos een procedure wel kansrijk achten, dan bepaalt hij de inhoud van de stukken en u kunt u hem niet dwingen, daarin stellingen of vorderingen op te nemen, waar hij als advocaat niet achter staat.
U heeft aangegeven in aanmerking te komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Mr. Bos zal daarom een toevoeging voor u kunnen aanvragen. Mr. Bos hoeft zijn werkzaamheden pas te starten wanneer u een voorschot voor de eigen bijdrage en bijkomende kosten heeft voldaan. Voor het geval de toevoegingsaanvraag onverhoopt wordt afgewezen of ingetrokken, zult u met mr. Bos overeenstemming moeten bereiken over het te hanteren (uur)tarief. Mr. Bos hoeft zijn werkzaamheden in dat geval pas te starten wanneer u hierover overeenstemming heeft bereikt.
Ik wijs eenmalig een advocaat aan. Dit betekent dat u het met mr. Bos moet doen; er zal geen tweede advocaat worden aangewezen. Indien mr. Bos zich om welke reden dan ook genoodzaakt ziet zich aan uw zaak te onttrekken, zal ik geen vervangende advocaat aanwijzen.
5.3.
Hiertegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Met het besluit van 17 oktober 2025 heeft de deken het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
5.4.
Met een e-mail van 17 oktober 2025 heeft [eiser] de deken in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 31 juli 2025.
Kon [eiser] beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek?
Welke rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510?
7.1.
In de procedure met zaaknummer ZWO 25/3510 heeft [eiser] in een e-mail van 8 december 2025 verklaard dat hij niet langer een adres heeft waar hij in Nederland woonachtig is en dat hij alleen een postadres heeft. Daarom is volgens hem op grond van artikel 8:7 van de Awb de rechtbank Noord-Holland bevoegd om dit beroep te behandelen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheidsregeling van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb van toepassing is omdat de deken geen bestuursorgaan is als bedoeld in het eerste lid van die bepaling. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb is in dat geval bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Als de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
7.3.
Dit betekent dat voor het bepalen van de bevoegde rechtbank eerst moet worden gekeken of [eiser] een woonplaats in Nederland heeft en, zo ja, waar deze woonplaats is. De woonplaats van een natuurlijke persoon wordt beheerst door artikel 1:10 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). Uit artikel 1:10, eerste lid, en 1:11 van het BW volgt dat de woonplaats moet worden bepaald aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Uit artikel 1:10, eerste lid, van het BW volgt dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats heeft op de plaats waar hij feitelijk woont of – als zo’n plaats er niet is – op de plaats waar hij feitelijk verblijft. Het adres waar iemand is ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen (hierna: de BPR) kan een rol spelen bij het vaststellen van de woonplaats, maar is daarbij niet doorslaggevend.
7.4. [eiser] heeft bij het instellen van beide beroepen een adres in Deventer opgegeven. Dit adres is sinds 19 september 2019 in de BPR geregistreerd als zijn woonadres. [eiser] stelt in de procedure met zaaknummer ZWO 25/3510 dat hij niet langer een woonplaats in Nederland heeft en dat het adres in Deventer nu een postadres (“briefadres onder afdak”) is. De rechtbank heeft [eiser] zowel in een brief van 13 januari 2026 als op de zitting gevraagd of hij feitelijk buiten Nederland verblijft en, zo niet, waar in Nederland hij dan feitelijk woont of verblijft. [eiser] heeft deze vragen niet beantwoord. Hij heeft alleen gezegd dat hij niet op het adres in [woonplaats] woont en dat hij een nomadenbestaan leidt. [eiser] heeft niet aangegeven waar hij de afgelopen periode feitelijk heeft verbleven. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] niet langer een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en vindt zij het aannemelijk dat [eiser] nog steeds een woonplaats binnen het rechtsgebied van de rechtbank Overijssel heeft. Daarom is deze rechtbank bevoegd om ook het beroep met zaaknummer ZWO 25/3510 te behandelen.
Heeft de deken (tijdig) een besluit genomen op het verzoek van 31 juli 2025?
Kon [eiser] bezwaar maken tegen het besluit van 19 augustus 2025?
Heeft de deken de hoorplicht geschonden?
Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat [eiser] niet binnen de door de deken gestelde termijn heeft verklaard dat hij wilde worden gehoord. De deken heeft het voorbehoud van [eiser] zo kunnen opvatten dat deze op dat moment geen behoefte had om te worden gehoord, maar dat dit eventueel nog anders zou kunnen worden als de deken nieuwe berichten en/of stukken in het geding zou brengen. Na de e-mail van [eiser] van 6 oktober 2025 heeft de deken geen nieuwe berichten en/of stukken in het geding gebracht, maar heeft hij meteen een besluit op het bezwaar genomen. Daarom heeft de deken op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kunnen afzien van het horen van [eiser]. Verder merkt de rechtbank op dat het bezwaar, gelet op wat onder 12 is overwogen, kennelijk niet-ontvankelijk was.
Daarom had de deken ook kunnen afzien van het horen van [eiser] op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen 13. Het beroep met zaaknummer ZWO 25/3402 is niet-ontvankelijk. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van de door hem in deze zaak gemaakte proceskosten.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Grondwet artikel 134, eerste lid Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.
Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 1:1, eerste lid Onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of […]. artikel 1:3 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. […] 3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. […]. artikel 4:13 1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2 De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan. artikel 6:12 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit […] is het niet aan een termijn gebonden.
2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. artikel 7:3 Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, […] d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, […]. artikel 8:7 1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente of een waterschap dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan, een bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
2 Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. […].
Eerste boek van het Burgerlijk Wetboek (BW) artikel 10, eerste lid De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. artikel 11, tweede lid Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van burgemeester en wethouders heeft kennis gegeven.
Advocatenwet artikel 10a, eerste lid In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep: a. onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt […]; b. partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt; […]; d. integer en onthoudt hij zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; en […]. artikel 13 1. De rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, kan zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. […] 3 Binnen zes weken na de bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, kan de belanghebbende beklag doen bij het hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
4 De aangewezen advocaat is verplicht zijn diensten te verlenen. [...]. artikel 17 1. De gezamenlijke advocaten, die in Nederland zijn ingeschreven, vormen de Nederlandse orde van advocaten. Zij is gevestigd te 's-Gravenhage. Zij is een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet.
2 De gezamenlijke advocaten die kantoor houden in een zelfde arrondissement, vormen de orde van advocaten in het arrondissement.
3 De Nederlandse orde van advocaten en de orden zijn rechtspersonen. artikel 22 1 De orde in het arrondissement wordt bestuurd door een raad die bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden, onder wie de deken. Het aantal leden van de raad wordt nader bepaald in het huishoudelijk reglement van de orde. […].
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP4644, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 2.5.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2853, r.o. 5.
Zie de uitspraak van deze rechtbank 13 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:713.
Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6570.
Deze beslistermijn volgt uit artikel 4:13, eerste en tweede lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2849, r.o. 4.
Zie in dit kader de uitspraken van het Hof van Discipline ’s-Hertogenbosch van 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87, r.o. 4.4, en het Hof van Discipline ’s-Gravenhage van 21 november 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:161.