Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2026:2503
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/25 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en de directeur van GBTwente, de heffingsambtenaar.
Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende gericht tegen een naheffingsaanslag parkeerbelastingen. Deze naheffingsaanslag is op 8 oktober 2024 aan belanghebbende opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 29 januari 2025 tevens een dwangbevel opgelegd ter hoogte van € 142,45 (bestaande uit kosten van de naheffingsaanslag, aanmaningskosten en € 53,- kosten dwangbevel) met als uiterste betaaltermijn 31 januari 2025.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het dwangbevel. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden met het verzoek om het beroep als een bezwaarschrift te behandelen. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij besluit van 12 februari 2025 ongegrond verklaard en het dwangbevel gehandhaafd, omdat belanghebbende niet om uitstel van betaling had verzocht. Het beroep van belanghebbende heeft op grond van artikel 4:125 van de Awb mede betrekking op de uitspraak op bezwaar ten aanzien van het dwangbevel.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende uitstel van betaling van de naheffing verleend voor de duur van de beroepsprocedure.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 ter zitting behandeld.
Belanghebbende is niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam] .
Feiten 1. Op 8 oktober 2024 om 12:07 uur stond een grijze Ford Transit met kenteken [kenteken] (de dienstauto van belanghebbende) geparkeerd op een openbare parkeerplaats aan de Van Galenstraat te Enschede, naast het politiebureau. Tijdens een controle bleek dat het voertuig niet was aangemeld voor een geldig parkeerrecht.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende vanwege het uitblijven van betaling op 29 januari 2025 tevens aanvullend een dwangbevel opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank Standpunten.
Toen hij vanaf de Parkweg en De Ruyterlaan de Van Galenstraat inreed stond nergens dat hij een ‘betaald parkeerzone’ inreed. Hij hoefde dat ook niet te verwachten op de betreffende parkeerplaats, gelegen direct naast en kennelijk behorend bij het politiebureau dat hij in het kader van een dienstreis aandeed. Het was nog vroeg in de ochtend en donker en ter plaatse was weinig verlichting. Aan het einde van de Van Galenstraat staat een parkeerzuil maar die was toen niet (goed) zichtbaar.
Kenbaarheidsvereiste en onderzoeksplicht 5. De rechtbank overweegt als volgt. Over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het parkeren van een auto mag redelijkerwijs geen misverstand bestaan.
Tegenover het kenbaarheidsvereiste staat dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot de verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren en de wijze waarop hij daaraan vervolgens moet voldoen (onderzoeksplicht).
Wat daar ook van zij, voor het inrijden van de zone waarin de parkeerbelastingplicht geldt, staan onbetwist kennisgevingsborden (singelborden) over betaald parkeren.
Beroep op ontheffing op grond van het RVV 10. Belanghebbende voert aan dat hij op de bewuste dag in functie was en dat daarom een ontheffing van de parkeerbelastingplicht gold op grond van het RVV 1990. Hij reed in zijn dienstauto en reistijd valt onder werktijd. Het beroep op een ontheffing is volgens belanghebbende te meer gerechtvaardigd nu de parkeerplaats bij het politiebureau vol was.
De mogelijkheid om ontheffing te verlenen van een aantal verkeersregels en verkeerstekens is geregeld in artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV). Een ontheffing kan bijvoorbeeld worden verleend bij de uitvoering van bepaalde werkzaamheden, dienstverlening of evenementen. Een ontheffing op grond van artikel 87 RVV moet vooraf zijn verleend. De bevoegdheid om ontheffing van de parkeerbelasting-plicht binnen een gemeente te verlenen komt toe aan Burgemeester en Wethouders van de betreffende gemeente.
De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd.
Criminal charge en strijd met artikel 6 EVRM?
Op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen, voor zover dit niet voortvloeit uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid. Op grond van het tweede lid mogen de voor belanghebbende(n) nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Schending van de redelijke termijn?
Conclusie en gevolgen 21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van gerechtshof Amsterdam op 23 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:363.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:1995:AA3126, BNB 1996/27 en bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2020:1014, BNB 202/154.
ECLI:NL:GHARL:2020:10028.
Zie artikel 149, eerste lid, sub d, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Zie bijvoorbeeld de Hoge Raad van 18 oktober 1995, 30.208, V-N 1995/3916, 39 Zie het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden van 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:677, r.o. 4.8 en 4.9.
Zie bijv. rechtbank Oost-Brabant 8 december 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:5711).
Prejudiciële beslissing Hoge Raad, 25 okt. 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.