RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer / rekestnummer: C/08/337246 / HA RK 25-56 Beschikking van 20 januari 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , verschenen in persoon, tegen de stichting STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN, gevestigd in Zeist, verwerende partij, hierna te noemen: het Pensioenfonds, advocaten: mrs. E. Lutjens en R.E. van Schaik. 1Samenvatting 1.
- In deze zaak verzoekt [verzoekster] om het pensioenfonds op basis van het inzagerecht uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) te verplichten om haar persoonsgegevens en de berekening van haar pensioen toe te sturen. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] niet ontvankelijk is in haar verzoeken. Ook wanneer de rechtbank wel aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken zou toekomen, zouden de verzoeken worden afgewezen. In deze beschikking legt de rechtbank deze beslissingen uit. 2De procedure 2.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen van [verzoekster] , ontvangen op 8 augustus 2025; - het verweerschrift van het pensioenfonds; - de aanvullende bijlage van het pensioenfonds; - de pleitnota, inclusief aanvulling van het verzoekschrift van [verzoekster] ; - de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waar van de zijde van het pensioenfonds een pleitnota is overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 2.
- Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een beschikking zal volgen. 3Waar deze zaak over gaat 3.
- Sinds 1 juli 2023 is de nieuwe Pensioenwet van kracht. Alle pensioenuitvoerders moeten de komende jaren overstappen op het nieuwe pensioenstelsel en uitvoering geven aan een gewijzigde pensioenregeling (de transitie). Eén van de verplichte wijzigingen die uit de nieuwe wet voortvloeit is dat een pensioenregeling alleen nog het karakter van een premieovereenkomst mag hebben. Daarom moet een collectieve waardeoverdracht plaatsvinden. Bestaande pensioenrechten worden op die manier naar de nieuwe regeling overgezet. Dat wordt ‘invaren’ genoemd. 3.
- [verzoekster] is pensioengerechtigde bij het pensioenfonds. Zij heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. 3.
- Op 18 juni 2025 heeft [verzoekster] aan het pensioenfonds gemaild: “Ik heb pensioen opgebouwd bij uw fonds. De media, waaronder cultuurondervuur.nl, berichten nu dat de uiteindelijke uitkering soms drastisch lager is dan het Uniform Pensioenoverzicht doet voorkomen. Daarom wil ik u bij dezen vragen om een rechtsgeldig pensioenoverzicht, inclusief berekeningen en toelichting, zodat ik dit kan vergelijken met de informatie in mijn UPO. Dit recht kent de Pensioenwet mij toe, wat is bevestigd door de bevoegde minister. (Antwoord 15 van Kamervragen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 2168, dd. 5 april 2019)” 3.
- Op 27 juni 2025 heeft het pensioenfonds het verzoek van [verzoekster] afgewezen. 3.
- Op 9 juli 2025 heeft [verzoekster] het pensioenfonds nogmaals verzocht om haar verzoek toe te wijzen. 3.
- Op 24 juli 2025 heeft het pensioenfonds het verzoek opnieuw afgewezen. 4Het geschil 4.
- In deze verzoekschriftprocedure heeft [verzoekster] de rechtbank – na aanvulling van haar verzoek – verzocht om: - het pensioenfonds op basis van het inzagerecht te verplichten om [verzoekster] haar persoonsgegevens toe te sturen; - het pensioenfonds de berekeningen te laten opsturen die, uitgaande van haar persoonsgegevens, zijn gedaan om haar pensioenrecht te kunnen vaststellen; - het pensioenfonds te verplichten de juistheid van die gegevens te bevestigen; - een dwangsom op te leggen bij niet-nakoming; - het pensioenfonds te veroordelen in de proceskosten. 4.
- [verzoekster] heeft haar verzoek als volgt onderbouwd. In verband met de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel wil zij haar gegevens kunnen controleren. Dat is waar artikel 15 van de AVG volgens haar voor is bedoeld. Daarnaast heeft [verzoekster] bij haar verzoek om berekeningen verwezen naar de Pensioenwet en een antwoord van (voormalig) minister Koolmees op een vraag van de Tweede Kamer over de uitvoering van de Pensioenwet. 4.
- Het pensioenfonds heeft verweer gevoerd en verzocht om [verzoekster] niet ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 5De beoordeling 5.
- Bij de beoordeling van dit verzoek zijn de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) van belang. De AVG heeft onder andere als doel om natuurlijke personen te beschermen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Op grond hiervan heeft een betrokkene het recht om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld in te zien en om dat recht tot inzage eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. De UAVG geeft nader invulling aan de uitvoering van de AVG, onder andere door te bepalen hoe een verzoek om inzage kan plaatsvinden. Ontvankelijkheid 5.
- Volgens het pensioenfonds is [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoeken. [verzoekster] beroept zich in deze procedure op de AVG, terwijl zij voorafgaand aan het indienen van dit verzoekschrift geen verzoek als bedoeld in artikel 15 jo. artikel 35 van de UAVG bij het pensioenfonds heeft gedaan, aldus het pensioenfonds. 5.
- De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15 lid 1 van de AVG kan een betrokkene een instantie of organisatie verzoeken om inzage te verkrijgen in de persoonsgegevens die worden verwerkt. Op grond van artikel 35 lid 1 en 2 UAVG kan de betrokkene, in geval van afwijzing van zo’n verzoek, binnen zes weken de rechtbank verzoeken om het inzageverzoek te beoordelen. [verzoekster] heeft haar verzoek gebaseerd op het inzagerecht van de AVG. Beoordeeld moet worden of [verzoekster] ontvankelijk is in dat verzoek. De vraag is of zij het verzoek dat zij nu heeft ingediend, eerst bij het pensioenfonds heeft ingediend en na de afwijzing binnen zes weken bij de rechtbank heeft ingediend. 5.
- [verzoekster] heeft het pensioenfonds in haar e-mail van 18 juni 2025 gevraagd om een rechtsgeldig pensioenoverzicht, inclusief berekeningen en toelichting. Het pensioenfonds heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) en met een uitleg over de werkwijze van het pensioenfonds bij het bepalen van de pensioenaanspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoekster] daarmee niet ontvankelijk in deze AVG-procedure. [verzoekster] heeft voorafgaand aan deze procedure met haar e-mail van 18 juni 2025 geen verzoek gedaan om persoonsgegevens of inzage daarin, zoals bedoeld in de AVG en de UAVG en dus ook niet gevraagd om een beslissing daarover. Bij gebreke daarvan kan gelet op artikel 35 lid 1 UAVG geen inzageverzoek worden ingediend bij de rechtbank. Een gegevensverwerker (het pensioenfonds) moet eerst voorafgaand aan de procedure een beslissing (kunnen) nemen. [verzoekster] is dan ook niet ontvankelijk in haar verzoek om inzage in haar persoonsgegevens en berekeningen. De verzoeken van [verzoekster] 5.
- Volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat het verzoek van [verzoekster] ook bij een inhoudelijke beoordeling zou worden afgewezen. Zoals het pensioenfonds ter zitting heeft toegelicht, zijn de persoonsgegevens die voor de pensioenberekeningen worden gebruikt al zichtbaar in de digitale omgeving van het pensioenfonds en in het UPO dat jaarlijks wordt verstrekt. Die gegevens worden aan [verzoekster] als pensioengerechtigde verstrekt zodat zij die gegevens kan controleren. [verzoekster] heeft erkend dat zij bij die gegevens kan en dat die gegevens kloppen. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] persoonsgegevens mist of niet kan controleren. Het gaat [verzoekster] feitelijk om inzage in de berekeningen. Dit verzoek om inzage in de persoonsgegevens zou daarom ook bij inhoudelijke beoordeling worden afgewezen. 5.
- Ook het verzoek om inzage in de berekeningen zou bij een inhoudelijke beoordeling in deze AVG-procedure worden afgewezen. De berekening zelf is geen persoonsgegeven en valt dus niet onder artikel 15 van de AVG. De berekening is een rekenproces, waarbij input zoals de gegevens van [verzoekster] en de toepassing van een rekenkundige formule leiden tot een bepaalde output, de pensioenaanspraak. De methodiek van de berekening wordt weliswaar gevoed met (persoons)gegevens van de pensioengerechtigde, maar is als zodanig geen persoonsgegeven. In de berekening kan op grond van de AVG dan ook geen inzage worden verzocht. De persoonsgegevens die het pensioenfonds bij de berekening betrekt en de uitkomst van de berekening (de pensioenaanspraak) zijn wel persoonsgegevens. Ten aanzien van die persoonsgegevens staat echter als onweersproken vast dat [verzoekster] daar al inzicht in heeft via het UPO en de digitale omgeving. Het pensioenfonds heeft toegelicht dat zij daarmee aan de op haar rustende informatieverplichtingen met betrekking tot de berekeningen heeft voldaan en dat [verzoekster] met die informatie over voldoende gegevens beschikt om de uitkomsten van de berekening desgewenst zelf te laten toetsen door een deskundige. 5.
- Hiervoor is het verzoek van [verzoekster] beoordeeld op grond van de AVG zoals zij oorspronkelijk heeft ingediend. Kort voor de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] een uitgebreide pleitnota ingediend waarin zij de grondslag van haar verzoek heeft aangevuld. [verzoekster] betoogt daarin dat zij op grond van de Pensioenwet inzage wil in de onderliggende berekeningen van haar pensioen. [verzoekster] heeft daarbij, naast de AVG, verwezen naar ‘verplichtingen uit de Pensioenwet’ en antwoorden van de minister over de uitvoering van de ‘nieuwe’ Pensioenwet. Het pensioenfonds heeft hier inhoudelijk verweer tegen gevoerd met de uitleg dat aan de informatieverplichtingen uit de Pensioenwet is voldaan. Het pensioenfonds heeft daarnaast betoogd dat eventuele vorderingen op grond van de Pensioenwet thuishoren in een dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter. [verzoekster] moet volgens het pensioenfonds daarom ook niet ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken op grond van de Pensioenwet. Dit verweer roept de vraag op of deze procedure zou moeten worden omgezet en verwezen naar de dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter (artikel 69 jo 71 Rv). Daarvoor bestaat echter onvoldoende grond. [verzoekster] heeft de procedure namelijk terecht met een verzoekschrift bij de rechtbank ingesteld vanwege de aard van het oorspronkelijke AVG-verzoek. Onvoldoende duidelijk is of [verzoekster] door middel van haar pleitnota daarnaast (ook) een vordering op basis van de Pensioenwet heeft willen indienen en of zij de bedoeling heeft deze procedure op die manier voort te zetten bij de kantonrechter (dat was tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd nog onzeker). Zij heeft daar in ieder geval niet om gevraagd. Er zijn dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de zaak ten onrechte met een verzoekschrift in plaats van met een dagvaarding is ingeleid en er is onvoldoende feitelijke grond om ambtshalve te verwijzen naar de dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter. [verzoekster] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken. De proceskosten 5.
- [verzoekster] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld. Dat betekent dat zij de proceskosten van het pensioenfonds moet betalen. Deze worden begroot op: griffierecht € 714,00 salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten (verweerschrift en zitting) x tarief 614,00) nakosten € 178,00 (plus eventuele kosten van betekening) totaal € 2.120,00 6De beslissing De rechtbank 6.
- verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoeken; 6.
- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van het pensioenfonds, begroot op € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 aan salaris advocaat en de kosten van betekening van deze beschikking als [verzoekster] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend; 6.
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.(SB)