Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2026:3070
RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 12188162 \ CV EXPL 26-1336 Vonnis in kort geding van 3 juni 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. A. Lansons, tegen [gedaagde] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], niet verschenen.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
2De beoordeling 2.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is nu het gaat om een vordering tot (gedeeltelijke) betaling van achterstallig loon.
2.2.
De vordering wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De buitengerechtelijke kosten, ten aanzien waarvan [eiser] zich ter zitting voor wat betreft de omvang heeft gerefeerd aan het oordeel van de kantonrechter, worden overeenkomstig de aanbevelingen van het “Rapport BGK-integraal” en de daarin opgenomen staffel toegewezen tot het bedrag van € 601,20 2.3. [gedaagde] moet de proceskosten betalen omdat zij ongelijk heeft. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 156,75 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde. Het gevorderde bedrag van € 132,- aan nakosten zal ook worden toegewezen. Dat is in totaal € 1.130,75. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
2.4.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).
3De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 4.761,99 bruto ter zake van het achterstallige loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 17 oktober 2025;
3.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 over het onder 3.1 toegewezen bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der volledige betaling;
3.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de onder 3.1 en 3.2 toegewezen bedragen vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;
3.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten van € 601,20;
3.5. veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken de deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties over de maanden maart 2025 tot en met oktober 2025 en de toekomstige salarisspecificaties conform artikel 7:626 BW, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat [gedaagde] ter zake van de verstrekking van die specificaties in gebreke zal blijven, met een maximum van € 4.761,99;
3.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.130,75, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Artikel 254 lid 1 Rv.
Artikel 139 Rv.
Artikel 237 Rv.
Artikel 233 Rv.