Rechtbank Overijssel – ECLI:NL:RBOVE:2026:3072
RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer / rekestnummer: 12172837 \ EJ VERZ 26-110 Beschikking van 3 juni 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats 1], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker], gemachtigde: mr. K. van Polen, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats 2], verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder], gemachtigde: mr. J.L. Kale, 1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten 2.1.
Omstreeks de jaren ’90 is tussen [verzoeker] en de grootvader van [verweerder] een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [verzoeker] een deel van het door [verweerder] van de gemeente gehuurde terrein aan de [adres] (hierna te noemen: het perceel) mocht gebruiken. [verzoeker] heeft daar sindsdien zijn autogarage gevestigd en richt zich op de reparatie van personenauto’s en het (laten) uitvoeren van Apk-keuringen.
2.2.
Met ingang van 1 oktober 2024 heeft [verweerder] de huurovereenkomst tussen zijn grootvader en de gemeente Kampen overgenomen.
2.3.
In mei 2025 zijn [verweerder] en [verzoeker] mondeling overeengekomen dat [verzoeker] 465 m2 van het perceel mag gebruiken tegen een bedrag van € 147,32 exclusief btw (€ 178,26 inclusief btw). Ook zijn partijen mondeling overeengekomen dat de stroomkosten van € 800,00 inclusief btw bij helfte zullen worden verdeeld en dat [verzoeker] daarvoor maandelijks een bedrag van € 330,58 exclusief btw (€ 400,00 inclusief btw) zou betalen. In totaal diende [verzoeker] maandelijks € 578,26 aan [verweerder] te betalen.
2.4. [verzoeker] heeft de vergoedingen van de maand mei 2025 en vanaf november 2025 niet betaald. De vergoeding van de maanden september en oktober 2025 heeft hij gedeeltelijk betaald.
2.5.
Op 21 januari 2026 heeft [verweerder] een aangetekende brief aan [verzoeker] gestuurd met de volgende tekst:“(…). Daarom laat ik u weten dat ik het gebruik van het terrein en alle bijbehorende voorzieningen beëindig per 1 april. (…).”
2.6. [verzoeker] heeft bij kort geding dagvaarding van 17 april 2026 gevorderd dat het [verweerder] - kort gezegd - wordt verboden om het perceel te ontruimen. Bij vonnis van 3 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [verzoeker] in conventie afgewezen en de vordering in reconventie van [verweerder] tot ontruiming van het perceel toegewezen (zaaknummer 12172154 \ CV EXPL 26-1118).
3Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter op grond van artikel 7:230a BW:
Primair
Subsidiair de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatvinden te verlengen met één jaar (12 maanden) vanaf de einddatum van de huurovereenkomst, althans in goede justitie te bepalen andere termijn; te bepalen dat gedurende deze termijn de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst van kracht blijven;
Zowel primair als subsidiair
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat het door hem gehuurde perceel kwalificeert als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, omdat hij daar een autogaragebedrijf uitoefent. Als en voor zover de kantonrechter tot het oordeel komt dat er geen sprake is van een 290-bedrijfsruimte, dan kwalificeert de tussen partijen gesloten overeenkomst als een 230a-bedrijfsruimte. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om daarbij de in het kort geding aangevoerde stellingen als herhaald en ingelast te beschouwen.
3.3. [verzoeker] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. De overeenkomst tussen partijen kwalificeert niet als een huurovereenkomst (ex artikel 7:290 BW of 7:230a BW), maar als ingebruikgeving van een onroerende zaak. De overeenkomst is daarom terecht door [verweerder] opgezegd.
4De beoordeling Kwalificatie van de overeenkomst (het primaire verzoek) 4.1. [verzoeker] verzoekt primair dat de kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een huurovereenkomst ex artikel 7:290 BW. De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 3 juni 2026 geoordeeld dat er geen sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. De primaire vordering van [verweerder] zal daarom worden afgewezen.
Het subsidiaire verzoek 4.2.
Subsidiair verzoekt [verzoeker] - kort gezegd - om verlenging van de ontruimingstermijn. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
4.3.
Indien de huur van een bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW eindigt, dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. Het verzoek wordt slechts toegewezen indien de belangen van de huurder, door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder. Het verzoek wordt niettemin afgewezen, indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van hem wegens onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens ernstige overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of wegens wanbetaling niet gevergd kan worden dat de huurder langer het recht op het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan behoudt.
4.4.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 juni 2026 de belangen van partijen afgewogen en is daarbij tot het oordeel gekomen dat het belang van [verzoeker] om langer gebruik te mogen maken van het perceel niet zo zwaar weegt dat het belang van [verweerder] om de overeenkomst op te zeggen en het perceel weer tot zijn beschikking te hebben daarvoor moet wijken. Niet is gebleken dat door ontruiming de belangen [verzoeker] ernstiger worden geschaad, dan die van [verweerder] bij voortzetting van het gebruik door [verzoeker]. Het subsidiaire verzoek van [verzoeker] zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten 4.5.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 432,00 (€ 288,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst het verzoek af, 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
EA