← Nederland

ECLI:NL:RBOVE:2026:330

RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 71.253617.22 (P) Datum vonnis: 27 januari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte door het Openbaar Ministerie gedagvaard als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats] (Eritrea), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, nu verblijvende in de P.I. [locatie 1] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 november 2025, 4 november 2025, 5 november 2025, 17 november 2025, 19 november 2025, 24 november 2025, 26 november 2025 en 27 januari 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna in enkelvoud aangeduid als de officier van justitie) en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. J. L . L 'Homme en mr. S. Plas, advocaten in Amsterdam, (hierna aangeduid als de verdediging) naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door of namens [getuige 1] , hierna ook te noemen: ‘ [getuige 1] ’ (met getuigennummer [nummer 1] ), [getuige 2] , hierna ook te noemen: ‘ [getuige 2] ’ (met getuigennummer [nummer 2] ), [getuige 3] , hierna ook te noemen: ‘ [getuige 3] ’ (met getuigennummer [nummer 3] ) en [getuige 4] , hierna ook te noemen: ‘ [getuige 4] ’ (met getuigennummer [nummer 4] ) voorgedragen “slachtofferverklaringen” en van wat namens hen door mr. A . Vossenberg en mr. B . van Straaten, advocaten in Amsterdam, is aangevoerd in het kader van de door hen ingediende vorderingen benadeelde partij. 2De tenlastelegging De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 13 november 2023 en na wijzigingen van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv van 30 november 2023, 15 april 2025 en 22 september 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2015 tot 9 maart 2022 heeft schuldig gemaakt aan: feit 1: deelname aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van mensensmokkel, gijzeling, afpersing, geweldsdelicten, seksuele geweldsdelicten, witwassen en hawala (ondergronds) bankieren, van welke organisatie hij de leider en/of de oprichter en/of bestuurder was; feit 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10, telkens: medeplegen van mensensmokkel, terwijl door dit feit levensgevaar te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt; feit 4 en 6, telkens: medeplegen van afpersing; feit 11: medeplegen van (schuld)witwassen. De volledige tekst van de versie van de tenlastelegging zoals die bij aanvang van de terechtzitting luidde is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. De voorvragen 3.1 De preliminaire verweren van de verdediging De verdediging heeft – conform haar op schrift gestelde en overgelegde pleitnota – op de terechtzitting van 3 november 2025 een viertal preliminaire verweren gevoerd. De rechtbank heeft daarop ter terechtzitting van 3 november 2025 beslist. De verdediging heeft – conform haar op schrift gestelde en overgelegde pleitnota – op de terechtzitting van 24 november 2025 deze verweren herhaald en op onderdelen aangevuld. Kort weergegeven omvatten deze verweren het volgende. 1. Partiële nietigheid van de dagvaarding voor de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 De dagvaarding moet partieel nietig worden verklaard voor de onderdelen ‘(in elk geval)’ en ‘en/of althans een of meer (andere) onbekend gebleven personen’, omdat voor de verdediging onvoldoende duidelijk is waartegen zij zich met betrekking tot deze onderdelen moet verweren. De dagvaarding moet partieel nietig worden verklaard voor het onderdeel ‘uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in (lid 2)’, omdat dit onderdeel op geen enkele wijze nader wordt geconcretiseerd in de verweten feitelijke gedragingen en daarnaast uit het dossier niet kan worden afgeleid wat hiermee wordt bedoeld. De dagvaarding moet partieel nietig worden verklaard voor de zinsnede ‘althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen’, omdat onduidelijk is welke specifieke handelingen verdachte worden verweten. 2. Geen rechtsmacht voor de ten laste gelegde feiten De Nederlandse strafrechter heeft voor de ten laste gelegde feiten geen rechtsmacht, omdat de feiten niet in Nederland zijn begaan en daarnaast geen andere grond voor rechtsmacht voortvloeit uit wetgeving en jurisprudentie. Het Openbaar Ministerie dient wegens het ontbreken van rechtsmacht niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. In de preliminaire fase heeft de verdediging haar conclusie tot niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van rechtsmacht beperkt tot de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10. Bij pleidooi heeft de verdediging zich aanvullend op het standpunt gesteld dat er evenmin rechtsmacht is voor de feiten 1, 4 en 6, omdat uit de behandeling van de feiten onvoldoende is gebleken dat deze feiten mede in Nederland zijn gepleegd. 3. Schending van het ne bis in idem-beginsel voor de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 Verdachte is op 14 juni 2021 bij Ethiopisch vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren en een geldboete van 200.000,00 Birr voor meerdere mensensmokkelfeiten in dezelfde periode als in de onderhavige zaak zijn ten laste gelegd. De vervolging van verdachte voor de feiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 is daarom in strijd met het ne bis in idem-beginsel, zoals neergelegd in artikel 68 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in combinatie met Europese wetgeving en jurisprudentie, waardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van deze feiten. 4. Schending van het specialiteitsbeginsel ten aanzien van feit 11, witwassen Het Openbaar Ministerie heeft in haar uitleveringsverzoek van verdachte aan Ethiopië niet expliciet verzocht om uitlevering voor witwassen, waardoor ten aanzien van feit 11 het specialiteitsbeginsel is geschonden en het Openbaar Ministerie volgens de verdediging niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor dit feit en de daarmee samenhangende onderdelen van feit 1. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op de terechtzitting van 3 november 2025 – conform een op schrift gestelde en overgelegde reactie – op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel, dat de dagvaarding in zijn geheel geldig is, dat de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van alle in deze zaak ten laste gelegde feiten en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Ten aanzien van de gestelde schending het specialiteitsbeginsel heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat alsnog verzocht kan worden om aanvullende toestemming voor vervolging ten aanzien van het witwassen, en dat de rechtbank bij een veroordeling er ook voor kan kiezen om artikel 9a Sr toe te passen als consequentie, indien en voor zover de rechtbank een zodanige schending aanwezig acht. Ten aanzien van de rechtsmacht heeft het Openbaar Ministerie zich in de preliminaire fase op het standpunt gesteld dat een beslissing over de rechtsmacht in dat stadium niet mogelijk was, omdat onderzoek naar de ten laste gelegde feiten nodig is om te kunnen beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het Openbaar Ministerie heeft op de terechtzitting van 19 november 2025 – conform een op schrift gesteld en overgelegd requisitoir – met betrekking tot de rechtsmacht aangevoerd dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 Sr, omdat alle feiten deels in Nederland zijn begaan. Het Openbaar Ministerie heeft op de terechtzitting van 26 november 2025 – conform een op schrift gesteld en overgelegde conclusie van repliek – ten aanzien van de rechtsmacht aangevoerd te persisteren bij het eerder geformuleerde standpunt en dat indien de rechtbank van oordeel is dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 Sr, er alsnog rechtsmacht bestaat op grond van artikel 8c Sr. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1. Partiële nietigheid van de dagvaarding voor de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 De rechtbank heeft – na beraad in raadkamer – op de terechtzitting van 3 november 2025 de volgende beslissing op de preliminaire verweren genomen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 261 Sv de dagvaarding een opgave moet behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en op welke plaats het begaan zou zijn, als ook met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdediging zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdediging mag er – tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek – redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen verdachte worden verweten. Ook moet het voor de rechtbank duidelijk en begrijpelijk zijn wat zij concreet, ten aanzien van ieder van de verdachten afzonderlijk, te onderzoeken heeft. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging slaagt ten aanzien van de onderdelen ‘(in elk geval)’ en ‘en/of althans een of meer (andere) onbekend gebleven personen’, omdat deze onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en gespecificeerd zijn tegen de achtergrond van het omvangrijke dossier en de vele namen die in het dossier naar voren komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze onderdelen van de dagvaarding niet voldoen aan de eisen van artikel 261 Sv en verklaart deze onderdelen voor de feiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 in zoverre partieel nietig. De rechtbank verwerpt het verweer ten aanzien van de onderdelen ‘uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in (lid 2)’ en ‘althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen’. De rechtbank overweegt daartoe dat de dagvaarding ten aanzien van die onderdelen er, tegen de achtergrond van het strafdossier waarin er specifieke gedragingen van verdachte inzake het organiseren van de reis en het vervoer van de migranten zijn beschreven, niet onduidelijk en/of onbegrijpelijk is en voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. Voor de verdediging is voldoende duidelijk waartegen zij zich tijdens het inhoudelijke debat dient te verweren. 3.3.2. De rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter 3.3.2.1. De beoordeling van het preliminaire verweer De rechtbank heeft – na beraad in raadkamer – op de terechtzitting van 3 november 2025 het volgende meegedeeld ten aanzien van dit preliminaire verweer. De rechtbank overweegt dat de verdenking ziet op strafbare feiten die zich zouden hebben afgespeeld in Libië (onder meer in [plaats 1] ) jegens niet-Nederlandse personen, gepleegd door een niet-Nederlandse verdachte. De rechtbank overweegt dat er in het dossier aanknopingspunten zijn met Nederland en voorts dat de tenlastelegging luidt dat de mensensmokkelfeiten onder meer in Nederland zijn gepleegd. Zo lijkt het er op dat de meeste migranten die genoemd zijn in de tenlastelegging, na de overtocht van Libië naar Italië, uiteindelijk in Nederland zijn gearriveerd. De vraag of de mensensmokkelfeiten (mede) in Nederland zijn gepleegd en in het verlengde daarvan de vraag of de opzet van verdachte en/of zijn medeverdachten gericht was op Nederland als bestemming van de migranten, zijn vragen die pas beantwoord kunnen worden nadat alle feiten op een openbare behandeling zijn voorgehouden en besproken én nadat het Openbaar Ministerie en de verdediging daarover het debat hebben gevoerd. Pas daarna kan de rechtbank zich een oordeel vormen over de pleegplaats(

  1. en)en daarmee mogelijk over de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter over deze ten laste gelegde feiten. De rechtbank is tegen die achtergrond van oordeel dat dit preliminaire verweer ontijdig is en dat zij op dit moment geen definitief oordeel kan geven. De rechtbank zal, na de inhoudelijke behandeling van de zaak, bij eindvonnis beoordelen of en in hoeverre zij rechtsmacht heeft voor de feiten. 3.3.2.2. De beoordeling van het bij pleidooi herhaalde en aangevulde rechtsmachtsverweer De rechtbank is naar aanleiding van hetgeen behandeld is op de openbare terechtzittingen tot het volgende eindoordeel gekomen met betrekking tot de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft voor de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal per individueel feit, en per individuele migrant, beoordelen of zij rechtsmacht heeft. In de artikelen 2 tot en met 8c Sr zijn de verschillende grondslagen vastgelegd op basis waarvan de Nederlandse strafrechter rechtsmacht kan hebben. De rechtbank stelt vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode niet de Nederlandse nationaliteit bezat, of in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats had. Nadien heeft hij evenmin de Nederlandse nationaliteit gekregen of in Nederland een vaste woon- of verblijfsplaats gehad. Zijn verblijf in voorlopige hechtenis kan niet als zodanig gelden. Dat betekent dat geen rechtsmacht bestaat op grond van artikel 7 Sr. - Artikel 2 Sr: het territorialiteitsbeginsel Artikel 2 Sr luidt: “De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.”. Ingevolge artikel 2 Sr heeft Nederland rechtsmacht op grond van het territorialiteitsbeginsel indien het feit (tevens) in Nederland is gepleegd. Volgens vaste jurisprudentie kan een strafbaar feit meerdere pleegplaatsen (locus delicti) hebben. In de literatuur wordt dit aangeduid als de zogenoemde ubiquiteitsleer. Hierdoor kunnen positieve rechtsmachtsconflicten ontstaan. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als de locus delicti, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, óók ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. De locus delicti kan op verschillende wijzen worden bepaald. De Nederlandse wet kent geen voorschrift voor het bepalen van de plaats waar een feit is gepleegd. Om die reden is er vanuit de rechtswetenschap een aantal gangbare theorieën in het leven geroepen om de locus delicti te kunnen bepalen, waarbij (
  2. i)het handelen van de dader, (
  3. ii)de werking van het instrument en (iii) het intreden van het gevolg bepalend zijn. Overal waar een constitutief bestanddeel van het feit zich heeft gemanifesteerd, is het begaan. De rechter is binnen de grenzen van de tenlastelegging vrij daaruit een keuze te maken. Voor de vraag of het strafbare feit in Nederland heeft plaatsgevonden, is derhalve niet alleen van belang waar de dader een gedraging heeft verricht. Ook de plaats waar het door de strafwet verboden gevolg van het handelen van de dader intreedt, kan (mede) voor de locus delicti doorgaan. Dit wordt ook wel de leer van het constitutieve gevolg genoemd. De gedachte achter deze leer is onder meer dat de daad wordt bestraft in de staat waarvan de rechtsorde is geschaad. De rechtbank overweegt tegen die achtergrond ten aanzien van de onder 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde mensensmokkelfeiten het volgende. Het standpunt van de verdediging dat de ten laste gelegde mensensmokkelfeiten bij de aankomst in Italië zijn voltooid, berust naar het oordeel van de rechtbank op een misvatting. Bij mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a Sr is het belang van de staat in het geding. Dat belang is daarin gelegen dat op het grondgebied van de staat alleen mensen verblijven die daartoe gerechtigd zijn. Op het moment dat gesmokkelde personen (illegaal) in Nederland arriveren wordt het rechtsbelang dat wordt beschermd door artikel 197a Sr in Nederland geschonden. Met schending van het Nederlandse rechtsbelang, treedt het constitutief gevolg in Nederland in. Daarmee wordt het ten laste gelegde delict van artikel 197a Sr in Nederland voltooid. Uit vaste jurisprudentie omtrent de leer van het constitutieve gevolg volgt niet dat verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – opzet behoeft te hebben gehad op de plaats waar het constitutieve gevolg zou intreden, in dit geval Nederland. Voldoende is dat het rechtsgevolg (de wederrechtelijke toegang tot Nederland) in Nederland intreedt en dit rechtsgevolg volgens de leer van de redelijke toerekening aan de verdachte kan worden toegerekend. De in de tenlastelegging opgenomen migranten zijn, met uitzondering van getuige [nummer 4] , na de overtocht van Libië naar Italië naar Nederland doorgereisd. De getuige ‘ [getuige 4] ’, met getuigennummer [nummer 4] , heeft verklaard na aankomst in Italië naar Frankrijk te zijn doorgereisd, waarna zij via België en Luxemburg uiteindelijk in Engeland is gearriveerd. Zij is op geen enkel moment na de aankomst in Italië doorgereisd naar en gearriveerd Nederland. De rechtbank overweegt dan ook dat geen constitutief gevolg van de onder feit 5 ten laste gelegde mensensmokkel van ‘ [getuige 4] ’ onder getuigennummer [nummer 4] is ingetreden in Nederland. Daarnaast heeft er ook geen handeling van het ten laste gelegde of doorwerking van het instrument plaatsgevonden in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat Nederland in zoverre niet kan worden aangemerkt als locus delicti en dat er geen rechtsmacht bestaat voor de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Sr ten aanzien van deze migrant en dit onderdeel van de onder 5 ten laste gelegde mensensmokkel. De getuige ‘ [getuige 3] ’, met getuigennummer [nummer 3] , heeft verklaard, nadat de overtocht per boot vanuit Libië was mislukt, uiteindelijk na een periode van detentie in Libië, met behulp van de UNHCR (de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties) en het Rode Kruis per vliegtuig te zijn opgehaald uit Libië, waarna hij naar Niger is gegaan. Vervolgens heeft hij anderhalf jaar in Niger verbleven en is hij vanuit Niger naar Roemenië gevlogen. Vanuit Roemenië is hij tenslotte naar Nederland doorgereisd. De getuige zegt door de UNHCR geholpen te zijn met de reis per vliegtuig naar Europa. De rechtbank overweegt dat de mogelijke mensensmokkel in de zin van artikel 197a Sr van deze getuige (met de mislukte overtocht) is geëindigd in Libië. Het uiteindelijk bereiken van Nederland door deze migrant aangeduid als ‘ [getuige 3] ’, in het onder 5 ten laste gelegde feit, staat in een te ver verwijderd verband en is daardoor geen constitutief gevolg van de behulpzaamheid van verdachte bij de mensensmokkel in de zin van artikel 197a Sr, althans kan hem dat vanwege het onvoldoende sine qua non-verband in redelijkheid niet worden toegerekend. De rechtbank is daarom van oordeel dat Nederland niet kan worden aangemerkt als locus delicti en dat er geen rechtsmacht bestaat voor de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Sr ten aanzien van deze migrant en dit onderdeel van de onder 5 ten laste gelegde mensensmokkel. Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging opgenomen migranten onder de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 is de rechtbank van oordeel dat de aankomst van deze personen in Nederland kan worden aangemerkt als een redelijkerwijs aan de verdachte toe te rekenen gevolg van diens strafbare handelen in de zin van artikel 197a Sr, indien en voor zover bewezen. Deze migranten zijn allen binnen afzienbare tijd na hun aankomst in Italië, mede dankzij de open grenzen binnen de Europese Unie, doorgereisd naar Nederland, waar zij vervolgens asiel hebben aangevraagd. De rechtbank heeft de binnenkomst van de migranten veelal kunnen vaststellen op basis van hun verklaringen en/of andere dossiergegevens. Ter controle van die verklaringen heeft de rechtbank BRP-gegevens gebruikt om vast te stellen dat de migranten daadwerkelijk Nederland zijn binnengekomen. In Nederland is daarmee het rechtsbelang geschonden dat wordt beschermd door artikel 197a Sr. Met schending van het Nederlandse rechtsbelang, treedt het constitutief gevolg in Nederland in. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat Nederland ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde migranten, met uitzondering van “ [getuige 4] ” (getuigennummer [nummer 4] ) en “ [getuige 3] ” (getuigennummer [nummer 3] ) in feit 5, mede kan worden aangemerkt als locus delicti en dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht heeft voor de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 in ieder geval voor wat betreft het onderdeel ‘behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1)’. Dit geldt niet voor het onderdeel ‘uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf (lid 2)’ van de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10. Naar haar aard ziet deze bepaling op het uit winstbejag verblijf bieden in Nederland. Uit de behandeling ter terechtzitting noch uit het dossier zijn aanknopingspunten naar voren gekomen dat verdachte op enigerlei wijze behulpzaam is geweest bij het uit winstbejag verschaffen van verblijf aan de migranten in Nederland. Evenmin is voor dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve enig constitutief gevolg ingetreden in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat Nederland ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden aangemerkt als locus delicti en dat er in zoverre geen rechtsmacht bestaat op grond van artikel 2 Sr. Het Openbaar Ministerie zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging. De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder 4 en 6 ten laste gelegde afpersingen het volgende. De getuige ‘ [getuige 5] ’, met getuigennummer [nummer 5] , heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met geweld, door de handlangers van [verdachte] in het kamp in [plaats 2] (Libië), werd gedwongen familieleden te bellen om hen te bewegen geld over te maken voor zijn overtocht. Hij wist niet meer welke familieleden hij heeft gebeld vanuit het kamp. Hij heeft vier of vijf telefoonnummers van familieleden aan de handlangers doorgegeven. Eenmaal in Nederland hoorde hij dat hij zijn zus ‘ [getuige 6] ’, met getuigennummer [nummer 6] , heeft gebeld. Deze getuige heeft verklaard dat zij door haar broer ‘ [getuige 5] ’ is gebeld vanuit een kamp in Libië, dat hij werd mishandeld tijdens de telefoongesprekken en dat haar broer tegen haar zei dat ze snel geld moest betalen voor de zeereis. Zij heeft de inhoud van dit gesprek verteld aan haar ouders, omdat zij zelf het bedrag niet kon voldoen. Er moest twee keer worden betaald. Haar ouders hebben uiteindelijk voor de reis van haar broer betaald. De getuige ‘ [getuige 6] ’ woonde in Nederland ten tijde van de telefoongesprekken. De getuige ‘ [getuige 7] ’, met getuigennummer [nummer 7] , heeft verklaard dat hij met geweld, in het kamp in [plaats 1] (Libië), werd gedwongen familieleden te bellen om hen te bewegen geld over te maken voor de overtocht naar Italië. Hij heeft alleen zijn broer ‘ [getuige 3] ’, met getuigennummer [nummer 17] , gebeld. Deze getuige heeft verklaard dat hij telefonisch contact had met zijn broer ‘ [getuige 7] ’ toen zijn broer in een kamp in Libië zat. Zijn broer zei dat hij mishandeld werd terwijl hij hem aan de telefoon sprak. Zijn broer zei ontvoerd te zijn en dat er 5.000,00 dollar betaald moest worden. Getuige ‘ [getuige 3] ’ heeft toen twee ooms in Israël benaderd en ze gesmeekt het bedrag te betalen. Eén van de ooms heeft toen geld van dorpsgenoten ingezameld en daarmee is het bedrag voor de overtocht voldaan. De getuige ‘ [getuige 3] ’ was woonachtig in Nederland ten tijde van de telefoongesprekken. De rechtbank overweegt ten aanzien van beide feiten dat uit het dossier blijkt dat de getuigen ‘ [getuige 5] ’, met getuigennummer [nummer 5] , en ‘ [getuige 7] ’, met getuigennummer [nummer 7] , in een kamp in [plaats 1] met geweld werden gedwongen familieleden te bellen om hen te bewegen geld voor de overtocht naar Italië te laten betalen. In beide gevallen is een familielid dat woonachtig was in Nederland opgebeld terwijl de zich in Libië bevindende getuigen werden mishandeld, met de bedoeling de persoon in Nederland te bewegen tot (al dan niet indirect) afgifte van een geldbedrag. Die in Nederland woonachtige familieleden hebben vervolgens andere familieleden benaderd, waarna het geldbedrag is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat hiermee een evident causaal verband bestaat tussen de afpersing van de zich in Nederland bevindende familieleden en het door hen, dan wel via hun tussenkomst door derden, te betalen geldbedrag. De vraag wie uiteindelijk het geldbedrag ten behoeve van de overtocht heeft voldaan is niet van doorslaggevend belang. Het (op deze wijze) contacteren van de familieleden in Nederland is in beide feiten een essentieel onderdeel van de afpersing als bedoeld in artikel 317 Sr geweest, waarmee de feiten ook deels in Nederland hebben plaatsgevonden. Dit maakt dat Nederland ten aanzien van de feiten 4 en 6 eveneens mede kan worden aangemerkt als locus delicti en dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht heeft. De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie het volgende. De rechtbank heeft reeds de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Sr ten aanzien van de ten laste gelegde mensensmokkelfeiten en afpersingen vastgesteld. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat zij daarmee tevens rechtsmacht heeft voor de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie, althans voor zover die organisatie het oogmerk had op de misdrijven mensensmokkel (eerste gedachtestreepje) en afpersing (derde gedachtestreepje). Voor zover de criminele organisatie volgens de tenlastelegging het oogmerk had op de misdrijven gijzeling (tweede gedachtestreepje), geweldsdelicten (vierde gedachtestreepje) en seksuele delicten (vijfde gedachtestreepje), oordeelt de rechtbank anders. Voor zover het bestaan van het oogmerk op het plegen van deze misdrijven kan worden vastgesteld, hebben deze onderdelen van de tenlastelegging zich afgespeeld buiten Nederland. Evenmin is ten aanzien van die misdrijven enig constitutief gevolg ingetreden in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat Nederland in zoverre niet kan worden aangemerkt als locus delicti, zodat ten aanzien daarvan geen rechtsmacht bestaat voor de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Sr. - Artikelen 3 tot en met 8d Sr: extraterritoriale rechtsmacht De rechtbank is ten aanzien van de onderdelen van de ten laste gelegde feiten, waarvan is geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van het territorialiteitsbeginsel van artikel 2 Sr geen rechtsmacht heeft, nog nagegaan of wellicht op enige andere grondslag genoemd in de artikelen 3 tot en met 8d Sr rechtsmacht kan worden aangenomen. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat dit niet het geval is. Artikel 3 Sr, dat ziet op strafbare feiten gepleegd in Nederlandse (lucht)vaartuigen, is in deze casus in het geheel niet van toepassing. Dat geldt ook voor de artikelen 5 tot en met 8b Sr en artikel 8d Sr. Die artikelen zien ook op situaties die niet aan de orde zijn. De huidige bepaling van artikel 4 Sr biedt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door het Openbaar Ministerie is betoogd, geen ruimte om extraterritoriale rechtsmacht aan te nemen ten aanzien van de smokkel van de getuigen [nummer 3] en [nummer 4] , opgenomen in het ten laste gelegde feit 5. Artikel 197a strafrecht wordt in artikel 4 Sr immers niet genoemd. Dat er een wetsvoorstel in behandeling is dat hierin verandering wil brengen leidt niet tot een ander oordeel, juist omdat dit wetsvoorstel nog niet tot wet verheven is. Het Openbaar Ministerie heeft zich nog op het standpunt gesteld dat rechtsmacht, voor zover dat niet gegrond kan worden op het territorialiteitsbeginsel van artikel 2 Sr, kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 8c Sr. De rechtbank kan het Openbaar Ministerie daarin niet volgen. De wetgever heeft – zo blijkt uit de memorie van toelichting – met invoering van artikel 8c Sr beoogd dat rechtsmacht kan worden gevestigd ten aanzien van in Nederland verblijvende vreemdelingen voor ernstige feiten die zij in het buitenland hebben begaan, indien hun uitlevering niet mogelijk is. De grondslag voor de uitoefening van rechtsmacht wordt daarbij niet zozeer gekoppeld aan de band met de Nederlandse rechtsorde, maar eerder aan het gegeven dat voorkomen moet worden dat verdachten van ernstige delicten ongehinderd (en straffeloos) in Nederland kunnen verblijven door het ontbreken van mogelijkheden om hen uit te zetten of uit te leveren. In de onderhavige situatie is verdachte juist op verzoek van het Nederlandse Openbaar Ministerie door de Ethiopische autoriteiten uitgeleverd om in Nederland berecht te worden. Verdachte verbleef en verblijft derhalve niet ongehinderd in Nederland, zodat artikel 8c Sr in dit geval geen (aanvullende) grondslag geeft voor rechtsmacht. 3.3.3. Ne bis in idem-beginsel ten aanzien van de mensensmokkelfeiten 2, 3, 5, 7, 8, 9, 10 De rechtbank heeft – na beraad in raadkamer – op de terechtzitting van 3 november 2025 de volgende beslissing op dit preliminaire verweer genomen. De rechtbank overweegt dat het ne bis in idem-beginsel, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 68 Sr, inhoudt dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd voor hetzelfde feit. Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten volgens de Hoge Raad de juridische aard van de feiten en de gedraging van verdachte als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken. Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. De rechtbank neemt het Ethiopisch vonnis als uitgangspunt voor de toetsing of er sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Verdachte is op 14 juni 2021 bij vonnis van de federaal eerste instantie rechtbank van Ethiopië te Addis Abeba veroordeeld voor mensensmokkel in “ [plaats 2] ” (Libië) met betrekking tot een aantal personen genaamd [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , gepleegd in een overlappende periode als in de onderhavige zaak is ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van andere feiten dan waarvoor verdachte krachtens voornoemd Ethiopische vonnis is veroordeeld. De rechtbank overweegt daartoe dat er in zowel de onderhavige zaak als in het Ethiopische vonnis telkens individueel per persoon is ten laste gelegd. De Ethiopische veroordeling ziet op vergelijkbare feiten, maar gepleegd jegens andere personen dan in de onderhavige zaak. Er is daarom geen sprake van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr en het geschetste juridische kader van de Hoge Raad. De verdediging heeft bepleit dat Europese wetgeving en jurisprudentie met zich brengen dat de ne bis in idem-regel geldt in soortgelijke gevallen in (ongeveer) dezelfde periode, ongeacht tegen welke personen, waarin de ten laste gelegde strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet en hanteert de door de Hoge Raad geformuleerde juridische kaders en verwerpt het preliminaire verweer in zoverre. In hetgeen bij pleidooi door de verdediging is aangevoerd en herhaald, ziet de rechtbank geen aanleiding nu bij eindvonnis anders te oordelen dan op 3 november 2025 en handhaaft haar beslissing. 3.3.4. Schending van het specialiteitsbeginsel met betrekking tot feit 11, witwassen De rechtbank heeft – na beraad in raadkamer – op de terechtzitting van 3 november 2025 de volgende beslissing op het preliminaire verweer genomen. Op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (United Nations Convention against Transnational Organized Crime, UNTOC, New York, 15 november 2000), ook wel het Verdrag of de Conventie van Palermo genoemd, kan uitlevering van personen tussen landen geschieden voor een aantal in dat verdrag opgenomen transnationale misdrijven. Nederland is op 12 december 2000 aangesloten bij dit verdrag en heeft het verdrag op 26 mei 2004 geratificeerd. Ethiopië is op 14 december 2000 aangesloten bij dit verdrag en heeft het verdrag op 23 juli 2007 geratificeerd. Het Openbaar Ministerie heeft op 20 januari 2022 middels een uitleveringsverzoek aan de Ethiopische autoriteiten verzocht om de uitlevering van verdachte wegens verdenking van een aantal door het Openbaar Ministerie vermelde strafbare feiten, waaronder mensensmokkel, afpersing en deelname aan een criminele organisatie. Verdachte is naar aanleiding van dit uitleveringsverzoek op 5 oktober 2022 door de Ethiopische autoriteiten uitgeleverd aan Nederland. De rechtbank overweegt dat het specialiteitsbeginsel – zoals bedoeld in onder meer artikel 16 van voornoemd verdrag – inhoudt dat de verzoekende staat, behoudens uitzonderingen waarvan in de onderhavige zaak niet is gebleken, niet mag optreden jegens de opgeëiste persoon met betrekking tot enig ander delict dan dat waarvoor de uitlevering is verzocht en verkregen. Uit de stukken in het dossier die zien op de uitlevering van verdachte, blijkt dat uitlevering door de Federale Democratische Republiek Ethiopië niet ter zake van het onder 11 ten laste gelegde feit, te weten witwassen, is gevraagd of verkregen. Daarnaast is voor enig optreden door het Openbaar Ministerie met betrekking tot witwassen of andersoortige financiële delicten geen aanvullende toestemming gevraagd of verleend. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 11 (witwassen) en de daarmee samenhangende onderdelen van feit 1 (deelname aan een criminele organisatie) voor zover dit ziet op het zesde (witwassen) en zevende (hawala bankieren) gedachtestreepje. De rechtbank ziet geen aanleiding in dit eindvonnis anders te oordelen en handhaaft haar hiervoor weergegeven beslissing. 3.3.5. Conclusies De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft het onderdeel ‘(in elk geval)’ en ‘en/of althans een of meer (andere) onbekend gebleven personen’ in de feiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10. De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding voor het overige geldig is. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ten aanzien van de onder 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van rechtsmacht, niet-ontvankelijk in de vervolging voor het onderdeel ‘uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in (lid 2)’. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van rechtsmacht, niet-ontvankelijk in de vervolging van de mensensmokkel van de in de tenlastelegging opgenomen migranten ‘ [getuige 4] ’, met getuigennummer [nummer 4] , en ‘ [getuige 3] ’, met getuigennummer [nummer 3] . De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, wegens het ontbreken van rechtsmacht, niet-ontvankelijk in de vervolging voor het oogmerk op de onderdelen:‘- gijzeling, als bedoeld in artikel 282 en/of 282a van het Wetboek van Strafrecht, namelijk een of meer personen wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden, al dan niet met het oogmerk de familie van die persoon/personen te dwingen om te betalen voor de overtocht naar Europa, en/of(..)- geweldsdelicten, als bedoeld in artikel 285 en/of artikel 300 en/of artikel 302 en/of artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk bedreiging met (dodelijk) geweld en/of mishandeling(en), al dan niet met zwaar lichamelijk letsel en/of de dood ten gevolg en/of doodslag, begaan jegens voornoemde persoon/personen en/of- seksuele geweldsdelicten, als bedoeld in artikel 242 en/of 246 van het Wetboek van Strafrecht, te weten verkrachting en/of aanranding van een of meerdere migranten, en/of’. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie, wegens schending van het specialiteitsbeginsel, niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 11 (witwassen) en de daarmee samenhangende onderdelen van feit 1 (deelname aan een criminele organisatie) voor zover dit ziet op de onderdelen: ‘- witwassen , als bedoeld in artikel 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, namelijk grote geldbedragen van familieleden in Nederland in contanten ophalen en die opbrengsten over te dragen, te verplaatsen, om te zetten, te verwerven, voorhanden te hebben, te verbergen en te verhullen en ze hierdoor veilig te stellen, en/of - hawala (ondergronds) bankieren door het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning als bedoeld in artikel 2:3a wet op het financieel toezicht, terwijl hij, verdachte, leider en/of oprichter en/of bestuurder van voormelde organisatie is/was/is geweest;’. De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter voor alle andere, hiervoor niet genoemde, ten laste gelegde feiten en onderdelen daarvan, rechtsmacht heeft en dat het Openbaar Ministerie in zoverre ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank acht zich in zoverre ook bevoegd tot kennisneming van deze zaak, en oordeelt dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De rechtbank zal hierna de feiten beoordelen op grondslag van de in bijlage II aan dit vonnis gehechte tenlastelegging, waarin de wijzigingen naar aanleiding van de beslissingen op de voorvragen zijn doorgevoerd. 4De identiteit van verdachte 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de persoon is die door getuigen is aangeduid als ‘ [verdachte] ’ en onder die naam vooral in [plaats 1] (Libië) actief is geweest als mensensmokkelaar. 4.2 Het standpunt van de verdediging Verdachte ontkent dat hij de persoon is waarvoor het Openbaar Ministerie hem houdt. De verdediging wijst erop dat hij consistent heeft verklaard nog nooit in Libië en [plaats 1] te zijn geweest. Het vonnis in Ethiopië berust op onjuiste gronden en er is sprake van een persoonsverwisseling. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de getuigen met betrekking tot de identificatie van verdachte zijn beïnvloed doordat er foto’s van verdachte op het internet circuleerden. Uit getuigenverklaringen blijkt dat zij in een eerder stadium op sociale media foto’s of filmpjes hebben gezien van verdachte, waarbij soms de naam [verdachte] werd vermeld, onder andere naar aanleiding van zijn aanhouding. Dit vergroot het risico op het zogeheten overdrachtseffect; getuigen menen verdachte te herkennen tijdens de confrontatie, maar realiseren zich niet dat deze herkenning stoelt op informatie die op een later moment, via bijvoorbeeld sociale media, bij hen binnen is gekomen. De bewijswaarde is bovendien beperkt omdat het voornamelijk enkelvoudige fotoconfrontaties betreft. De herkenningen door de verschillende getuigen kunnen daarom niet tot het overtuigende bewijs leiden dat verdachte de mensensmokkelaar [verdachte] is die het Openbaar Ministerie voor ogen heeft. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Het dossier bevat vele getuigenverklaringen waarin verdachte door getuigen is herkend als de persoon die zich bezig hield met mensensmokkel van Libië naar Europa en ‘ [verdachte] ’ werd genoemd. Tijdens deze getuigenverhoren werden met name de volgende drie foto's getoond in een fotomap, die gedurende de loop van het onderzoek is geactualiseerd en aangepast. De eerste foto betreft een foto van een man met patroongordels om, een vuurwapen over zijn schouders en een telefoon in zijn hand. De tweede foto betreft een foto van verdachte gemaakt in een politiebureau in Ethiopië na zijn aanhouding in maart 2020 en de derde foto betreft een man in een witte trui, met een laptop op schoot en een "oortje/koptelefoon" zichtbaar in zijn linkeroor. In de aan de verschillende getuigen getoonde fotomappen zat telkens één van de voornoemde foto’s. Verdachte heeft zichzelf herkend op alle drie de foto’s. Er zijn drie getuigen die verdachte van de eerste foto hebben herkend, er zijn acht getuigen die verdachte van de tweede foto hebben herkend en drie getuigen die verdachte van de derde foto hebben herkend. Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de getuigen beïnvloed zouden zijn doordat er in een eerder stadium foto’s van verdachte op het internet circuleerden en getuigen hem daarom hebben aangewezen als de verantwoordelijke mensensmokkelaar bekend onder de naam [verdachte] , overweegt de rechtbank dat slechts één van de aan de getuigen getoonde foto’s op internet heeft gecirculeerd, namelijk de foto hiervoor aangeduid als de eerste foto (man met de patroongordels). Bovendien hebben de getuigen in hun verklaringen, voordat de foto’s werden getoond, specifiek onderscheidende uiterlijke kenmerken beschreven van ‘ [verdachte] ’ – de man die de getuigen onder andere in het kamp in [plaats 1] hebben gezien – die overeenkomen met het signalement van verdachte, zoals onder andere de lengte, omvang, haardracht en vermoedelijke leeftijd. Daarbij ondersteunen de verschillende getuigenverklaringen elkaar op deze punten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de getuigen niet althans niet zodanig beïnvloed zijn door de op internet circulerende foto van verdachte (met de patroongordels), dat ten aanzien van alle foto’s van voor bewijs onbruikbare herkenningen sprake zou zijn. De rechtbank acht daarbij verder van belang dat uit afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte, gevoerd vanuit de Penitentiaire Inrichting te Grave met derden, blijkt dat verdachte getracht heeft getuigen te laten beïnvloeden door hen te laten verklaren dat ze hem niet kennen en dat praten over het verleden geen nut heeft. Deze gesprekken versterken naar het oordeel van de rechtbank de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen omtrent de herkenning van verdachte als [verdachte] . De rechtbank overweegt verder dat de verdachte bij zijn aanhouding in Ethiopië een Eritrees paspoort bij zich had op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] . In dit paspoort zit een visum voor toegang tot Libië, geldig van 27 september 2017 tot en met 26 september 2018, en een stempel van betaling van leges voor verblijf in Libië. Verdachte heeft tijdens een verhoor bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat het een paspoort van iemand anders betreft, waarop een door hem aangeleverde pasfoto van zichzelf was geplaatst. Hij heeft verder verklaard dat hij dit paspoort in Khartoem (Sudan) heeft gekocht en dat er op het moment dat hij het paspoort kreeg geen stempels of een visum voor Libië in stonden. Verdachte heeft verklaard dat hij met het paspoort naar Dubai is gereisd en daarna naar Ethiopië, maar dat hij nog nooit in Libië is geweest. Verdachte heeft echter geen verklaring gegeven voor het Libische visum en de stempel van betaling van leges voor verblijf in Libië in dat paspoort. Verder heeft de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 1] ’ op 25 november 2018 een foto ontvangen van voornoemd paspoort op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] , met de foto van verdachte erop. Hij ontving deze foto van voornoemd paspoort van de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 2] ’. Even daarvoor stuurde de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 2] ’ een bericht naar de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 3] ’ in het Tigrinya, waarvan de Nederlandse vertaling luidt: “Maak een foto van [verdachte] ’s paspoort en stuur het naar mij”. Verder kreeg de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 1] ’ instructies in het Tigrinya van de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 2] ’ over de vlucht van Sudan naar Dubai met behulp van dit paspoort. Uit berichten verstuurd vanaf het Facebook-account ‘ [accountnaam 1] ’ blijkt dat de gebruiker van dit account gebruik maakte van de naam ‘ [verdachte] ’ en verbleef in [plaats 1] . Zo ontving de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 1] ’ van de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 2] ’ op 27 november 2018 de volgende berichten in het Tigrinya, waarvan de Nederlandse vertaling luidt: “Geen probleem mijn broer [verdachte] , belangrijk is het vertrouwen” en “Wat mij echt in mijn leven blij heb gemaakt dat je veilig bent, ik was bang dat je in [plaats 2] dood zou gaan. Maar God heeft jou bevrijd om Libië te kunnen verlaten”. Verder heeft de gebruiker van het Facebook-account ‘ [accountnaam 1] ’ op 11 maart 2018 een bericht gestuurd in het Tigrinya, waarvan de Nederlandse vertaling luidt: “Ik heet [verdachte] ”. Ook de gebruiker van het account ‘ [accountnaam 4] ’ werd in vele berichten en reacties naar aanleiding van op zijn account geplaatste video’s [verdachte] genoemd. Uit het dossier blijkt dat de Facebook-accounts ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’ door dezelfde gebruiker werden gebruikt. Gelet op het voorgaande, in combinatie met het bij verdachte aangetroffen paspoort op naam van [verdachte] , is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gebruiker was van de Facebook-accounts ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’. Het Facebook-account ‘ [accountnaam 4] ’ heeft in de periode van 1 januari 2018 tot en met 8 april 2018 gebruik gemaakt van IP-adressen die zich bevonden op locaties in de plaats [plaats 1] in Libië. Uit voornoemde afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte in de Penitentiaire Inrichting te Grave blijkt tevens dat verdachte in deze gespreken met derden heeft gezegd dat hij tijdens zijn verhoren in Nederland heeft verklaard dat hij ‘ [naam 6] ’ heet. Tevens blijkt uit deze gesprekken dat hij meerdere identiteitsdocumenten op naam van ‘ [naam 6] ’ tegen betaling heeft geprobeerd op te laten maken, waaronder een rijbewijs, een doopakte, een bewijs van verblijf in het vluchtelingenkamp Shegerab in Soedan, een vluchtelingendocument uit Ethiopië, een bewijs van betaling aan een bank en/of kerk en/of een bewijs van aanvraag van een identiteitskaart. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte tijdens deze gesprekken niet heeft gevraagd om deze documenten op te (laten) vragen bij officiële instanties of anderszins boven water te krijgen, maar om deze documenten (naar de rechtbank begrijpt valselijk) op te laten maken. Verdachte geeft verder aanwijzingen over welke (persoonlijke) gegevens op de documenten moeten worden vermeld, zodat de documenten ondersteunen wat hij in zijn verhoren heeft verklaard. Voorts heeft hij tijdens deze gesprekken gezegd dat hij tijdens de verhoren heeft verklaard nergens naar toe te zijn geweest en dat hij de mensen hier heeft overtuigd met dit verhaal. Verdachte zegt ook dat er niets op zijn Facebook-accounts moet worden gepost, omdat die worden doorgespit. De rechtbank leidt uit deze afgeluisterde telefoongesprekken af dat verdachte valse papieren heeft proberen te verkrijgen bij een identiteit die hij heeft verzonnen om zijn werkelijke en/of tijdens de ten laste gelegde periode gebruikte identiteit van [verdachte] te verhullen c .q. te verhullen op welke plaatsen hij daadwerkelijk heeft verbleven in de ten laste gelegde periode. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de persoon is die door de getuigen is herkend als zijnde de persoon die ‘ [verdachte] ’ werd genoemd en die in de ten laste gelegde periode verbleef in [plaats 1] te Libië. 5De bewijsmotivering 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten als volgt wettig en overtuigend te bewijzen zijn: feit 1: deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk tot het plegen van de misdrijven mensensmokkel, gijzeling, afpersing, geweldsdelicten en seksuele delicten, terwijl verdachte leider van deze organisatie was; feiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10: mensensmokkel in vereniging met anderen, van de in de tenlastelegging genoemde personen met het toegebrachte letsel zoals genoemd in de tenlastelegging – met uitzondering van de onderdelen ‘en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad’ en de verlamming aan de rechterhand als letsel van ‘ [getuige 2] ’ zoals ten laste gelegd in feit 2 – terwijl levensgevaar te duchten was en verdachte hiervan een beroep en/of gewoonte heeft gemaakt; feiten 4 en 6: afpersing in vereniging met anderen. 5.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich – indien de rechtbank komt tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter – op het volgende, verkort weergegeven, standpunt gesteld ten aanzien van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten: feit 1: primair dient verdachte te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest (
  4. i)van een duurzame en gestructureerde organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr én (
  5. ii)van een samenwerkingsverband met het oogmerk op het plegen van de ten laste gelegde misdrijven én (iii) dat verdachte aan een dergelijke organisatie heeft deelgenomen. Subsidiair dient verdachte te worden vrijgesproken van de misdrijven die zich uitsluitend in Libië zouden hebben afgespeeld, in elk geval de gijzeling, geweldsdelicten en seksuele delicten; feiten 2, 3, 5, 7, 8, 9 en 10: primair dient verdachte te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair dient verdachte in elk geval te worden vrijgesproken van de onder feit 9 en 10 gesmokkelde migranten, die nadrukkelijk hebben verklaard dat een ander dan verdachte hun smokkelaar was, zodat er ten aanzien van verdachte onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat hij aan deze smokkelfeiten een strafbare bijdrage heeft geleverd; feiten 4 en 6: verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. 5.3 Inleidende overwegingen Onder leiding van het Landelijk Parket te Zwolle is op 7 november 2017 een opsporingsonderzoek opgestart onder de naam “27Pearce”. Dit onderzoek, dat zich aanvankelijk vooral richtte op een verdachte met de naam “ [medeverdachte 1] ”, is uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee. Dit onderzoek heeft zich gericht op een criminele organisatie onder leiding van deze [medeverdachte 1] die zich bezig zou houden met de smokkel van migranten vanuit Afrika via de Centrale Middellandse Zeeroute naar Europa. De migranten vatten vanuit Noord-Afrika een lange en veelal gevaarlijke reis aan in een poging om via de Middellandse Zee op irreguliere wijze Europa te bereiken. Veel migranten trekken op hun weg naar Europa door Libië, hetgeen de ontwikkeling van netwerken van mensensmokkel en mensenhandel in Libië in de hand heeft gewerkt. Op 5 september 2018 is er een rapport verschenen van het panel van Libië-experts, gericht aan de president van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. In dit rapport wordt onder meer gesproken over een netwerk van mensensmokkelaars dat actief is tussen Eritrea en Libië met een knooppunt in de Libische plaats [plaats 1] . Een man genaamd ‘ [verdachte] ’ zou ook deel uitmaken van dit netwerk. Het panel heeft Ethiopische meisjes geïnterviewd die tussen oktober 2014 en januari 2017 tegen betaling voor een zogenaamde "pakketreis" naar Europa zijn gesmokkeld door deze ‘ [verdachte] ’. Deze meisjes verbleven op een boerderij langs [locatie 2] aan de rand van [plaats 1] . In de loodsen op het terrein van de boerderij verbleven tot 1200 migranten uit onder meer Eritrea en Somalië. In onderzoek 27Pearce zijn twee kampen in (de buurt van) [plaats 1] in kaart gebracht waar vrouwelijke, mannelijke en minderjarige migranten in loodsen zouden zijn vastgehouden door voornoemd smokkelnetwerk. Dit betreffen de kampen met de aanduiding ‘ [locatie 2] ’ en ‘ [locatie 3] ’. Daarnaast zijn ook twee andere, vergelijkbare, kampen elders in Libië in kaart gebracht die door voornoemd smokkelnetwerk in gebruik zouden zijn genomen. Dit betreffen de kampen ‘ [locatie 4] ’ en ‘ [locatie 5] ’. Op 6 januari 2020 is besloten om het opsporingsonderzoek tevens te richten op de persoon die ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd. In het onderzoek 27Pearce zijn meerdere zaaksdossiers opgemaakt naar aanleiding van de aankomsten van migranten op verschillende data in Italië. Deze migranten werden op de Middellandse Zee gered en naar Italiaanse havens gebracht. Een aantal van deze migranten is uiteindelijk in Nederland terecht gekomen en als getuige gehoord over de omstandigheden waaronder men verbleef in de kampen in onder meer [plaats 1] en de zeereis die zij hebben gemaakt. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksdossier 27Pearce. De tenlastelegging is gebaseerd op dit onderzoeksdossier. Op basis daarvan heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat verdachte alle feiten heeft gepleegd in nauwe samenwerking met (in ieder geval) de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1] ). Die opvatting komt terug in de onder 2 tot en met 10 ten laste gelegde feiten. Om die reden zal de rechtbank ten aanzien van deze feiten eerst een aantal overwegingen wijden aan dit uitgangspunt van het Openbaar Ministerie. In paragraaf 5.4.3.3 zal nog specifiek worden ingegaan op de vraag of [medeverdachte 1] mededeelnemer was van het criminele samenwerkingsverband zoals ten laste gelegd onder feit 1. 5.4 Overwegingen van de rechtbank 5.4.1. Medeplegen met [medeverdachte 1] 5.4.1.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij alle mensensmokkelfeiten sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met (onder meer) [medeverdachte 1] . Het Openbaar Ministerie verwijst hiertoe met name naar de diverse getuigenverklaringen, de feitelijke gang van zaken in de kampen die uit die verklaringen naar voren komt, de manier waarop verdachte en [medeverdachte 1] ter plaatse met elkaar omgingen en de berichten van de Facebook-accounts, die volgens het Openbaar Ministerie in gebruik waren bij [medeverdachte 1] ( [accountnaam 2] ) en verdachte ( [accountnaam 1] en [accountnaam 4] ). 5.4.1.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen enerzijds verdachte en anderzijds [medeverdachte 1] . De verdediging verzoekt verdachte daarom vrij te spreken van feit 9 ten aanzien van de migranten in de tenlastelegging aangeduid als ‘ [getuige 8] ’, ‘ [getuige 9] ’, ‘ [getuige 2] ’, ‘ [getuige 1] ’ en ‘ [getuige 10] ’ en alle migranten genoemd in feit 10, omdat deze migranten hebben verklaard dat niet verdachte, maar [medeverdachte 1] of een smokkelaar genaamd [medeverdachte 11] hun smokkelaar was. 5.4.1.3. Het oordeel van de rechtbank Zoals opgemerkt acht de rechtbank het – tegen de achtergrond van het dossier en het standpunt van het Openbaar Ministerie inzake het medeplegen – van belang eerst vast te stellen of er sprake is geweest van het medeplegen van verdachte en [medeverdachte 1] bij de ten laste gelegde mensensmokkelfeiten, met name met het oog op de bewijsbaarheid van de feiten 9 en 10. Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeplegers bij het plegen van het ten laste gelegde feit. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. De bijdrage kan daarnaast ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank overweegt dat het dossier, waaronder de getuigenverklaringen en het onderzoek naar de Facebook-accounts van verdachte en [medeverdachte 1] , aanwijzingen bevat dat verdachte en [medeverdachte 1] contact met elkaar hadden. Door het Openbaar Ministerie is naar voren gebracht dat uit het dossier volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] een gedeelde loods hadden op hetzelfde perceel en dat werd gezien dat zij op dit perceel vriendelijk met elkaar omgingen. Verder verklaren meerdere getuigen dat zij bij aankomst op het perceel in [plaats 1] werden ondergebracht in een loods die bij helfte was verdeeld in een deel in gebruik bij [medeverdachte 1] en het andere deel bij verdachte. Beide helften waren door een stenen muur van elkaar gescheiden. De migranten “waren” of van [verdachte] of van [medeverdachte 1] . Ook lijkt uit de getuigenverklaringen te volgen dat er in sommige boten migranten zaten uit zowel de loodshelft van verdachte als de loodshelft van [medeverdachte 1] . Daarnaast lijkt er uit de Facebookcontacten tussen verdachte en de gebruiker van het account ‘ [accountnaam 2] ’, waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat de gebruiker daarvan [medeverdachte 1] was, te volgen dat verdachte en [medeverdachte 1] “zakelijke” contacten hadden. Ook het contact over het valse paspoort op naam van verdachte en voorzien van diens foto, dat hij bij zich droeg ten tijde van zijn aanhouding, ziet het Openbaar Ministerie als een aanwijzing voor hun samenwerking. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden weliswaar lijkt te volgen dat er in de ten laste gelegde periode contact en mogelijk enige vorm van samenwerking is geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] , maar dat dit onvoldoende is om wettig en overtuigend bewezen te achten dat [medeverdachte 1] bij het smokkelen van de specifiek in de tenlastelegging genoemde migranten als medepleger betrokken is geweest. Uit de getuigenverklaringen blijkt immers evenzeer dat verdachte, met een groep handlangers, de leiding had over een eigen groep migranten in een afgescheiden deel van de loods. In de getuigenverklaringen maken de migranten nadrukkelijk onderscheid wie bij [verdachte] hoorde en wie bij een andere smokkelaar. De rechtbank overweegt dat het hebben van onderling contact, het maken van een verdeling van de gesmokkelde personen, het onderbrengen van groepen migranten in afgescheiden gedeeltes van dezelfde loods, het nu en dan gebruik maken van dezelfde boten en het mogelijk op enig moment via Facebook communiceren over een vals paspoort voor verdachte, geen handelingen zijn die een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht opleveren om als medepleger te kunnen gelden bij de smokkel van de specifiek in de tenlastelegging genoemde personen. Dat betekent andersom ook dat ten aanzien van migranten die nadrukkelijk verklaren door een ander dan verdachte te zijn gesmokkeld, niet kan worden gezegd dat de verdachte daarbij zonder meer als medepleger betrokken is geweest. - Conclusie ten aanzien van feit 9 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van feit 9, voor de mensensmokkel van de personen in de tenlastelegging aangeduid als ‘ [getuige 8] ’, ‘ [getuige 9] ’, ‘ [getuige 2] ’, ‘ [getuige 1] ’ en ‘ [getuige 10] ’ (respectievelijk genummerd onder 1, 2, 3, 4 en 6), nu deze personen zich niet bevonden in het gedeelte van de loods van verdachte en geen van hen verklaart dat verdachte betrokkenheid (van voldoende gewicht) had bij hun smokkelreis. - Conclusie ten aanzien van feit 10 De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande ook vrijspreken van feit 10, nu alle daarin genoemde migranten evenmin hebben verbleven in het gedeelte van de loods van verdachte en geen van hen verklaart dat verdachte betrokkenheid (van voldoende gewicht) had bij hun smokkelreis. 5.4.2. De bewijsmiddelen 5.4.2.1. Ten aanzien van feit 2: aankomst 12 december 2017 in Augusta In het kader van het Joint Investigation Team (JIT) zijn aan het onderzoeksteam Pearce door de Italiaanse autoriteiten te Palermo verschillende aankomstlijsten verstrekt van migranten die per boot Italië hebben bereikt en waarvan het vermoeden bestond dat zij door verdachte waren gesmokkeld. Eén van deze lijsten betreft de aankomstlijst van 12 december 2017. Op deze lijst staan de nationaliteiten van de vierhonderddrieënvijftig

(453)opvarenden die die dag arriveerden in de haven van Augusta (Sicilië). Uit het reddingsverslag is gebleken dat er op 9 en 10 december 2017 in totaal zeven verschillende reddingsoperaties zijn geweest, waarbij in totaal 453 migranten zijn gered door de schepen die aanwezig waren bij de Libische kust, namelijk: [schip 1] [schip 1] ", [schip 2] , koopvaardijschip " [schip 3] " en [schip 4] . De op zee geredde personen werden vervolgens allen overgebracht op het schip [schip 1] ". Dit schip heeft orders ontvangen om naar de haven van Augusta te varen, waar de migranten op 12 december 2017 om 08:30 uur aan land zijn gebracht. De aankomstlijst is in onderzoek Pearce geanalyseerd en onderzocht op in Nederland verblijvende migranten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de identificatie van drie migranten, te weten: ‘ [getuige 11] ’ geboren op [geboortedatum 2] 1984 en haar twee minderjarige kinderen; ‘ [getuige 12] ’ geboren op [geboortedatum 3] 1982; ‘ [getuige 2] ’ geboren op [geboortedatum 4]
  1. ‘ [getuige 12] ’ heeft tijdens het verhoor van 5 februari 2022 de persoon op het fotoblad met het nummer 18 herkend als verdachte. ‘ [getuige 2] ’ heeft tijdens het verhoor van 16 maart 2022 de persoon op het fotoblad met het nummer 18 herkend als verdachte. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 11] ’ in de tenlastelegging onder feit 2 (met getuigennummer [nummer 8] ) is op 10 september 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Zij heeft verklaard in 2017 in het kamp van verdachte te zijn aangekomen en dat zij hier ongeveer vier maanden heeft verbleven. Zij heeft verklaard ten tijde van het verhoor sinds vier jaar in Nederland te zijn. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige samengevat als volgt verklaard. Na eerst op twee andere locaties in Libië te zijn geweest, arriveerde zij in een kamp waar haar verteld werd dat ze in een loods van verdachte werd ondergebracht. Verdachte heeft de getuige en haar groep persoonlijk ontvangen en zei direct dat de migranten aan hem moesten betalen. Het kamp heette ‘ [plaats 1] ’. Het kamp was groot. Er zaten meer dan 1500 migranten. Verdachte kwam één keer per dag langs in de loods om te kijken hoe het ging, hij had de leiding. Verdachte gaf aanwijzingen aan een aantal mensen die voor hem werkten. De migranten moesten in de rij gaan staan. Ze moesten een bepaald bedrag betalen en daarvoor moesten ze steeds bellen. De mensen die voor verdachte werkten, sloegen hen vervolgens met een waterslang op hun rug. Verdachte gaf hiertoe opdracht. De getuige moest 5.000,00 dollar (hierna aangeduid met: $) betalen voor haar reis inclusief de reis van haar kinderen. Zij is een keer flauwgevallen toen ze werd geslagen met een waterslang door een van de handlangers van verdachte. Ze werden elke dag geslagen tijdens het bellen. Ze willen dat je huilt of schreeuwt terwijl je belt, zodat de familieleden waarmee je belt het kunnen horen en sneller betalen. De getuige heeft ook gezien dat twee migranten die wilden ontsnappen hard met een stok zijn geslagen en zijn overleden. Verdachte heeft hiertoe ook opdracht gegeven. Er was geen medische hulp. Veel migranten waren ziek. Het was een krappe ruimte waardoor migranten tegen elkaar aan sliepen. Er was erg weinig eten. Ze kregen één of twee maaltijden per dag, maar vaak maar één. Ze kregen een klein beetje pasta, maar dat was niet voldoende. Ze konden water uit een jerrycan met een kraan halen wat erg vies was. Er was één toilet voor mannen en één toilet voor vrouwen voor in totaal 1500 migranten. Soms mocht je maar één keer per week douchen. Over de zeereis heeft de getuige samengevat als volgt verklaard. Uiteindelijk is er voor de getuige betaald door haar familie. Ze heeft daarna nog ongeveer twee maanden in het kamp gezeten voor ze de overtocht mocht maken. Op een gegeven moment kregen de getuige en een aantal anderen te horen dat ze mochten vertrekken. Ze zijn in een vrachtwagen gestapt en naar een verlaten huis in aanbouw in de buurt van de kust gegaan, waarna ze weer naar een ander huis zijn gegaan. Het heeft een week geduurd tot ze bij de kust waren. Bij de kust lag de boot al klaar. Dit was een kleine houten boot. De getuige is met haar kinderen in de boot gestapt. Er zaten ongeveer 45 migranten op de boot, zij kwamen allemaal van het kamp van verdachte. Een Arabisch sprekende man bestuurde de boot. Er voer een kleinere boot achter hun boot, waar hun bestuurder na drie uur bij instapte en hen midden op zee achterliet. De volgende dag zijn ze door een Italiaans schip gered. De getuige is bang geweest voor haar leven en dat van haar kinderen. Op de houten boot hebben ze geen reddingsvesten gekregen. De getuige en haar kinderen konden niet zwemmen. Deze verklaring komt overeen met de verklaring die getuige op 7 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 12] ’ in de tenlastelegging onder feit 2 (met getuigennummer [nummer 9] ) is op 2 oktober 2021 en 5 februari 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard in mei 2017 in het kamp van verdachte te zijn aangekomen en dat hij hier ongeveer zeven maanden heeft verbleven. Hij heeft verklaard ten tijde van de verhoren al langere tijd in Nederland te zijn en dat hij liever had gehad dat hij drie jaar eerder was gehoord. Hij heeft in maart 2018 asiel aangevraagd in Nederland. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige als volgt verklaard. Hij is in het kamp van verdachte aangekomen. Dit kamp heette ‘ [plaats 3] ’. Verdachte beheerde een loods of magazijn en had twee handlangers genaamd [naam 7] (fonetisch) en [naam 8] (fonetisch). Bij binnenkomst stelde verdachte zichzelf voor als [verdachte] . Verdachte was de baas. De getuige moest eerst $4.000,00 betalen aan [naam 7] , wat hij heeft gedaan en daarna moest hij een extra $2.000,00 aan verdachte betalen. De omstandigheden in het magazijn waren verschrikkelijk. Hij werd mishandeld. Er werd koud water over hem heen gegooid. Er was nog een handlanger, [naam 9] (fonetisch), die migranten mishandelde en vernederde. [naam 9] werkte voor verdachte en hield bij wie er moest betalen. Toen de getuige voor de tweede keer moest betalen werd hij samen met een groep naar de binnenruimte gebracht. De handlanger van verdachte had een stok bij zich. Hij dwong de migranten familie te bellen en sloeg ze. Verdachte gaf hier opdracht toe. Dit gebeurde elke ochtend. Eén van de handlangers die dit deed was [naam 9] . Als er was betaald, zorgde [naam 9] voor een code waarmee werd gecommuniceerd dat er betaald was. In de zeven maanden in het kamp heeft de getuige amper zonlicht gezien. Hij kreeg enkel twee keer per dag een kleine portie pasta te eten. Ze zaten met meer dan 1000 personen in een loods op het kampterrein. Er waren geen medische voorzieningen. De getuige heeft zwangere vrouwen zien doodgaan tijdens de bevalling. Ook waren er veel migranten ziek. De getuige had open wonden op grote delen van zijn huid, waar bloed en pus uitkwamen. Hij dacht dat hij dood zou gaan. Het was erg vies in het kamp en iedereen had luizen. De getuige had constant jeuk en krabde zichzelf open. Over de zeereis heeft de getuige samengevat als volgt verklaard. Op een gegeven moment, ergens na de betaling, werden de getuige en een aantal anderen in de nacht opgehaald en met een kleine auto richting de kust gebracht. Eerst werden ze naar een huis bij de kust gebracht. Hij is met een groep van 50 personen, die allemaal onder verdachte vielen, naar de kust gebracht. Daar lag een rubberboot klaar. Ze zijn met alle 50 personen op die boot gestapt, waaronder drie vrouwen met kinderen. De boot wankelde. De Libiërs voeren mee met een andere boot en zijn uiteindelijk teruggegaan. De getuige en de groep zijn gered door een Italiaans schip. Ze zijn op 12 december 2017 aangekomen in Italië. De motor van de smokkelboot was defect en daarom sleepten de Libiërs de boot waar de getuige in zat aan een touw mee. Een Libiër bestuurde de boot van de getuige. Ze kregen steeds water in de boot. Ze hebben geen reddingsvesten gekregen van de Libiërs. De rubberboot was volgens de getuige niet zeewaardig en had makkelijk kunnen omslaan. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 2] ’ in de tenlastelegging onder feit 2 (met getuigennummer [nummer 10] ) is op 9 maart 2022, 15 maart 2022 en 16 maart 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij zes maanden in een kamp in [plaats 1] verbleef. Hij heeft in maart 2018 asiel aangevraagd in Nederland. Over het verblijf in het kamp heeft getuige als volgt verklaard. Toen de getuige aankwam in het kamp kreeg hij te horen dat verdachte hun mensensmokkelaar of reisagent was en dat hij aan hem moest betalen. De getuige heeft verdachte meerdere keren gezien. Verdachte had een aantal bewakers die voor hem werkten. Zij kregen opdrachten van verdachte, waaronder het slaan van de migranten in de loods. De migranten moesten per groep naar buiten komen en werden op dezelfde wijze mishandeld en geslagen. De getuige heeft dit zelf ook meegemaakt. Hij werd eerst nat gemaakt met water en daarna hard geslagen. Hij heeft daarvan littekens op zijn benen overgehouden. De migranten in het kamp werden mishandeld, omdat ze nog geen reisgeld hadden betaald. De getuige moest elke dag bellen om het geldbedrag rond te krijgen. Ze werden naar buiten gebracht, moesten in rijen gaan staan en wachten tot men aan de beurt was om te bellen. Als men had betaald mocht men binnen blijven. Hij heeft gezien dat migranten werden geslagen terwijl ze belden. Er moest $2.500,00 voor de getuige betaald worden. De personen die betaald hadden, werden gescheiden van de rest en kregen twee maaltijden per dag, terwijl de anderen maar één maaltijd per dag kregen. De migranten kregen meestal maar één keer per dag in een groepje van acht of tien personen één bord met pasta, vaak zonder saus. Dit was niet voldoende. Er waren onvoldoende sanitaire voorzieningen. Je mocht maar één keer per week douchen. Er was één waterkraan en één emmer in de doucheruimte waar ze met zeven of acht personen tegelijk moesten douchen en kleding wassen. Er zaten ongeveer 1300 migranten in de loods en er waren maar drie toiletten voor de mannen en jongens. Getuige is erg ziek geworden en is na aankomst in Italië geopereerd. Ook heeft hij tuberculose opgelopen en moest hiervoor twee maanden behandeld worden. Hij woog bij aankomst in Italië 30 kilogram, terwijl hij
  2. [nummer 18] meter lang is. Over de zeereis heeft de getuige als volgt verklaard. De getuige mocht plotseling vertrekken. Er stond een groep klaar om te vertrekken. De zieke mensen in het kamp die betaald hadden, mochten met die groep mee, waaronder getuige. Hij werd geroepen door [naam 10] (fonetisch). Dit was een handlanger van verdachte die de migranten liet bellen en daarnaast bewakerswerk verrichtte. Verdachte was degene die bepaalde wie er mochten vertrekken. De getuige werd met een groep van 58 personen in een afgedekte vrachtwagen gestopt. Verdachte was erbij toen dit gebeurde. De reis met de vrachtwagen duurde ongeveer drie dagen. Ze werden naar een huis bij de kust gebracht waar ze ongeveer een week zijn gebleven onder leiding van Arabieren. Vervolgens moesten ze lopen naar de kust. Er lagen twee boten klaar. Ze moesten tot aan hun heupen het water inlopen om in te stappen. Ze gingen met zijn allen in een boot samen met een paar Arabieren. In de andere boot namen een paar andere Arabieren plaats. De boten voeren naast elkaar. Na ongeveer acht uur varen moesten ze stoppen, koppelden de Arabieren de motor van de boot van getuige los en moest de boot verder zonder motor. De Arabieren lieten de boot met migranten midden op zee achter en voeren met hun eigen boot terug. De boot waar de getuige op zat was van hout. Er was geen ruimte voor 58 mensen. Hij kon normaal gesproken zwemmen, maar door zijn slechte gezondheidstoestand zou dit niet gelukt zijn. Ze hadden geen reddingsvesten. Er was geen eten of drinken aan boord. Niemand kon de boot besturen. Als iemand bewoog dreigde de boot te kantelen. Ze moesten erg voorzichtig zijn. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 13] ’ (getuigennummer [nummer 11] ) is op 23 maart 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij is de vader van de getuige hiervoor aangeduid als ‘ [getuige 2] ’ (getuigennummer [nummer 10] ) in de tenlastelegging onder feit
  3. Hij is zelf niet in het kamp van verdachte geweest. Hij heeft verklaard dat hij voor de overtocht van zijn zoon heeft moeten betalen toen zijn zoon in Libië zat. Er moest eerst 75.000 Nakfa (Eritrese valuta) betaald worden. Hij werd elke dag gebeld door mensensmokkelaars om dit te betalen. Hij heeft in totaal twee keer betaald. De tweede keer moest er tussen de 170.000 en 180.000 Nakfa betaald worden. Hij moest geld inzamelen om het bedrag bij elkaar te krijgen en heeft dit uiteindelijk betaald. 5.4.2.
  4. Ten aanzien van de feiten 3 en 4: aankomst 28 december 2017 in Augusta en afpersing Een andere aankomstlijst van migranten die per boot Italië hebben bereikt, die in het kader van het JIT door de Italiaanse autoriteiten te Palermo aan het onderzoeksteam Pearce is verstrekt, betreft de aankomstlijst van 28 december
  5. Op deze lijst staan de namen, met bijbehorende foto's, van driehonderdvijfenzeventig
(375)migranten die die dag arriveerden in de haven van Augusta (Sicilië). Uit het reddingsverslag is gebleken dat er op 26 december 2017 een Search and Rescue operatie is gehouden door de schepen met de namen [schip 5] , [schip 6] en [schip 4] . De [schip 6] heeft op 26 december 2017 om 09:00 uur aan een rubberboot met daarop 121 migranten hulp verleend. De [schip 4] heeft op 26 december 2017 na een zogenoemde “Thuraya-oproep” om 09:05 uur een rubberboot met ongeveer 134 migranten onderschept. De [schip 6] heeft om 15:40 uur aan een rubberboot met daarop 120 migranten hulp verleend. De migranten uit de verschillende schepen zijn allen op het schip [schip 1] " gebracht. De [schip 1] " meerde op 28 december 2017 om 10:30 uur aan in de haven Porto di Augusta, waarna de migranten aan land zijn gebracht. De aankomstlijst is geanalyseerd en onderzocht op in Nederland verblijvende migranten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de identificatie van drie migranten, te weten: ‘ [getuige 5] ’ geboren op [geboortedatum 5] 2002; ‘ [getuige 13] ’ geboren op [geboortedatum 6] 1991 ; ‘ [getuige 9] ’ geboren op [geboortedatum 7]
  1. De getuige ‘ [getuige 5] ’ (getuigennummer [nummer 5] ) heeft tijdens het verhoor van 24 maart 2024 bij de rechter-commissaris de verdachte herkend als de persoon op het fotoblad met nummer
  2. Ook heeft hij voorafgaand aan het verhoor van 29 juli 2020 een foto van een man, waarvan de getuige zegt dat het verdachte is, via WhatsApp aan de Koninklijke Marechaussee gestuurd. De getuige ‘ [getuige 6] ’ (getuigennummer [nummer 6] ), de zus van ‘ [getuige 5] ’, heeft tijdens het verhoor van 27 juli 2024 verklaard dat haar broer haar een keer een foto van verdachte heeft laten zien, waarop verdachte een wapen en veel munitie in patroongordels droeg. Op 28 juli 2020 heeft zij een foto naar verbalisant Boon gestuurd waarop verdachte omhangen met patroongordels en een wapen te zien is. De getuige ‘ [getuige 13] ’ (getuigennummer [nummer 12] ) heeft tijdens het verhoor van 28 december 2021 verdachte herkend als de persoon die te zien is op een foto onder bijlage
  3. Dit betreft de foto van de verdachte gemaakt na zijn aanhouding op een politiebureau in Ethiopië in
  4. De getuige ‘ [getuige 9] ’ (getuigennummer [nummer 13] ) heeft tijdens het verhoor van 28 februari 2022 de persoon op een fotoblad met het nummer 18 herkend als verdachte. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 5] ’ (met getuigennummer [nummer 5] ) in de tenlastelegging onder feit 3 en feit 4 is op 27 juli 2020 en 29 juli 2020 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard in 2017 in het kamp van verdachte te zijn aangekomen en dat hij hier meer dan een jaar heeft gezeten. Hij is na de aankomst in Italië op 1 januari 2018 doorgereisd met Nederland als doel. Hij is van Italië naar Frankrijk gereisd, waarna hij is doorgereisd naar België en vervolgens naar Nederland. Uit het uittreksel BRP blijkt dat hij in ieder geval sinds 26 september 2018 in Nederland is ingeschreven. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige als volgt verklaard. Hij is tijdens zijn reis van Soedan naar Libië op een gegeven moment in Soedan gegijzeld en naar een kamp in Libië gebracht. Eenmaal in dat kamp werd de getuige verteld dat hij bij verdachte terecht was gekomen, dat verdachte degene was die hen gegijzeld had en dat de getuige nu onder verdachte viel. Hij werd ondergebracht in een loods. In de loods zaten ongeveer 1000 migranten. Zij vielen allemaal onder verdachte. De getuige heeft meer dan een jaar in het kamp van verdachte verbleven. Hij was telkens op één locatie. Hij heeft verdachte ongeveer drie keer gezien. Verdachte selecteerde een aantal personen om te werken in het kamp en als beloning mochten die mensen gratis de overtocht naar Europa maken. De getuige kent drie van die handlangers bij naam. Dit zijn [naam 9] (fonetisch), [naam 11] (fonetisch) en [naam 10] (fonetisch). De handlangers mishandelden de migranten in het kamp in opdracht van verdachte. Het kamp van verdachte waar de getuige verbleef heette ‘ [plaats 1] ’. De handlangers van verdachte werden ‘kapo’s’ genoemd. De getuige is geslagen door deze handlangers, waaronder [naam 11] , [naam 10] en [naam 9] . De handlangers sloegen soms ook met een zweep; een soort elektrische band of kabel. Ze sloegen meestal op de rug. De getuige werd in [plaats 1] heel hard geslagen, mishandeld en kreeg koud water over zich heen. Hij werd geslagen, omdat verdachte wilde dat hij ging betalen voor de overtocht naar Europa. Verdachte heeft bij hun aankomst in [plaats 1] gezegd dat ze moesten betalen en dat ze anders het kamp niet mochten verlaten. Na betaling mochten ze doorreizen. De handlangers kregen opdracht van verdachte de migranten te mishandelen. Hij is veel geslagen zodat hij ging betalen. Hij is een keer ongeveer vijftien minuten lang met volle kracht met een elektrische slang geslagen toen hij vroeg om wat extra eten. De getuige heeft gezien dat migranten in het kamp zijn overleden door verhongering of tijdens een bevalling. Hij heeft dit acht of negen keer zien gebeuren. Verdachte was de opdrachtgever voor wat er moest gebeuren in de loods. De migranten zaten erg dicht op elkaar in de loods. De migranten in de loods kregen erg weinig te eten. Ze kregen één keer per dag twee of drie lepels pasta en op zondag een stukje brood erbij. Er heerste veel ziekte in de loods. De zieke migranten kregen geen medicatie en onvoldoende behandeling. Er waren weinig sanitaire voorzieningen; er waren drie toiletten en drie douches voor 1000 migranten. De sanitaire voorzieningen werden niet of onvoldoende schoongemaakt. Over de afpersing heeft de getuige als volgt verklaard. De handlangers van verdachte mishandelden de migranten in het kamp, om ze te dwingen voor de overtocht naar Europa te betalen. Terwijl de migranten naar hun familie belden werden ze hard geslagen, zodat de familieleden aan de telefoon dit konden horen en zo aangespoord werden te betalen. De getuige moest 3.500,00 (de rechtbank begrijpt $) betalen voor de overtocht. Hij heeft familieleden benaderd om dit geld bij elkaar te krijgen. Zijn vader heeft familie in Israël benaderd om geld te verzamelen en heeft hiermee de overtocht bekostigd. Terwijl hij zijn familieleden belde werd hij geslagen en mishandeld door de handlangers van verdachte. Zij pakten de telefoon van hem af en zeiden dan tegen de familie dat ze het geld moesten betalen. Er werd een code afgesproken waarmee kon worden aangetoond dat het bedrag voldaan was. Over de zeereis heeft de getuige als volgt verklaard. Na de betaling moest hij twee tot drie maanden wachten tot hij met een vrachtwagen naar de kust werd gebracht. Toen de getuige vanuit [plaats 1] naar de vrachtwagen werd gebracht, was verdachte in persoon aanwezig. Er zaten ongeveer zestig migranten in de vrachtwagen. De reis naar de kust heeft ongeveer een week geduurd. Onderweg zijn ze bij meerdere huizen gestopt om te rusten. Sommige dagen kregen ze geen eten. De rubberboten waren al klaargemaakt toen de getuige aankwam bij de kust. De rubberboot was niet zeewaardig en kon makkelijk lek raken. Ze zaten met zestig personen op één boot, terwijl de boot geschikt leek voor ongeveer dertig personen. Ze moesten erg dicht op elkaar zitten. Niemand kreeg een reddingsvest. De getuige kon niet zwemmen. De Libiërs hebben hen tot een bepaalde afstand op zee gebracht, waarna de Libiërs met een andere boot zijn teruggegaan. Hierna bestuurde niemand de boot meer. In december 2017 is hij met de tocht begonnen en hij is op 1 januari 2018 op Sicilië aangekomen. Hij is midden op zee opgepikt en naar Augusta op Sicilië gebracht. Deze verklaringen komen overeen met de verklaring die de getuige op 20 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De getuige heeft bij de rechter-commissaris nog nader uitgelegd dat hij niet meer wist welke familieleden hij heeft gebeld vanuit het kamp. Hij heeft vier of vijf telefoonnummers van familieleden aan de handlangers van verdachte doorgegeven. Eenmaal in Nederland hoorde hij dat hij zijn zus [getuige 6] ook heeft gebeld. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 6] ’ in de tenlastelegging onder feit 4 (getuigennummer [nummer 6] ) is op 27 juli 2020 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Zij is de zus van getuige ‘ [getuige 5] ’ met getuigennummer [nummer 5] . De getuige [getuige 6] heeft niet in het kamp van verdachte verbleven, maar was woonachtig in Nederland toen haar minderjarige broer in het kamp verbleef. Haar broer ‘ [getuige 5] ’ heeft de getuige gebeld. Hij moest twee keer geld betalen aan de smokkelaar waar hij verbleef. ‘ [getuige 5] ’ werd hard geslagen terwijl hij haar belde. De getuige hoorde hem schreeuwen aan de telefoon, waarna er werd opgehangen. Hij zei tegen haar dat hij in Libië zat, werd gemarteld en dat ze moest betalen. De getuige heeft dit aan haar ouders verteld. Haar broer vertelde ook dat hij met de dood werd bedreigd en dat er zo snel mogelijk betaald moest worden. Als er werd betaald mocht ‘ [getuige 5] ’ pas doorreizen en de zee oversteken. Er moest $4.000,00 overgemaakt worden. De getuige had onvoldoende middelen om het bedrag te kunnen betalen. Haar ouders hebben uiteindelijk geregeld dat er werd betaald. Nog voordat haar broer een poging deed voor de oversteek, werd de getuige gebeld dat er nog een keer betaald moest worden. Wederom hebben haar ouders ervoor gezorgd dat er betaald werd. Uiteindelijk is er in totaal $8.000,00 of $9.000,00 betaald. Na betaling heeft haar broer de overtocht gemaakt. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 13] ’ in de tenlastelegging onder feit 3 (getuigennummer [nummer 12] ) is op 23 november 2021, 7 december 2021, 8 december 2021 en 28 december 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij in 2017 ongeveer een maand in het kamp van verdachte heeft verbleven. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2018 in Nederland is aangekomen. Hij is vanuit Italië met de trein naar Frankrijk gereisd, waarna hij is doorgereisd naar Nederland. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige als volgt verklaard. Het kamp waar de getuige verbleef heette ‘ [plaats 1] ’. Op het kampterrein in [plaats 1] zaten meerdere smokkelaars, waaronder verdachte. De getuige viel onder verdachte. Toen de getuige aankwam in het kamp, kreeg hij direct van verdachte te horen dat hij aan hem moest betalen. Hij moest $3.600,00 betalen. De smokkelaars hadden ‘kapo’s’ die als een soort handlangers voor hen werkten. Dit waren migranten die de overtocht niet konden betalen en daarom werk voor de smokkelaars verrichtten. Zij kregen opdrachten van verdachte die zij moesten uitvoeren. De getuige kent vier handlangers (fonetisch) bij naam: [naam 10] , [naam 12] , [naam 13] en [naam 14] . Als zij iets wilden afdwingen sloegen ze de migranten. De getuige heeft gezien en gehoord dat [naam 10] migranten sloeg met een waterslang in opdracht van verdachte en water over ze goot voordat ze werden geslagen. Alles om te bereiken dat ze zouden betalen. De migranten die betaald hadden, werden niet meer geslagen. De migranten werden vooral geslagen als ze naar hun familieleden belden voor betaling van de overtocht. Ze schreeuwden van de pijn terwijl ze aan het bellen waren. De getuige is een keer door [naam 14] geslagen toen hij naar het toilet wilde. Regelmatig werden migranten ook zo maar geslagen. [naam 14] sloeg hem met een waterslang op zijn ogen, waardoor hij een tijdje met een dik oog heeft gelopen. Hij is ook een keer door verdachte zelf geslagen. Verdachte zei dat iedereen moest gaan zitten, maar de getuige had dit niet gehoord en stond op. Verdachte sloeg hem toen op zijn rug met een waterslang. De migranten die nog niet hadden betaald voor de overtocht moesten soms uren achter elkaar in de rij gaan staan om familieleden te bellen voor de betaling. De getuige heeft zijn tante gebeld en toen is er betaald. Zijn nichtje in Soedan heeft dit geregeld. Als de betaling eenmaal was afgerond kreeg je een code van je familie die je moest doorgeven aan de smokkelaars of kapo’s. Hij moest een ‘ [getuige 3] ’ doorgeven als code. De migranten kregen twee keer op een dag pasta te eten. Ze kregen te weinig te eten en soms werd een maaltijd overgeslagen. Verdachte bepaalde of en wanneer ze te eten kregen. Het was erg onhygiënisch in het kamp. Mensen zaten erg dicht op elkaar en je mocht soms maar eens in de drie of vier dagen douchen. Onder de migranten heersten tuberculose, schurft en luizen. Er zijn ook migranten gestorven in het kamp nadat ze erg ziek zijn geworden. Over de zeereis heeft getuige als volgt verklaard. Als er was betaald mocht je richting de zee vertrekken. Je naam werd genoemd en iets later mocht je vertrekken. Verdachte vertelde dit samen met nog iemand. Ook mochten een aantal handlangers van verdachte vertrekken die lang genoeg gewerkt hadden in het kamp. De getuige vertrok met een grote vrachtwagen. Toen ze instapten zei verdachte dat ze zoveel mogelijk aan de binnenkant van de vrachtwagen moesten gaan zitten, zodat de vrachtwagen leeg zou ogen. De groep werd eerst naar een groot huis gebracht. Vanuit dat huis zijn ze naar een magazijn in de buurt van Tripoli gereden en vervolgens met auto’s naar de kust gebracht. De getuige werd met een groep van in totaal 117 reizigers naar de kust gebracht. Eenmaal bij de kust stonden er drie Libiërs klaar met een rubberboot bij de zee. De boot was niet groot. Ze zijn met de hele groep op één boot gestapt samen met één van de Libiërs. De andere twee Libiërs zaten op een andere boot. De boot met migranten werd tot midden op zee getrokken door die boot, waarna ze zijn losgemaakt. De Libiër uit hun boot is op de andere boot gestapt en heeft de boot, waarop de getuige zich bevond, achtergelaten. De migranten op de boot moesten voorzichtig doen, omdat de boot anders misschien zou kapseizen. Er was gevaar, want er kwam water de boot in. Ze hadden het koud. De migranten waren bang. De getuige kon niet zwemmen. Ze hebben geen reddingsvesten of andere attributen gekregen voor de oversteek. Ze hebben ongeveer drie uur op zee gedobberd voordat ze gered werden. Verdachte regelde volgens de getuige alles en gaf ook aanwijzingen, terwijl zij bij de kust waren. Deze verklaringen komen overeen met de verklaring die deze getuige op 17 mei 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 9] ’ in de tenlastelegging onder feit 3 (getuigennummer [nummer 13] ) is op 31 januari 2022, 21 februari 2022 en 28 februari 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij in 2017 ongeveer zeven maanden in de loods van verdachte heeft verbleven. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2018 in Nederland is aangekomen. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige als volgt verklaard. Hij is tijdens zijn reis op een gegeven moment gegijzeld en naar het kamp ‘ [plaats 2] ’ gebracht. Het was een grote locatie met een omheining. Hij werd in het kamp van verdachte geplaatst. Verdachte had een aantal handlangers in het kamp, ook wel ‘kapo’s’ genoemd. De getuige kent drie namen van handlangers, namelijk [naam 15] , [naam 10] en [naam 9] . Zij kregen verschillende taken van verdachte. Zo kregen [naam 15] en [naam 10] de opdracht om migranten te mishandelen en [naam 9] de opdracht om de namen te noteren van wie er wel en niet betaald hadden. Na twee weken in het kamp van verdachte verbleven te hebben, kreeg de getuige te horen dat hij $7.500,00 moest betalen. Er werd telkens een groep naar de binnenruimte geroepen die moesten bellen naar familie. Terwijl zij belden werden ze geslagen. Als je het geld had betaald, kreeg je rust. Zolang je niet had betaald werd je elke dag naar buiten gehaald en mishandeld. De getuige is hard geslagen en geschopt door de handlangers, waaronder [naam 10] . Hierdoor had hij veel last van zijn ribben en zijn de ribben scheef gaan staan. Hij moest gedurende vijf maanden elke dag bellen. De getuige heeft uiteindelijk $5.500,00 aan verdachte betaald via familieleden. Er werd na betaling een code verstrekt waarmee aangetoond kon worden dat er was betaald. Er zaten meer dan 1000 migranten in de loods van verdachte. Er was erg weinig ruimte, waardoor de getuige slecht kon slapen. Het tapijt waar ze op sliepen was erg vies en vol met vlooien. Getuige heeft schurft opgelopen door de onhygiënische situatie. Er waren in totaal vijf toiletten. De getuige mocht één of twee keer per week douchen. Hij heeft dorst en honger geleden. Er was onvoldoende drinkwater en te weinig te eten. Je kreeg twee keer op een dag een beetje macaroni. Verdachte gaf de werknemers opdrachten de migranten te mishandelen en bepaalde tevens dat ze niet naar buiten mochten wanneer er niet werd betaald. Over de zeereis heeft de getuige “ [getuige 9] ” als volgt verklaard. Na betaling werd op een dag door [naam 9] een lijst namen afgeroepen, waaronder die van de getuige. Het was een groep van ongeveer 56 migranten die naar buiten moest, waar verdachte stond te wachten. Ze moesten met de hele groep in één gesloten vrachtwagen stappen. Ze zijn naar een huis dichtbij de kust gebracht waar ze elf of twaalf dagen moesten wachten tot ze lopend naar de kust mochten vertrekken. Eenmaal bij de kust stonden er drie Libiërs met een boot klaar. Het was een houten vissersboot. Er waren ongeveer twaalf mensen die konden zwemmen. Zij moesten de migranten die niet konden zwemmen, op de boot helpen. De getuige werd zelfs nog geslagen terwijl hij mensen hielp. Eén van de Libiërs bestuurde hun boot, terwijl de andere twee in een motorboot ernaast voeren. Na drie uur varen, zagen ze in de verte een groot schip. De Libiërs hebben toen de motor van de houten boot afgehaald, de houten boot met een touw met daaraan een baksteen vastgelegd aan de zeebodem en zijn teruggekeerd met hun eigen boot. De houten boot was niet geschikt voor de zeereis. De boot lekte en ze kregen drie emmers mee om onderweg het water eruit te scheppen. De boot was te klein voor 56 personen. Als iemand te veel bewoog dreigde de boot te kantelen. Er is ook iemand uit de boot gevallen, maar die hebben ze kunnen redden. Er zaten veel migranten op de boot die niet konden zwemmen. De zeereis was angstaanjagend. Deze verklaringen komen overeen met de verklaring die deze getuige op 23 oktober 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. 5.4.2.
  5. Ten aanzien van de feiten 5 en 6: aankomst op 24 april 2018 in Messina en afpersing Een andere aankomstlijst van migranten die per boot Italië hebben bereikt, die in het kader van het JIT door de Italiaanse autoriteiten te Palermo aan het onderzoeksteam Pearce is verstrekt, betreft de aankomstlijst op 24 april
  6. Op deze lijst staan de namen, met bijbehorende foto’s, van vijfennegentig
(95)migranten die op die dag arriveerden in Messina (Italië). Uit het reddingsverslag is gebleken dat er op 21 april 2018 een reddingsoperatie plaatsvond op de Middellandse Zee. Op 21 april 2018 om ongeveer 15:17 uur is het schip [schip 7] 3 naar een locatie gevaren waar een vaartuig in problemen was gesignaleerd. Het bleek om een overvol vaartuig te gaan en niemand was uitgerust met een reddingsvest. Bij het zien van het schip ONG riepen veel opvarenden om hulp en het vaartuig hield zich met moeite drijvend. Het betrof een blauwe rubberboot van ongeveer 10 à 12 meter. Het merendeel van de migranten gaf aan de Eritrese nationaliteit te hebben. De aankomstlijst is in onderzoek Pearce geanalyseerd en onderzocht op in Nederland verblijvende migranten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de identificatie van vier migranten, te weten:
  1. [getuige 14] ’ (getuige [nummer 14] ), geboren op [geboortedatum 8] 2000, vrouw;
  2. ‘ [getuige 7] ’ (getuige [nummer 7] ), geboren op [geboortedatum 9] 1994, man;
  3. ‘ [getuige 13] ’ (getuige [nummer 15] ), geboren op [geboortedatum 10] 1994, man;
  4. ‘ [getuige 12] ’ (getuige [nummer 16] ), geboren op [geboortedatum 11] 1990, man. De eerste persoon aangeduid als ‘ [getuige 14] ’ in de tenlastelegging onder feit 5 (getuigennummer [nummer 14] ) is op 10 december 2020, 14 december 2020, 21 december 2020, 10 februari 2021 en 9 juli 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee en op 21 maart 2024 door de rechter-commissaris in strafzaken. Zij heeft verklaard dat zij van eind juli 2017 tot maart 2018 in een loods van verdachte in [plaats 1] heeft gezeten. Ze heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij in oktober 2018 in Nederland is aangekomen. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Getuige kwam in een groep van ongeveer 80 migranten in het kamp van verdachte terecht. De migranten werden in dit kamp met stokken en waterslangen geslagen door verdachte en zijn handlangers en met water besproeid. De handlangers van verdachte heetten [naam 10] , [naam 16] , [naam 17] en [naam 18] . De migranten in het kamp werden constant gedwongen om familieleden te bellen om geld te regelen voor hun reis. Zij werden geslagen en gemarteld zodat er betaald zou worden. Verdachte gaf zijn handlangers daartoe opdracht. Er is uiteindelijk door een neef $3.000,00 betaald aan verdachte. Nadat er betaald was voor de getuige, kreeg zij een code. [naam 18] was verantwoordelijk voor het beheer van de codes. De getuige werd niet alleen door de handlangers geslagen, maar ze werd ook vaak door verdachte zelf geslagen. Zij werd op een dag heel erg geslagen door verdachte omdat ze niet dicht genoeg op haar buurvrouw zat. Hij sloeg haar vier keer met een waterslang. De slang kwam terecht rond haar kaken, waardoor ze veel last had van haar kiezen en van bloedend tandvlees. De migranten in het kamp kregen onvoldoende eten. Het was er heel vies, er was niet voldoende water, er waren onvoldoende wc’s aanwezig en er was geen medische zorg. De getuige heeft het kamp herkend op een foto die haar getoond werd tijdens het verhoor. Over de zeereis heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Zij werd door Libiërs naar de kust gebracht, waar de rubberboot werd klaargemaakt. Na een maand aan de kust te hebben gezeten, vertrok zij met een groep van 98 personen in een rubberboot richting Italië. Deze boot was geschikt voor [nummer 18] personen en niet zeewaardig. Doordat er een gat in de boot zat, kwam er water in de boot. Een medepassagier had de leiding op de boot. Deze medepassagier had slechts een kompas meegekregen om te weten welke koers gevaren moest worden. Ze kregen wel een reddingsvest, maar getuige voelde toen ze aan het zwemmen was dat haar lichaam ondanks het reddingsvest naar beneden zakte en het vest juist naar boven ging. Tijdens de bootreis hadden ze een telefoon, waarmee ze verdachte belden. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die getuige op 21 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De tweede persoon aangeduid als ‘ [getuige 7] ’ in de tenlastelegging onder feit 5 (getuigennummer [nummer 7] ) is op 29 maart 2021 en 6 april 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij vanaf november 2017 ongeveer zes maanden in het kamp van verdachte in [plaats 1] heeft verbleven. Getuige is via Italië in Nederland aangekomen. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Hij en de andere vluchtelingen werden elke dag geslagen met een houten stok of een plastic waterslang door handlangers van verdachte. Verder moesten ze over de grond rollen terwijl er water op hen werd gegooid. De getuige heeft verklaard dat hij heel vaak geslagen is, en dat er smoesjes werden gezocht om te slaan, bijvoorbeeld als iemand toevallig opstond. Verder werd hij vaak geslagen tijdens het bellen met familieleden. De handlangers van verdachte gaven aan dat zij niet vrijwillig sloegen, maar dit moesten doen van verdachte. De getuige en de andere migranten in het kamp kregen niet voldoende eten en er was weinig water. Bovendien was het water van slechte kwaliteit. De toiletten waren in hele slechte staat en er was geen medische zorg in de loods. De familie van de getuige heeft $5.500,00 moeten betalen aan verdachte zodat de getuige de overtocht kon maken naar Italië. Over het aan hem toegebrachte letsel heeft de getuige onder meer verklaard dat hij aan de mishandelingen door de handlangers van verdachte een litteken op zijn handen en een litteken op zijn bovenbenen heeft overgehouden. Hij heeft verklaard dat het litteken op zijn handen ontstaan is omdat hij met een houten stok op zijn handen werd geslagen. Over de zeereis heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Nadat er betaald was voor hem, werd hij naar een kamp gebracht in de buurt van de kust. Hij heeft hier ongeveer twee maanden verbleven. Het kamp werd gerund en bewaakt door Libiërs en er zaten ongeveer 700 migranten in dit kamp. Ook hier werden de migranten geslagen. Op een gegeven moment moesten ze naar de kust lopen en met 90 personen in een rubberboot stappen. De rubberboot werd bestuurd door een Afrikaan. Ze hadden wel zwemvesten, maar de getuige weet niet of het goede zwemvesten waren. Ze zijn vanuit Libië richting Italië gevaren. Op 24 april 2018 zijn ze gered door een Italiaanse reddingsboot en naar Italië gebracht. Over de afpersing heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. De migranten in het kamp moesten uren in de rij staan om te bellen met familieleden zodat zij zouden betalen aan verdachte. Als ze weigerden te bellen werden ze geslagen. De getuige belde naar zijn broer in Nederland en smeekte zijn broer of hij het geld voor hem kon regelen. Hij werd geslagen terwijl hij met zijn broer aan het bellen was. Soms pakten de handlangers van verdachte de telefoon af en zeiden tegen zijn broer dat de getuige vermoord zou worden als er niet betaald werd. Twee of drie maanden nadat voor hem betaald was, mocht de getuige vertrekken naar de kust. Op 8 november 2023 is de broer van ‘ [getuige 7] ’, de getuige ‘ [getuige 3] ’, voorzien van getuigennummer [nummer 17] , gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Deze getuige heeft verklaard dat hij twee keer telefonisch contact had met zijn broer toen zijn broer in het kamp van verdachte zat en dat zijn broer hem vertelde dat hij mishandeld werd. Toen de getuige zijn broer aan de telefoon had, hoorde hij op de achtergrond veel mensen schreeuwen en huilen. De getuige bevond zich in Nederland toen hij telefonisch contact had met zijn broer. Zijn broer zei hem dat hij ontvoerd was en dat er $5.000,00 voor hem moest worden betaald. De getuige heeft contact opgenomen met twee ooms die woonachtig waren in Israël en één van deze ooms heeft via dorpsgenoten het geld bij elkaar kunnen krijgen, waarna is betaald. De derde persoon aangeduid als ‘ [getuige 13] ’ in de tenlastelegging onder feit 5 (met getuigennummer [nummer 15] ) is op 9 maart 2021, 1 april 2021, 12 april 2021 en 10 mei 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee en op 12 maart 2024 door de rechter-commissaris in strafzaken. Hij heeft verklaard dat hij negen maanden tot een jaar in het kamp van verdachte in [plaats 1] heeft verbleven. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2018 naar Nederland is gekomen. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Hij en de andere migranten werden elke dag geslagen met een waterslang door de handlangers van verdachte. Ze sloegen in opdracht van verdachte. Een van de handlangers die sloeg heette [naam 19] . Ze kregen onvoldoende eten en onvoldoende water. Zo kregen ze maar drie hapjes macaroni per persoon per dag. Er waren slechts drie toiletten voor 1600 migranten en er was geen medische zorg. Het kamp werd bewaakt door Libische bewakers. De migranten in het kamp moesten bellen naar familieleden om geld te regelen. Verdachte en zijn handlangers vertelden dat het geld via hawala bankieren moest worden betaald. De getuige heeft gebeld naar zijn broer omdat hij aan verdachte $5.500,00 moest betalen voor de reis van Libië naar Italië. Hij heeft aan de telefoon tegen zijn broer gezegd dat hij werd geslagen en mishandeld en hij heeft gevraagd het geld over te maken. Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Hij werd, nadat het geld betaald was, met een soort vrachtwagen naar de kust gebracht, waar hij twee tot drie maanden heeft gewacht op een plek met 700 personen. Hij is in april 2018 met 95 migranten aan boord van een rubberboot gestapt, die bestuurd werd door een Afrikaanse man die ook de oversteek wilde maken naar Italië. Ze hadden alleen een zwemvest gekregen. Na een tijd varen ging het stuur van de boot kapot. Op een gegeven moment werden ze gered door een Italiaanse boot. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 12 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De halfbroer van ‘ [getuige 13] ’, met getuigennummer [nummer 18] , is op 28 april 2021 en op 8 mei 2021 gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Deze getuige heeft onder meer verklaard dat ‘ [getuige 13] ’ ongeveer zes maanden in de loods van verdachte heeft gezeten en dat de schoonvader van ‘ [getuige 13] ’ vanuit Libië werd gebeld door een handlanger van verdachte met de mededeling dat er $5.500,00 betaald moest worden. De schoonvader van ‘ [getuige 13] ’ heeft samen met deze getuige het geld verzameld en in Israël overgedragen. De vierde persoon aangeduid als ‘ [getuige 12] ’ in de tenlastelegging onder feit 5 (met getuigennummer [nummer 16] ) is op 17 februari 2021, 24 februari 2021, 20 april 2021, 21 mei 2021, 25 juni 2021 en 15 maart 2023 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij van september 2017 tot januari 2018 in het kamp van verdachte in [plaats 1] verbleef. De getuige is via Italië, Frankrijk en België in Nederland aangekomen. Uit het uittreksel BRP blijkt dat hij in ieder geval sinds 10 november 2020 in Nederland is ingeschreven. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Als migranten het reisgeld niet konden betalen werden ze mishandeld door handlangers van verdachte in diens opdracht. Verdachte wilde dat de getuige $1.600,00 zou betalen voor de zeereis, maar nadat de getuige aangaf daartoe niet de middelen te hebben, zei verdachte dat hij dan $1.300,00 moest betalen. De getuige heeft zijn broer gebeld in Soedan en die heeft vervolgens $1.300,00 voor hem betaald. [naam 20] was een medewerker van verdachte die heel veel misdrijven heeft gepleegd in de loods. In het begin was zijn rol het mishandelen van migranten. Later ging hij de codes beheren en bijhouden of migranten betaald hadden. Een handlanger genaamd [naam 21] sloeg migranten in het kamp met een stok. Er waren twee tot drie toiletten voor 800 migranten en de wc’s waren steeds verstopt. De migranten konden één keer per week douchen. Ze kregen niet fatsoenlijk te eten, waardoor ze een tekort hadden aan vitaminen en proteïne. Over de zeereis heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Eind december 2017 of begin januari 2018 ging hij met andere migranten richting de kust. Na enkele maanden werd hij naar een boot gebracht. Een Libiër die bij hen in de boot zat, ging met hen varen tot ongeveer 200 à 300 meter in de zee. Die is vervolgens van de boot gesprongen en terug gezwommen naar de kust. Op een gegeven moment werden ze opgepikt door een Duitse boot. Ze moesten toen de reddingsvesten die ze aan hadden weggooien en ze kregen andere reddingsvesten van de Duitsers. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die deze getuige op 13 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. 5.4.2.
  5. Ten aanzien van feit 7: aankomst op 1 augustus 2015 in Lampedusa Een andere aankomstlijst van migranten die per boot Italië hebben bereikt, die in het kader van het JIT aan het onderzoeksteam Pearce door de Italiaanse autoriteiten te Palermo is verstrekt, betreft de aankomstlijst van 1 augustus
  6. Op deze lijst staan de namen, met bijbehorende foto’s, van migranten die op die dag arriveerden in Lampedusa (Italië). De aankomstlijst is in onderzoek Pearce geanalyseerd en onderzocht op in Nederland verblijvende migranten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de identificatie van vijf migranten, te weten:
  7. [getuige 12] ’ (getuige [nummer 19] ), vrouw, geboren op [geboortedatum 12] 1992;
  8. ‘ [getuige 9] ’ (getuige [nummer 20] ), man, geboren op [geboortedatum 13] 1991;
  9. ‘ [getuige 15] ’ (getuige [nummer 21] ), man, geboren op [geboortedatum 14] 1989;
  10. ‘ [getuige 13] ’ (getuige [nummer 22] ), man, geboren op [geboortedatum 15] 1987;
  11. ‘ [getuige 1] ’ (getuige [nummer 1] ), man, geboren op [geboortedatum 16]
  12. Naar aanleiding van het verhoor van de getuige ‘ [getuige 1] ’ is de getuige ‘ [getuige 2] ’ geïdentificeerd als medereiziger van deze overtocht. Nadien is ‘ [getuige 2] ’ als zesde persoon aan de tenlastelegging toegevoegd, als de persoon aangeduid als:
  13. ‘ [getuige 2] ’ (getuige [nummer 2] ), man, geboren op [geboortedatum 17]
  14. ‘ [getuige 12] ’ heeft tijdens zijn getuigenverhoor op 15 december 2021 verdachte herkend als de persoon op het fotoblad met het nummer
  15. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 12] ’ in de tenlastelegging onder feit 7 (getuigennummer [nummer 19] ) is op 10 november 2021, 29 november 2021, 13 december 2021 en 15 december 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee en op 9 januari 2025 door de rechter-commissaris in strafzaken. De getuige heeft verklaard dat zij ongeveer twee weken in het kamp van verdachte in de buurt van Tripoli heeft verbleven. Ze heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij eind augustus 2015 in Nederland is gekomen. Over het verblijf in het kamp heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. In het kamp van verdachte waren Eritrese en Libische bewakers die sloegen de migranten met een houten stok. Zij heeft drie tot vier keer gezien dat er migranten werden geslagen. De migranten die er al lang zaten en niet betaald hadden, vertelden haar dat zij werden geslagen door de bewakers en door verdachte. De man van de getuige heeft naar zijn neef in Israël gebeld, die vervolgens $1.800,00 per persoon heeft betaald voor de zeereis van haar en haar man. De getuige kreeg niet genoeg voedsel, er waren maar drie of vier wc’s, ze mocht maar één keer douchen in de twee weken dat ze in het kamp was en er was geen medische zorg op het terrein. Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Na twee weken in het kamp van verdachte te hebben gezeten, noemde een handlanger van verdachte de namen op van de migranten die mochten vertrekken naar zee. Verdachte stond erbij en keek toe of alles goed verliep. De groep met de getuige werd vervolgens met een vrachtwagen richting een locatie bij de zee vervoerd. Na drie dagen werden ze in de nacht met meer dan 100 migranten naar de zee gebracht en stapten ze in een houten boot. Een Eritrese man heeft hen begeleid naar de zee, maar is niet met hen op de boot gegaan. Na een tijdje varen ging de motor kapot. Het schip dat met hen vertrok liet hen vervolgens achter. Er was geen eten en drinken aan boord en ze hadden geen reddingsvesten. Op een gegeven moment werden ze gered door een Italiaans schip. Ze kwamen in augustus 2015 aan in Italië. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 9 januari 2025 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 9] ’ in de tenlastelegging onder feit 7 (getuigennummer [nummer 20] ) is op 26 november 2021, 3 december 2021 en 4 januari 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij een tot twee weken of iets meer dan een maand in het kamp van verdachte in Tripoli heeft gezeten. Hij heeft verklaard dat hij op 9 september 2015 in Ter Apel is aangekomen. Over het verblijf in het kamp en het aan hem toegebrachte letsel heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. In het kamp kregen de migranten weinig eten. Ze kregen gedroogd brood met tomatensaus, met heel veel water. In de loods kreeg de getuige op een gegeven moment van een bewaker van achteren een klap op zijn hoofd. Nadat de getuige hier iets van zei, moest hij van verdachte op de grond gaan liggen en werd hij door verdachte geslagen met een dikke stok. Daarnaast kreeg hij zweepslagen van hem en moest hij over de grond rollen. Verdachte sloeg met heel veel kracht. De getuige had veel bloed verloren, maar kreeg geen medische behandeling. Hij heeft een litteken eraan overgehouden op zijn achterhoofd. Hij heeft ook een litteken op zijn kuit, omdat de randen van de stok waarmee verdachte sloeg heel scherp waren. Nadat de getuige aan verdachte vroeg waarom hij hem sloeg, kreeg hij weer een klap op zijn hoofd. Verdachte sloeg en mishandelde meer migranten in de loods. In de loods werden veel Eritreeërs geslagen en mishandeld. Bewakers sloegen migranten met een stok. Verdachte verplichtte migranten om geld over te maken om de overtocht te kunnen maken. De getuige moest $2.000,00 betalen om naar de kust te mogen vertrekken. Het reisgeld van de getuige werd door een vriend in Israël betaald, waar de getuige een bepaald bedrag had achtergelaten. Verdachte had aan de vriend van de getuige informatie gegeven hoe het geld betaald moest worden. Zijn vriend heeft het geld betaald aan een vertegenwoordiger van verdachte. Na enkele dagen kreeg de getuige te horen dat het geld betaald was en kreeg hij een code met 4 cijfers, waarmee de betaling werd bevestigd. De getuige en de andere migranten mochten in de loods van verdachte maar één keer per week douchen. Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Nadat hij het bedrag had betaald, werd hij naar de kust gebracht. De weg van de hal naar de kust was heel eng en gevaarlijk. Ze werden vervoerd in een overdekte ruimte van een vrachtwagen. Omdat het daar heel benauwd was, maakte getuige een gaatje in de tent aan de bovenkant om adem te halen. Hij kreeg vervolgens een klap op zijn hoofd van een Libiër. Hieraan heeft de getuige een litteken overgehouden. Ook andere reizigers kregen klappen. Bij de kust moest de getuige een week wachten. Daarna werden ze met een gesloten auto naar een houten boot gebracht. Er zaten ongeveer 150 migranten op de boot. Er waren geen veiligheidsvoorzieningen op de boot en er was geen eten en drinken. Er waren veel migranten aan boord die nog nooit hadden gezwommen. Nadat ze dertien uur hadden gevaren, ging hun boot stuk. Twee uur later werden ze door Britten opgepikt en naar Lampedusa gebracht. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 25 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 15] ’ in de tenlastelegging onder feit 7 (getuigennummer [nummer 21] ) is op 4 januari 2022 en 13 januari 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee en op 22 januari 2025 door de rechter-commissaris in strafzaken. De getuige heeft verklaard dat hij in juli 2015 ongeveer een maand in het kamp van verdachte in de buurt van Tripoli heeft verbleven. Hij heeft verklaard dat hij in augustus 2015 aankwam in Italië en vervolgens is doorgereisd naar Nederland. Tijdens zijn verhoor in januari 2022 was hij al zes jaar woonachtig in Nederland. Over het verblijf in het kamp heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Hij moest aan verdachte $2.000,00 betalen voor de zeereis. Zijn neef die in Israël woont heeft dit bedrag betaald. In de loods waar de getuige zat, werden de migranten vaak zonder reden geslagen. De migranten kregen alleen natte, papperige rijst of linzensoep met veel water. Aan het drinkwater was zout toegevoegd. Er waren te weinig wc’s en de wc’s waren bovendien heel vies. Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Na twee tot vier weken in de loods bij verdachte te zijn geweest, werd hij met een vrachtauto richting een loods in de buurt van de zee gebracht. De dag erna werd hij naar een houten boot gebracht. De migranten werden geslagen om in de boot te gaan en ook in de boot werden ze geslagen. De migranten kregen geen reddingsvesten en er was geen eten en drinken aan boord. Er zaten 200 tot 350 migranten op de boot en de boot werd getrokken door een andere boot. De boot ging op een gegeven moment kapot. Ze werden gered door een Italiaans schip en naar Italië gebracht. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 22 januari 2025 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Aanvullend heeft de getuige bij de rechter-commissaris nog verklaard dat verdachte hun reis heeft geregeld nadat zij geld aan verdachte hadden betaald en dat “de onderdanen van verdachte” hen naar de kust hebben gebracht. De persoon aangeduid als ‘ [getuige 13] ’ in de tenlastelegging onder feit 7 (getuigennummer [nummer 22] ) is op 6 januari 2022 en 31 januari 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij in juli 2015 vijf dagen in een loods van verdachte heeft gezeten in de buurt van Tripoli. De getuige heeft aangegeven in 2015 in Nederland te zijn aangekomen. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Toen hij op het terrein van verdachte arriveerde, stond verdachte hen al op te wachten. De getuige moest $2.200,00 betalen voor de zeereis naar Europa. Dit geld is betaald in Israël door een vriend van de getuige. De getuige heeft gezien dat verdachte, de migranten sloeg. Hij sloeg ook migranten die uit wanhoop buiten water gingen drinken, omdat ze dorst hadden. Migranten moesten dan op de grond gaan liggen, waarna verdachte water over die personen gooide en hen vervolgens ging slaan. Tussen de vluchtelingen zaten artsen, maar er waren geen medicijnen op het kamp. Over de zeereis heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Eind juli 2015 is de getuige naar de kust gebracht. Hij verbleef met andere migranten ongeveer tien dagen in een vervallen fabriek. Toen het donker was stapten ze in een houten boot zonder motor. De boot werd getrokken door een andere boot, maar op een gegeven moment ging de motor van die boot stuk. Ze zaten met 200 tot 350 migranten in de boot. Ze kregen geen reddingsvest aan boord en ze kregen niets te eten of te drinken. Ze moesten met een machine het water dat in de boot kwam er uit pompen. De vrouwen en de kinderen in de boot konden niet zwemmen. Op 1 augustus 2015 kwamen ze aan in Lampedusa. Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 26 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Aanvullend heeft de getuige bij de rechter-commissaris nog verklaard dat verdachte de migranten sloeg met een houten stok. De vijfde persoon aangeduid als ‘ [getuige 1] ’ in de tenlastelegging onder feit 7 (getuigennummer [nummer 1] ) is op 27 januari 2022 en 2 februari 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij in juli 2015 ongeveer 10 tot 15 dagen in een loods van verdachte in Tripoli heeft verbleven en dat hij rond 28 augustus 2015 in Nederland is aangekomen. Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Toen hij in de hal van verdachte aankwam, begon verdachte direct migranten te slaan. Verdachte sloeg met een houten stok. Een bewaker sloeg hen met een riem. De omstandigheden op het kamp waren slecht, er was weinig eten en drinken en er waren geen medische voorzieningen. Er werd gekookt, maar er was niet genoeg eten voor alle migranten. De migranten mochten pas reizen als er geld was overgemaakt. Totdat er was betaald, oefende verdachte druk op hen uit om te betalen. De getuige moest $2.200,00 aan verdachte betalen voor de zeereis naar Europa. De broer van de getuige, die in Israël zat, kreeg van verdachte te horen dat hij het geld moest overmaken naar iemand in Soedan. Na het betalen van het geld kreeg de broer van de getuige een code die hij naar hem doorstuurde. Deze code diende als bewijs dat er betaald was. Verdachte was verantwoordelijk voor het controleren wie er wel en niet betaald had. Verdachte

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.