ECLI:NL:RBOVE:2026:3323
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: C/08/346543 / HA ZA 26-116 Vonnis van 3 juni 2026 in de zaak van de vennootschap onder firma V.O.F. [bedrijf 2], gevestigd te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [bedrijf 2] , advocaat: mr. G.B. de Jong, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen.
1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling 2.1 [bedrijf 2] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van in totaal € 33.639,29 (bestaande uit € 30.194,11 aan hoofdsom, € 1.215,06 aan wettelijke handelsrente berekend tot en met 30 oktober 2025 en € 4.529,12 aan buitengerechtelijke incassokosten, waarbij reeds een bedrag van € 2.299,00 aan betalingen van gedaagde partij op vordering in mindering is gebracht) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 november 2025 tot de dag der algehele voldoening. Ook vordert [bedrijf 2] [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
Buitengerechtelijke incassokosten 2.2 [bedrijf 2] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [bedrijf 2] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [bedrijf 2] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding van € 4.529,12 is echter hoger dan de incassokosten volgens het Besluit. Niet gesteld is dat partijen een afwijkende regeling zijn overeengekomen wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van het Besluit is een bedrag van € 1.053,95 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar. Aangezien [gedaagde] reeds € 2.299,00 heeft betaald en betalingen eerst in mindering strekken van de kosten, dan de rente en dan de hoofdsom (artikel 6:44 BW), gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] de incassokosten reeds heeft voldaan. De vordering tot betaling van de incassokosten zal daarom worden afgewezen. Het resterende door [gedaagde] betaalde bedrag van € 1.245,05 (€ 2.299,00 min € 1.053,95) zal op de gevorderde hoofdsom inclusief rente in mindering worden gebracht.
2.3 De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.4 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 2] worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
JG