RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08.253136.22 (P) Datum vonnis: 3 februari 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres 1]. 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met anderen beroeps- of bedrijfsmatig in verschillende panden in Deventer hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: hij op of omstreeks 7 juli 2022 en/of 11 oktober 2022 te Deventer, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad; - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844 hennepplanten en/of delen daarvan en/of - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610 hennepplanten en/of delen daarvan en/of - in een woning gelegen aan de [adres 4], 275 hennepplanten en/of delen daarvan en/of - in een woning gelegen aan de [adres 5], 428 hennepplanten en/of delen daarvan en/of - in een schuur gelegen aan de [adres 6], 272 hennepplanten en/of delen daarvan, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3De procesafspraken De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van deze procesafspraken. Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie aan de rechtbank is voorgelegd, luidt als volgt: verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren, onder de voorwaarde dat de rechtbank de procesafspraken honoreert; verdachte legt geen bekennende verklaring af. De verdediging bevestigt door ondertekening van de procesafspraken dat de feiten en kwalificaties, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken, niet worden ontkend en dat hiertegen geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd; verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meerdere strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging; de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudings- en/of schorsingsverzoeken zal indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden dan wel een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien; verdachte is aanwezig op zitting zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken; verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken; verdachte heeft met de afspraken, na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen, vrijwillig afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan; het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting requireren tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken; het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de volgende straf vorderen: een werkstraf voor de duur van 160 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, met daarbij als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; de verdediging en het Openbaar Ministerie zullen geen hoger beroep instellen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafoplegging komt in overeenstemming met de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken, tenzij de rechtbank bij vonnis in haar strafoplegging substantieel afwijkt van de gemaakte procesafspraken. Voor verdachte geldt dat verdachte in hoger beroep kan gaan bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het Openbaar Ministerie geldt dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep kan gaan bij een strafoplegging waarbij de overeengekomen straf met ten minste één derde wordt verlaagd, inhoudende een straf lager dan een werkstraf van 107 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren; de verdediging en het Openbaar Ministerie zijn gelijktijdig met de ondertekening van de procesafspraken bij afzonderlijke overeenkomst een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv aangegaan ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inhoudende dat een bedrag van in totaal 217.500 euro binnen vier weken na ondertekening van het schikkingsvoorstel wordt voldaan aan de Staat. Het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen. Indien de rechtbank een vonnis wijst dat afwijkt van de gemaakte procesafspraken, dan blijft de schikkingsovereenkomst wel in stand; wanneer de afspraken op enige wijze worden ontbonden of het bovenstaande niet, niet tijdig of niet geheel voor de inhoudelijke behandeling ter zitting zal zijn nagekomen, komt de zaak terug in de stand waarin deze zich voor het maken van de afspraken bevond; indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen verdachte, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen. Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 januari 2026 zijn het ten laste gelegde feit en de gemaakte procesafspraken met verdachte besproken. Daarbij was een belangrijk element of verdachte begrijpt wat de gemaakte procesafspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak (kunnen) hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij dit begrijpt. De rechtbank heeft tijdens de bespreking van het ten laste gelegde feit verdachte gevraagd of hij daarover wil verklaren. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de aanloop naar en tijdens het maken van de procesafspraken en de bespreking van het afdoeningsvoorstel ter terechtzitting is voortdurend sprake geweest van rechtsbijstand voor verdachte. 4De bewijsmotivering 4.1 Inleiding Medio april 2022 wordt door de politie een onderzoek naar hennepteelt in Deventer gestart onder de naam ‘Dravik’. Na twee meldingen bij Meld Misdaad Anoniem, een warmtemeting en een netmeting ontstaat het vermoeden dat in een loods op een industrieterrein aan de [adres 2] een hennepkwekerij aanwezig is. Gedurende een korte periode wordt een camera op de loods geplaatst om te onderzoeken welke personen betrokken zijn bij de hennepkwekerij. Op 7 juli 2022 doet de politie instap in het pand aan de [adres 2] en wordt de hennepkwekerij ontmanteld. Er wordt besloten nog geen aanhoudingen te verrichten en de betrokken verdachten onder de tap te zetten. Ook wordt een baken aangebracht in de auto’s die bij de hennepkwekerij zijn gezien. Uit de informatie uit de tapgesprekken en de bakengegevens zijn nog vier hennepkwekerijen op verschillende adressen in Deventer in beeld gekomen. De politie doet op 11 oktober 2022 een instap op deze adressen en treft hennepkwekerijen aan. Vervolgens zijn verdachte en de drie medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangehouden. 4.2 De standpunten van partijen De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de gemaakte procesafspraken op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft, in overeenstemming met de gemaakte procesafspraken, geen (bewijs)verweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 7 juli 2022 en 11 oktober 2022 te Deventer telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2], 844 hennepplanten en - in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3], 610 hennepplanten en - in een woning gelegen aan de [adres 4], 275 hennepplanten en - in een woning gelegen aan de [adres 5], 428 hennepplanten en - in een schuur gelegen aan de [adres 6], 272 hennepplanten en zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 6De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit. 7De op te leggen straf 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft, conform het afdoeningsvoorstel, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen conform het afdoeningsvoorstel. 7.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Aard en ernst van het feit Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten vijf grote en professioneel opgezette hennepkwekerijen geëxploiteerd waarin (in totaal) 2.429 hennepplanten zijn aangetroffen. Ook zijn bij drie hennepkwekerijen resten van geoogste hennepplanten aangetroffen en was bij in ieder geval vier kwekerijen sprake van het illegaal afnemen van stroom. Verdachte heeft enkel gehandeld met het oog op financieel gewin en is voorbijgegaan aan het feit dat verdovende middelen zoals hennep schadelijk zijn voor de volksgezondheid en vaak leiden tot verschillende vormen van criminaliteit. Dit rekent de rechtbank hem aan. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 oktober
- Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is in verband met een eerder opgelegde strafbeschikking (een geldboete). De straf De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen afweging maakt bij het bepalen van de op te leggen straf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarnaast acht de rechtbank bij de strafoplegging van belang dat procesafspraken naar hun aard kunnen bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waarop de afspraken zien. Door het afdoen van deze strafzaak op de wijze als in de procesafspraken is overeengekomen, wordt de behandeltijd van de zaak aanzienlijk verkort en kan de zaak efficiënter worden afgedaan. Gelet op het voorgaande en hetgeen op zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de afdoening zoals gevorderd door de officier van justitie, mede in het licht van de belangen die met de gemaakte procesafspraken gemoeid zijn, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doet aan de inhoud van de strafzaak en alle betrokken belangen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank onder andere rekening met de omstandigheid dat het tussen verdachte en de officier van justitie overeengekomen schikkingsbedrag ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel (een bedrag van € 217.500,00) reeds geheel is voldaan door verdachte (en zijn medeverdachten). Alles afwegende acht de rechtbank de voorgestelde straf passend. De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf van 160 uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. 8De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 62 Sr. 9De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden; - bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 (honderdzestig) uren; - beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen; - beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor een in verzekering doorgebrachte dag twee uren aftrek plaatsvindt. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari
- Buiten staat Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.