ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 97 / 1557 WET K1 Inzake : Automobielbedrijven G en H B.V., Zuiderbrug B.V. en Onroerend Goed Maatschappij Janssens en Van Rensch B.V. te Tegelen, eiseressen, tegen : de Minister van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, directie Limburg, gevestigd te Maastricht, verweerder. ------------------ Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 7 oktober 1997, kenmerk: DLB 97/16468. Datum van terechtzitting: 20 januari 1999 ------------------ I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij schrijven van 18 november 1997 zijn eiseressen in beroep gekomen tegen het besluit van verweerder van 7 oktober 1997, voor zover daarbij eisers bezwaren tegen de beslissing van 23 februari 1996 ongegrond zijn verklaard. Bij deze (primaire) beslissing van 23 februari 1996 heeft verweerder aan eiseressen een schadevergoeding toegekend ter hoogte van f 300.865,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 1994 voor de door eiseressen geleden schade ten gevolge van werkzaamheden van Rijkswaterstaat, een en ander onder verrekening van het verstrekte voorschot, alsmede een bedrag van f 5.000,00 voor de kosten van rechtsbijstand. Middels een schrijven van 17 december 1997 heeft verweerder verweer gevoerd tegen het ingediende beroepschrift. De behandeling van het beroep ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 1999. Aldaar zijn namens eiseressen verschenen H.G.M. Janssen en G.L.A. van Rensch, bijgestaan door hun gemachtigde mr B.J.P.G. Roozendaal. Namens verweerder zijn verschenen ing. M.M. Steenaart, ing. R.J. Rosenboom en mr F.M.A. van der Loo. II. OVERWEGINGEN Op 27 mei 1994 hebben eiseressen -met een beroep op de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat (RNR)- een verzoek ingediend tot toekenning van schadevergoeding, omdat zij schade hebben geleden ten gevolge van de reconstructie van de Venloseweg in samenhang met de bouw van de Zuiderbrug en de aanleg van de Rijksweg 73. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft verweerder een schadebeoordelingscommissie als bedoeld in het eerste lid van artikel 5 van de RNR ingeschakeld. Deze commissie heeft een hoorzitting belegd en de situatie ter plaatse bezichtigd. Op 22 juni 1995 heeft de commissie een concept-advies uitgebracht, waarop zowel verweerder als eiseressen hebben kunnen reageren. Op verzoek van de gemachtigde van eiseressen heeft de commissie de situatie ter plekke op 13 november 1995 nogmaals bezichtigd. Bij brief van 29 januari 1996 heeft de commissie haar eindadvies uitgebracht en aan partijen gezonden. In navolging van het advies van de commissie heeft verweerder bij (primair) besluit van 23 febrauri 1996, op grond van artikel 9, tweede lid, van de RNR, ter vergoeding van de door hen geleden schade aan eiseressen een bedrag van f 300.865,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 1994, toegekend, onder verrekening van het reeds verstrekte voorschot, alsmede een bedrag van f 5.000,00 ter vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Tegen dit besluit hebben eiseressen op 1 april 1996 bezwaar gemaakt. Nadat eiseressen diverse malen hebben ingestemd met een verdaging van de beslistermijn, laatstelijk tot uiterlijk 27 september 1996, heeft verweerder uiteindelijk op 7 oktober 1997 beslist op het bezwaar. Bij dat besluit heeft verweerder de bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Op 18 november 1997 hebben eiseressen beroep aangetekend tegen dit besluit, voor zover daarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard. Als 'algemene grief' hebben eiseressen aangevoerd dat verweerder in deze zaak de termijnen van de Awb niet in acht heeft genomen. Het beroep van eiseressen spitst zich verder toe op de volgende 5 punten: - de deskundigenkosten; - de reconstructie van het bedrijfspand van de Honda-dealer; - de omzetschade terzake de auto-verkoop; - de compensatie voor de grond aan de oostzijde van het perceel; - de niet-openbaarheid van de aansluitingsweg; en aanzien van dit laatste punt (de al dan niet openbaarheid van de aansluitingsweg) heeft de gemachtigde van eiseressen ter zitting laten weten dat deze beroepsgrond niet in de onderhavige procedure thuishoort, omdat daaromtrent in het bestreden besluit niets wordt beslist. De rechtbank begrijpt het standpunt van de gemachtigde aldus dat die beroepsgrond niet wordt gehandhaafd en dat zij dienaangaande in de onderhavige procedure geen beslissing hoeft te geven, hetgeen de rechtbank dan ook niet zal doen. Verweerder heeft tegen voornoemde punten verweer gevoerd. De rechtbank zal, voor zover nodig, bij de bespreking van de afzonderlijke beroepsgronden ingaan op de stellingen van eiseressen en verweerder. Alvorens inhoudelijk op de gronden in te gaan, dient de rechtbank te beoordelen of verweerder terecht heeft aangenomen dat het primaire (schade)besluit een appellabel besluit is in de zin van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is in casu sprake van een (schade)besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu het besluit gaat over schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. De bestuursrechter is echter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit indien zo'n besluit berust op een wettelijke schaderegeling, dan wel indien de bestuursrechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf (ABRS van 6 juni 1997, AB 1997/229). Indien dus tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, is -bij gebreke van een speciale wettelijke grondslag - bij die rechter ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van de schade die daardoor is veroorzaakt (processuele connexiteit). Toepassing van dit uitgangspunt zou in casu, waar geen sprake is van een wettelijke schaderegeling en het schadeveroorzakend handelen uit het aanleggen van wegen -en derhalve uit feitelijk handelen - bestaat, tot het oordeel dienen te leiden dat verweerder het bezwaarschrift van eiseressen ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Uit de vigerende jurisprudentie leidt de rechtbank echter ook af dat de ABRS geen wijziging heeft willen brengen in de jurisprudentie van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State, welke erop neerkomt dat (na bezwaar) beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding terzake de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke taak of een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, gebaseerd op een in een gepubliceerde beleidsregel neergelegde schaderegeling, zoals onder meer de Regeling Nadeelcompensatie RWS (zie onder meer ABRS AB 1998/37). Uit andere uitspraken van de ABRS (zie JB 1998/197 en JB 1998/206) kan worden afgeleid dat de bestuursrechter ook bevoegd kan zijn terzake van besluiten omtrent schadevergoeding (nadeelcompensatie), indien die zijn genomen in het kader van de uitoefening van een algemene publiekrechtelijke bevoegdheid. In het bestreden besluit heeft verweerder eiseressen dan ook terecht ontvankelijk geacht in hun bezwaar. Ten aanzien van bovenstaande 'algemene grief' overweegt de rechtbank als volgt. Met eiseressen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het niet zo nauw heeft genomen met de beslistermijn van de Awb. Eiseressen hebben echter meerdere malen ingestemd met verdagingen van de beslistermijnen. Daarbij zijn zij met verweerder van mening dat de onderhavige zaak zeer complex is. Nu verweerder bovendien hangende het geschil reeds een bedrag van ongeveer f 300.000,00 aan voorschotten heeft betaald en over het uiteindelijk toegekende bedrag wettelijke rente heeft toegekend vanaf 12 april 1994, ziet de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb geen aanleiding het besluit wegens overschrijding van de beslistermijnen te vernietigen. Ten aanzien van de deskundigenkosten: Bij de primaire beslissing heeft verweerder terzake van de kosten van deskundigen (andere dan die van rechtsbijstand) geen vergoeding toegekend. Verweerder kende eiseressen slechts een vergoeding toe terzake de kosten van rechtsbijstand. Na heroverweging heeft verweerder in het bestreden besluit echter overwogen dat uit recente jurisprudentie is gebleken dat de kosten van bijstand door andere deskundigen onder omstandigheden eveneens vergoed dienen te worden, indien wordt voldaan aan de dubbele redelijkheidsnorm als verwoord in het arrest van de HR van 10 maart 1993, BR 1993/544. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat zij zowel de kosten die zijn gemaakt (inschakeling rechtsen deskundigenbijstand) alsmede de omvang van die kosten (hoogte van de declaraties) redelijk acht en dat, naast de vergoeding voor rechtsbijstand, ook een vergoeding voor deskundigenkosten ad f 5.000,00 toegekend dient te worden. In beroep hebben eiseressen aangegeven dat zij beide vergoedingen te gering achten, gelet op de complexiteit en uiterst trage behandeling van de zaak. Eiseressen zegden toe specificaties van de diverse declaraties aan de rechtbank over te leggen, opdat de rechtbank de dubbele redelijkheidsnorm zou kunnen toepassen. Uit de jurisprudentie van de ABRS (onder andere ABRS 23 september 1996, AB 1996/494) en de Hoge Raad (Zie HR 10 maart 1993, BR 1993/544, m.nt.) blijkt dat de kosten van deskundigen (eerst) integraal voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, als het redelijk is dat de kosten werden gemaakt en die kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Teneinde te kunnen beoordelen of de kosten qua omvang redelijk zijn, dient het bestuursorgaan -en in beroep de rechtbank - wel enig inzicht in de aard en omvang van die kosten te hebben. Dat inzicht is in deze procedure echter niet of nauwelijks verkregen. Noch in primo, noch in de bezwaarfase zijn eiseressen ingegaan op de omvang van de deskundigenkosten. Noch uit het verzoek, noch uit het bezwaarschrift en de bijbehorende bijlagen, noch uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eiseressen hun vordering ten aanzien van voornoemde kosten op enige wijze hebben onderbouwd. Gelet op het tweede lid van artikel 4:2 van de Awb, mocht van hen verwacht worden dat zij hun vordering dienaangaande met voldoende verificatoire bescheiden zouden onderbouwen. Wanneer door een gebrekkige gegevensverstrekking van de kant van de belanghebbende een verzoek -geheel of gedeeltelijk - afgewezen moet worden, is de betekenis van artikel 3:2 van de Awb in het algemeen niet zodanig dat het bestuursorgaan alles in het werk moet stellen om zelf de gegevens te krijgen die eventueel zouden leiden tot een inwilliging van het verzoek. Ook in hun beroepschrift hebben eiseressen aangekondigd declaraties en specificaties van de gemaakte kosten te zullen overleggen, maar zij hebben volstaan met het overleggen van een brief van Moret Ernst & Young accountants van 13 november 1997, betreffende een overzicht van de vanaf 30 december 1994 verzonden declaraties inzake werkzaamheden met betrekking tot de schadecompensatieregeling. Welke werkzaamheden daadwerkelijk verricht zijn, en tegen welke tarieven, kan uit die brief niet worden opgemaakt. Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand geldt hetzelfde. De rechtbank merkt nog op dat zij dienaangaande geen enkele declaratie, laat staan enige specificatie, in de stukken heeft aangetroffen. Eerst in de pleitnotitie van de gemachtigde van eiseressen wordt een bedrag van f 38.000,00 genoemd. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde laten weten dat dit bedrag onjuist is. De kosten van rechtsbijstand zouden (inmiddels) zijn opgelopen tot f 90.000,00. Ter zitting heeft de gemachtigde aangeboden alsnog gespecificeerde declaraties te zullen overleggen. Verweerder heeft zich daar -met een beroep op artikel 8:58 van de Awb - tegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat eiseressen in de (aan)loop van deze procedure voldoende mogelijkheden hebben gehad om dergelijke bescheiden in geding te brengen. Zij ziet dan ook geen enkele aanleiding eiseressen daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Van het 'aanbod' nadere declaraties te overleggen, zal dus geen gebruik worden gemaakt. De rechtbank acht het beroep van eiseressen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Het beroep, voor zover betrekking hebbende op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en andere deskundigen, zal dan ook ongegrond worden verklaard. Ten aanzien van de reconstructie van het Honda-bedrijfspand: Eiseressen stellen dat door de aanleg van de ontsluitingsweg en met name de verhoogde trottoirband en verkeersgeleider de in- en uitritsituatie ter hoogte van het Honda-bedrijf is gefrustreerd. Nu het verwijderen van de verkeersgeleider en de verhoogde trottoirband volgens verweerder niet mogelijk is, dient verweerder de schade -bestaande uit het maken van deuren aan de achterzijde van het pand en het veranderen van de interne routing in het pand - te vergoeden. De kosten van deze aanpassingen worden door eiseressen op ongeveer f 82.000,00 + P.M. beraamd, te weten: 425 m2 ondergrond aan de oostzijde van het pand, welke grond nodig is om ter plaatse te komen, ad f 80,00 per m2 = f 34.000,00; het verplaatsen van twee deuren ad f 42.000,00 volgens offerte + P.M.; het verplaatsen van twee smeerbruggen ad f 6.000,00; het aanpassen van nutsvoorzieningen en verdere interne routing: P.M. Verweerder is van mening dat ten aanzien van het in 1991 gebouwde Honda-bedrijfspand sprake is van aanvaard risico. De beslissing om de showroom en de werkplaats te realiseren op dat gedeelte van het bedrijfsterrein waar vroeger het pand van de familie Siebgens stond, is genomen in de wetenschap dat de ontsluitingssituatie van de Venloseweg op korte termijn zou worden gewijzigd. Eiseressen stellen dat zij niet op de hoogte konden zijn van de wijze waarop deze reconstructiewerkzaamheden zouden plaatsvinden. Bovendien heeft verweerder pas nadat de uitbreiding van het Honda-bedrijf was gerealiseerd tot de aanleg van een verhoogde trottoirband en een verkeersgeleider besloten. Van enig aanvaard risico kan volgens eiseressen dan ook geen sprake zijn. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het rapport van de StAB blijkt dat de ontsluitingssituatie voor het gehele terrein van de garagebedrijven minder gunstig is dan vóór de reconstructie van de Venloseweg en de realisering van de Verlengde Ariënsstraat. Vanaf januari 1988 hebben verweerder en eiseressen echter met elkaar in contact gestaan over de op handen zijnde planologische wijzigingen. Uit het verslag van een bespreking van 2 februari 1989 tussen (onder meer) de heren Janssen en Van Rensch en vertegenwoordigers van verweerder, en met name uit de (eerste van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.