ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 98 / 960 NABW K1 Inzake : A, wonende te B, eiseres, tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder, Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 22 september 1998, kenmerk: 01.DZ.721 Nr.: DWJBB/ID/98-12566. Datum van terechtzitting: 9 maart 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij besluit van 22 september 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de (primaire) beslissing van 5 augustus 1998, waarbij verweerder de ABW-uitkering van eiseres met ingang van 1 augustus 1998 op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw heeft ingetrokken, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (van 22 september 1998) heeft eisers op 8 oktober 1998 beroep ingesteld. Het verweerschrift dateert van 10 november 1998. Zowel eiseres als verweerder hebben nadere stukken ingebracht. De behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 1999. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van eiseres, mr. K.L.W. Brummans, en de gemachtigde van verweerder, mr. Ummels. II. OVERWEGINGEN Op 20 september 1996 heeft verweerder eiseres, die de Turkse nationaliteit heeft, -met terugwerkende kracht vanaf 23 juli 1996- een uitkering toegekend op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de zogenaamde koppelingswet per 1 juli 1998 heeft er medio 1998 een heronderzoek plaatsgevonden naar de geldigheid van het verblijf van eiseres in Nederland. Op 5 augustus 1998 heeft verweerder besloten het recht van eiseres op Abw-uitkering vanaf 1 augustus 1998 op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw -zoals dit luidt vanaf 1 juli 1998- in te trekken. Verweerder heeft daartoe besloten omdat uit onderzoek van 24 juli 1998 is gebleken dat eiseres niet bekend is bij de vreemdelingendienst B en zij geen document heeft waaruit de geldigheid van haar verblijf in Nederland blijkt. De gemachtigde van eiseres heeft op 26 augustus 1998 bezwaar gemaakt tegen deze (primaire) beslissing van 5 augustus 1998, stellende dat eiseres wel degelijk bekend is bij de vreemdelingendienst te B, alsmede bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te C. Uit de -bij het bezwaarschrift- overgelegde stukken blijkt dat het verzoek van eiseres om verlenging van de haar verleende vergunning tot verblijf onder wijziging van de beperking waaronder deze is verleend op 10 oktober 1997 door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen en dat eiseres tegen deze afwijzing op 27 oktober 1997 bezwaar heeft gemaakt. Uit een brief van de IND van 14 januari 1998 blijkt in ieder geval dat uitzetting achterwege zal blijven totdat een reële beslissing is genomen op het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing. Naar aanleiding van het bezwaarschrift (van 26 augustus 1998) heeft er op 7 september 1998 een hoorzitting plaatsgevonden. De gemachtigde van eiseres heeft onder meer medegedeeld dat eiseres vanaf 1 augustus 1998 een baan heeft en over een sofinummer beschikt. Tevens is bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om een verblijfsvergunning. Op 22 september 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, omdat gebleken is dat eiseres niet over een geldig vreemdelingendocument beschikt, waardoor zij (dus) niet voldoet aan de in artikel 1b aanhef en onder 1 van de Vreemdelingenwet (Vw) genoemde criteria en zij dus geen -zoals artikel 7, lid 2, van de Abw vereistregelmatig verblijf houdt in Nederland. Zij heeft dan ook geen recht op een bijstandsuitkering. Inmiddels heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaar tegen de afwijzing van de verlenging van de vergunning tot verblijf op 23 februari 1999 gegrond verklaard en heeft hij (tevens) de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf tot en met 4 augustus 1998 verlengd, onder gelijktijdige verlenging tot en met 4 augustus 1999. Daarmee staat vast dat eiseres thans rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Bovendien moet eiseres geacht worden al die tijd rechtmatig -zoals beschreven in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vwin Nederland te hebben verbleven. In casu dient de rechtbank te beoordelen of verweerders besluit in overeenstemming is met geschreven of ongeschreven rechtsregels, alsmede met de algemene rechtsbeginselen. De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 juli 1998 is in werking getreden de wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten, teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen en ontheffingen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland (Stb, 1998, 203). Deze wet staat ook wel bekend onder de naam de Koppelingswet (verder Kw). Op grond van de Kw is in de Vw onder meer artikel 1b ingevoegd. Voor zover hier van belang luidt artikel 1b van de Vw als volgt: " Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf: 1. op grond van een besluit tot toelating (...); 2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating; 3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze op grond van een beschikking ingevolge deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten; (...) " In de Abw is op grond van de Kw onder meer artikel 7 gewijzigd. Dit artikel luidt thans, voor zover hier van belang, als volgt: " 1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien heeft recht op bijstand van overheidswege. 2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die regelmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw. 3. Bij algemene maatregel van bestuur (amvb) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, voor toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld: a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd (...) totdat op die aanvraag (...) is beslist. " Op grond van bovenstaand derde lid van artikel 7 van de Abw is bij amvb het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz tot stand gekomen (Stb.1998, 308), ook wel Besluit gelijkstelling genoemd. Ingevolge artikel 1 van dit Besluit wordt, voor zover hier van belang, met een Nederlander gelijk gesteld de vreemdeling die, na rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating. De gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag is beslist of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven. Uit het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) volgt dat aanspraken op sociale en medische bijstand kunnen worden ontleend aan 'rechtmatig verblijf', welk begrip per verdragsstaat wordt ingevuld. Zowel Nederland als Turkije hebben dit verdrag geratificeerd en zijn (dus) verdragsstaten. Op grond van artikel 1 van het verdrag hebben rechtmatig in Nederland verblijvende verdragsvreemdelingen gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden recht op bijstand als Nederlanders. Volgens de tekst van artikel 11(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.