ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 00/125 WET K1 Inzake : A, wonende te B, eiseres, tegen : de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 30 december 1999, kenmerk: Awb31/ZO-B/335. Datum van behandeling ter zitting: 1 september 2000. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 23 april 1999 heeft verweerder, naar aanleiding van de subsidieaanvraag van eiseres van 6 oktober 1998, aan eiseres voor het tijdvak 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 een bedrag van ƒ 852,00 aan huursubsidie toegekend. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 mei 1999, een bezwaarschrift ingediend. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit, d.d. 30 december 1999, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 30 december 1999 heeft eiseres op 2 februari 2000 beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 september 2000, waar eiseres in persoon is verschenen. Verweerder is bij gemachtigde, mr. R.F. Thunnissen, verschenen. II. OVERWEGINGEN De feiten Eiseres heeft op 6 oktober 1998 een aanvraagformulier huursubsidie ingediend. Bij besluit van 23 april 1999 is de subsidieaanvraag van eiseres gehonoreerd in die zin dat aan eiseres ƒ 852,00 subsidie is toegekend, zulks voor de periode 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999. Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag is door verweerder rekening gehouden met het inkomen dat de meerderjarige zoon van eiseres in het peiljaar (zijnde 1997) verworven heeft. Tegen het besluit van 23 april 1999 heeft eiseres bij schrijven van 20 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend. Eiseres bezwaren richten zich tegen het feit dat verweerder rekening heeft gehouden met het inkomen van haar zoon en bijgevolg ook tegen de hoogte van de aan haar toegekende huursubsidie. Van de aan eiseres geboden gelegenheid haar bezwaren mondeling toe te lichten heeft eiseres gebruik gemaakt. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 11 november 1999. Bij het thans bestreden besluit van 30 december 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het eerdere besluit van verweerder ongegrond verklaard. Wettelijk kader: Artikel 1 onder f van de Huursubsidiewet (HSW) luidt, voor zover van belang, als volgt: f. medebewoner: persoon die zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de huurder, en die geen onderhuurder is noch tot het huishouden van de onderhuurder behoort; Artikel 3 HSW luidt, voor zover van belang, als volgt: 1. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekeninkomen: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar. Artikel 9 HSW luidt, voor zover van belang, als volgt: 1. Huursubsidie wordt slechts toegekend: a. als de huurder, alsmede degenen die op de peildatum medebewoner of onderhuurder van de woning zijn, zich uiterlijk vijf dagen na de peildatum op het adres van die woning hebben doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; b. (…) Beoordeling: Onderwerp van geschil in de onderhavige zaak is de hoogte van de huursubsidie die verweerder aan eiseres heeft toegekend over de periode 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999, bij welke toekenning verweerder rekening heeft gehouden met het inkomen van de zoon van eiseres in het jaar 1997. Niet in geschil is dat, indien het inkomen van de zoon van eiseres terecht is meegeteld, de hoogte van de huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 ƒ 852,00 bedraagt. Verweerder heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep, wegens het feit dat voor de vaststelling van het gezamenlijk inkomen zowel het inkomen van eiseres als haar zoon in beschouwing genomen dienen te worden. De zoon van eiseres stond op de peildatum, zijnde 1 juli 1998, ingeschreven op het adres van eiseres, terwijl eiseres voorts, op grond van bestendig beleid, geen beroep kan doen op artikel 26 HSW, de zogenaamde hardheidsclausule, aldus verweerder. Eiseres daarentegen heeft gesteld dat haar zoon op 1 juli 1998 niet bij haar woonachtig was, en bijna een jaar lang ook niet bij haar woonachtig is geweest, namelijk van 27 september 1997 tot 22 september 1998. Eiseres is van mening dat zij op grond hiervan een beroep kan doen op artikel 26 HSW. De vraag die derhalve beantwoording behoeft is of verweerder terecht het inkomen van de zoon van eiseres heeft meegeteld voor de berekening van de aan eiseres toekomende huursubsidie over het bedoelde tijdvak. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Door eiseres is niet betwist, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt, dat op de peildatum, zijnde 1 juli 1998, de zoon van eiseres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven stond op het adres van eiseres. Op grond van deze inschrijving heeft verweerder de zoon van eiseres aangemerkt als medehuurder in de zin van het artikel 1 onder f HSW. Blijkens de in dit geding overgelegde stukken alsmede blijkens hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, kan volgens verweerder uit dit artikel 1 onder f HSW, in samenhang bezien met artikel 9 HSW, de fictie worden afgeleid dat er sprake is van een medebewoner in de zin van artikel 1 onder f HSW indien de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie op het betreffende adres staat ingeschreven. Deze redenering van verweerder houdt in dat degene die in de gemeentelijk basisadministratie ingeschreven staat op een bepaald adres, op dat adres geacht wordt zijn hoofdverblijf te hebben. Zulks is door verweerder overigens ook expliciet gesteld in zijn schrijven aan eiseres van 17 augustus 1999. De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder niet onverkort en overweegt daartoe als volgt. In artikel 1 onder f HSW is de definitie van een medebewoner weergegeven: iemand die zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de huurder en die geen onderhuurder is noch tot het huishouden van die onderhuurder behoort. Kernbegrip is derhalve "hoofdverblijf". Artikel 9 lid 1 HSW bevat een toekenningsvoorwaarde: indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan geen huursubsidie worden toegekend. Onder a is te lezen dat eerst huursubsidie kan worden toegekend indien de huurder en zijn medebewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.