RECHTBANK ROERMOND Parketnummer: 04/610159-99 Beslissing ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen: naam : [naam veroordeelde] voornamen : [voornamen veroordeelde] geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats], aanhangig gemaakt bij ongedateerde vordering. Onderzoek van de zaak. De rechtbank heeft op 4 december 2003 gehoord: - de officier van justitie; - [naam veroordeelde], bijgestaan door zijn raadsman mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond. De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Van de zijde van veroordeelde is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging. Dit beroep is, zakelijk weergegeven, toegelicht met twee argumenten. Enerzijds dat aan het bepaalde van artikel 511b, lid 1 Sv. niet is voldaan nu de officier de ontnemingszaak niet zo spoedig mogelijk op zitting heeft gebracht en het thans pro forma op zitting brengen geschiedt om de termijn van 2 jaar zoals genoemd in artikel 511b Sv. in acht te nemen en anderzijds dat de redelijke termijn conform artikel 6 EVRM is overschreden. Ten aanzien van de redelijke termijn stelt de raadsman van [naam veroordeelde] dat [naam veroordeelde] op 12 november 1999 er van op de hoogte is geraakt dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: "het SFO") tegen hem liep en dat [naam veroordeelde] vanaf die datum er van uit kon gaan dat er een vervolging en ook een ontnemingsvordering zou volgen. De officier van justitie heeft zich -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat art. 511b Sv. niet is overtreden. Voorts betrof het een ingewikkelde zaak waardoor het enige tijd heeft geduurd voordat het SFO was afgerond en lag het ook aan de gedragingen van [naam veroordeelde] c.q. diens raadsman dat het allemaal zo lang heeft geduurd. Slechts in uitzonderingsgevallen dient overschrijding van de redelijke termijn tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te leiden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt doorgaans gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag. De rechtbank overweegt omtrent hetgeen namens de veroordeelde respectievelijk door de officier van justitie naar voren is gebracht het volgende: De rechtbank dient allereerst na te gaan wanneer er vanwege de Nederlandse Staat jegens [naam veroordeelde] een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt. De stelling van de raadsman van [naam veroordeelde] dat de termijn op 12 november 1999 is aangevangen is niet nader onderbouwd. Weliswaar is door de Rechter Commissaris (hierna: "R.C.") op die datum een machtiging verleend tot het instellen van het SFO, uit het procesdossier blijkt echter niet dat [naam veroordeelde] op die datum schriftelijk op de hoogte is gebracht van het ingestelde SFO. Bovendien komt het de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat [naam veroordeelde] op 12 november 1999 mondeling op de hoogte zou zijn gebracht van het tegen hem ingestelde SFO. Uit de rapportage in het SFO blijkt wel dat op 20 december 1999 op last van de officier van justitie twee panden in eigendom toebehorend aan [naam veroordeelde] in conservatoir beslag zijn genomen. Volgens het bepaalde in de artikelen 94b en 94c Sv. gelden bij het leggen van beslag op onroerende zaken de formaliteiten van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Conform deze bepalingen zou een afschrift van het proces verbaal van inbeslagneming niet later dan drie dagen na inschrijving van het proces verbaal in de daartoe bestemde openbare registers aan [naam veroordeelde] moeten worden betekend. Uit het procesdossier is de rechtbank niet gebleken dat er op die termijn een betekening aan [naam veroordeelde] heeft plaatsgevonden. Hiermee is overigens niet gezegd dat dit niet is gebeurd. Uit de brief van 18 januari 2000 van de raadsman van [naam veroordeelde] aan de Politie te Venlo Bureau Financiële Ondersteuning, zoals overgelegd tijdens de zitting, blijkt dat [naam veroordeelde] ergens in de periode gelegen tussen 20 december 1999 en 17 januari 2000 op de hoogte is gekomen van de gelegde beslagen en het SFO. Gelet op het bovenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat als aanvangsdatum van de redelijke termijn dient te worden genomen eind december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.