uitspraak: 30 maart 2005 V O N N I S IN HET INCIDENT van de rechtbank Roermond in de zaak van: eiseres in het incident, gedaagde in de hoofdzaak: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.A.B. TRUCK TRADING B.V., gevestigd te Weert, procureur: mr. M.F.J.J.M. Tijssen, tegen gedaagde in het incident, eiser in de hoofdzaak: [gedaagde], wonende te [woonplaats] ([buitenland]), procureur: mr. J.B.T. van ’t Grunewold. Partijen worden als CAB respectievelijk [gedaagde].
- Inhoud van het procesdossier Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken: - de dagvaarding van 22 december 2004; - de akte in geding brengen stukken; - de incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor proceskosten van CAB; - de incidentele conclusie van antwoord van [gedaagde].
- Beoordeling van het incident 2.1 CAB vordert in het incident [gedaagde] te veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding waartoe hij veroordeeld kan worden op een door de rechtbank te bepalen wijze voor een bedrag van € 13.394,74, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident. CAB voert aan dat [gedaagde], ook al zou hij in [buitenland] staan ingeschreven, niet geacht mag worden aldaar in overwegende mate zijn verblijf te hebben. CAB stelt dat [gedaagde] in [(ander) buitenland] woont. 2.
- [gedaagde] stelt dat hij in [buitenland] staat ingeschreven, dat hij daar zijn bedrijfsvoering heeft, dat hij met zijn partner in [buitenland] woont en dat zijn partner in [buitenland] werkzaam is. Hij meent dat de vordering van CAB afgewezen moet worden. 2.3.Vaststaat dat [gedaagde] geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. In beginsel dient [gedaagde] derhalve zekerheid te stellen. Beoordeeld dient evenwel te worden of een van de uitzonderingssituaties zoals genoemd in artikel 224 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) zich voordoet. Ingevolge het bepaalde in dat artikel bestaat geen verplichting tot het stellen van zekerheid: a. (…); b. indien een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het Statuut voor het Koninkrijk, een verdrag of een EG-verordening ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft; c. (…) 2.
- Waar het in het incident om gaat is de beantwoording van de vraag of [gedaagde] zijn woon- of verblijfplaats, dat wil zeggen: het centrum van zijn sociale en economische activiteiten, in [buitenland] heeft. Bij bevestigende beantwoording van die vraag behoeft [gedaagde] geen zekerheid te stellen, nu een eventueel vonnis waarbij [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld in [buitenland] ten uitvoer kan worden gelegd op grond van de EG-Verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (vgl. artikel 38 en 51 van die Verordening). 2.
- De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stellingen en de inhoud van de stukken voldoende vast is komen te staan dat [gedaagde] zijn woonplaats in [buitenland] heeft. Dit oordeel wordt als volg toegelicht. 2.
- Bij incidentele conclusie van antwoord heeft [gedaagde] een certificat d’insciption aux registres de la population gedateerd 7 maart 2005 overgelegd. In dat certificat wordt vermeld dat [gedaagde] sedert 24 maart 2000 staat ingeschreven op het adres [adres], [woonplaats]. Weliswaar wijkt dit adres af van het adres in de dagvaarding (daar wordt vermeld: [woonplaats], [adres]), maar de rechtbank gaat ervan uit dat dit om een vergissing gaat. Vaststaat dat [gedaagde] sedert 5 jaar staat ingeschreven op een adres in [buitenland]. De rechtbank leidt uit deze inschrijving het vermoeden af dat [gedaagde] woonplaats in [buitenland] heeft (vgl. artikel 1:11 lid 2 BW). 2.
- Het enkele feit dat het door [gedaagde] opgegeven factuuradres (als productie 2 door [gedaagde] in het geding gebracht) niet in [buitenland] maar in [(ander) buitenland] is gelegen en het feit dat de vrachtwagens zich aldaar bevinden, is onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat het centrum van de sociale en economische activiteiten van [gedaagde] in [(ander) buitenland] ligt. Zo is bijvoorbeeld niet gesteld of gebleken dat het factuuradres het woonadres is of dat [gedaagde] op een ander adres in [(ander) buitenland] woont, dat [gedaagde] met zijn echtgenote in [(ander) buitenland] woont en dat zijn onderneming in [(ander) buitenland] is gevestigd. 2.
- Gelet op het bovenstaande en de stelling van [gedaagde] dat zijn echtgenote in [buitenland] werkt en dat [gedaagde] zijn bedrijfsvoering in [buitenland] heeft, moet ervan uitgegaan worden dat [gedaagde] woonplaats in [buitenland] heeft. Dit leidt tot de slotsom dat de incidentele vordering van CAB dient te worden afgewezen. 2.
- De vraag wie de proceskosten voor de incidentele vordering moet dragen, zal beantwoord worden op het moment dat in de hoofdzaak een eindbeslissing genomen zal worden. B E S L I S S I N G: De rechtbank: wijst de incidentele vordering af; houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak; bepaalt dat de hoofdzaak wordt gesteld voor conclusie van antwoord op de rolzitting van deze rechtbank van 11 mei
- Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en op de openbare civiele terechtzitting van 30 maart 2005 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Type: rh