RECHTBANK ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 06 / 1997 WRO K1 Inzake : Stichting Leefbaar Berkelaar en omstreken, gevestigd te Echt, eiseres, tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren, gevestigd te Echt, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 3 oktober 2006, kenmerk: - Datum van behandeling ter zitting: 1 februari 2007 I. PROCESVERLOOP Bij het in de aanhef genoemde besluit heeft verweerder aan [vergunnibnghoudseter] BV, [adres te [plaats], (hierna te noemen vergunninghoudster) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan “Buitengebied” ten behoeve van een uitbreiding van het bedrijfsterrein van vergunninghoudster. Tegen dat besluit is namens eiseres door haar voorzitter, B. Plierik, en een bestuurslid van eiseres, J. Hannen, bij deze rechtbank beroep ingesteld. Gedeputeerde Staten (GS) en vergunninghoudster zijn in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. GS heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Namens vergunninghoudster heeft [vergunninghouder] laten weten dat deze wel van de gelegenheid gebruik maakt en dat hij vergunninghoudster zal vertegenwoordigen. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan partijen gezonden. Het beroep van eiseres is behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 februari 2007, waar namens eiseres zijn verschenen haar voorzitter en het voornoemde bestuurslid. Namens vergunninghoudster is verschenen [...], bijgestaan door mr. F. Heuts en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door mr. L.G.M.H. Bohnen. II. OVERWEGINGEN Op 6 december 2005 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend voor een vrijstelling ten behoeve van uitbreiding van haar bedrijfsterrein aan de noordzijde van de Molenbeek op de percelen [perceelnummers]. Verweerder heeft door publicatie in - onder meer - ‘t Echter Waekblaad, het ontwerp-besluit tot verlening van vrijstelling met de daarop betrekking hebbende stukken, gedurende zes weken (vanaf 14 april 2006 tot en met 26 mei 2006) ter inzage gelegd. In deze publicatie heeft verweerder vermeld dat binnen de termijn van zes weken zienswijzen bij verweerder kunnen worden ingediend. Bij brief van 25 mei 2006, welke brief bij verweerder op 29 mei 2006 is ingeboekt, is namens eiseres een pro forma bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij brief van 13 juni 2006, verzonden op 20 juni 2006, heeft verweerder het bezwaarschrift aangemerkt als een pro forma zienswijze. Verweerder heeft in deze brief de zienswijze van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een zienswijze op grond van afdeling 3.4 van de Awb gemotiveerd dient te worden en dat deze gemotiveerde zienswijze binnen een termijn van zes weken ingediend dient te worden. Een pro forma zienswijze is volgens verweerder niet mogelijk. Voorts stelt verweerder dat, nu eiseres in haar brief van 25 mei 2006 geen motivering van haar bezwaar heeft gegeven en eiseres tot het einde van de termijn heeft gewacht met het indienen van een niet gemotiveerde zienswijze, aan eiseres valt toe te rekenen dat verweerder het bezwaar van eiseres niet inhoudelijk kan behandelen. Vervolgens is namens eiseres bij brief van 13 juni 2006, bij verweerder ontvangen op 15 juni 2006, een motivering van de zienswijze gegeven. Hierop heeft verweerder eiseres laten weten deze motivering niet meer te kunnen meenemen in haar besluitvorming nu deze buiten de termijn van zes weken is ingediend. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder, onder verwijzing naar de verklaring van geen bezwaar van GS, d.d. 21 september 2006, vrijstelling verleend voor uitbreiding van het bedrijfsterrein, een kleine verlegging van een beek en de aanleg van twee duikers. Hiertegen is namens eiseres beroep ingesteld. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de wijziging van het gebruik van de bestemming waarvoor vrijstelling is verleend niet binnen het provinciale en landelijke beleid past. In verweer hiertegen stelt verweerder dat, nu eiseres niet conform de geldende regels een zienswijze heeft ingediend, het namens eiseres ingestelde beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank ziet allereerst aanleiding om de vraag te beantwoorden of zij bevoegd is van het onderhavige beroep kennis te nemen. Daaromtrent wordt als volgt overwogen. Gelet op artikel 19a, vierde lid, van de WRO, heeft verweerder terecht op de voorbereiding van het vrijstellingsbesluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb - uniforme openbare voorbereidingsprocedure (hierna te noemen uov) - toegepast. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft. Volgens vaste jurisprudentie volgt uit het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de WRO, dat, indien vrijstelling wordt verleend ten behoeve van een bouwvergunningplichtig project, de rechtmatigheid van de vrijstelling pas aan de orde kan komen in het kader van de bouwvergunningprocedure (AbRS 24 maart 2004, Gst. 2004, 90 en AbRS 7 april 2004, 200305788/1). Voorts is in dit verband het volgende van belang. In de Kamerstukken II 2003 – 2004, 29 412, nr. 3, MvT, p. 85-86 is aangegeven dat uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet volgt “dat de beroepsgang met betrekking tot de bouwvergunning leidend is. Aangezien op een bouwvergunning (als regel) niet de uov van toepassing is, dient alvorens beroep in te kunnen stellen eerst een bezwaarschriftprocedure te worden gevolgd ingevolge artikel 7:1 Awb. Dit geldt derhalve ingevolge artikel 49, vijfde lid, ook voor vrijstellingen die betrekking hebben op een bouwvergunning, ook al is die vrijstelling wel voorbereid met toepassing van de uov, waarbij normaliter ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, de bezwaarschriftprocedure buiten toepassing zou blijven”. Gelet op zowel het bepaalde in voormelde artikelen als het feit dat in het onderhavige geval vrijstelling is verleend ten behoeve van een project dat in elk geval voor een deel niet bouwvergunningplichtig is, moet dan ook direct beroep worden ingesteld tegen de vrijstelling en hoeft niet eerst bezwaar te worden gemaakt. De rechtbank acht zich derhalve bevoegd van het beroep kennis te nemen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiseres in haar beroep kan worden ontvangen. Van belang is dat in artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van die wet naar voren heeft gebracht. Ter zitting heeft de gemachtigde van vergunninghoudster aan de orde gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is om de reden dat de door eiseres ingediende pro forma zienswijze, gelet op de datum waarop deze bij verweerder is ingeboekt (29 mei 2006), te laat is ingediend. Eiseres stelt zich ten aanzien hiervan op het standpunt dat haar voorzitter de pro forma zienswijze op 26 mei 2006 in de brievenbus heeft gedeponeerd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:16 van de Awb bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken. Deze termijn vangt, gelet op het tweede lid van dit artikel, aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd, in dit geval 14 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.