RECHTBANK ROERMOND Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Procedurenummer : AWB 05/1634 Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats] (Duitsland), eiser, gemachtigde [gemachtigde eiser], tegen : de Heffingsambtenaar van de gemeente Roermond, verweerder. 1. Procesverloop Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2005 krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de door verweerder als onroerend aangemerkte zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] (hierna: de Marina), per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op € 145.000,=. Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar ingediend bij schrijven van 22 augustus 2005. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2005 de waarde gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 17 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 18 oktober 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2006 te Roermond. Eiser is niet in persoon verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde en mr. [...]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer [gemachtigde verweerder]. Aan de zijde van verweerder is als taxateur verschenen de heer [taxateur]. 2. Feiten Eiser is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een zogenoemde Marina. De Marina is gelegen op het vakantiepark “Marina Oolderhuuske”. Een Marina is een drijvende woning, die bestaat uit een houten opbouw, welke is geplaatst op een betonnen caisson. De Marina is door middel van verschuifbare ringen verbonden aan twee in de grond verankerde stabilisatiepalen die het mogelijk maken om omhoog of omlaag te bewegen. De Marina heeft een aanlegsteiger en is met een flexibel leidingensysteem aangesloten op het rioleringstelsel, waterleiding, telefoon, elektriciteit- en gasnet. De inhoud van Marina bedraagt ongeveer 415m³ en het object heeft een totale oppervlakte van ongeveer 325m². 3. Geschil In geschil is of de Marina als een onroerende zaak moet worden aangemerkt die in de heffing van de Wet WOZ kan worden betrokken. Ook bestaat tussen partijen verschil van mening of het vertrouwensbeginsel is geschonden door de Marina thans, in afwijking van het standpunt dat verweerder dienaangaande in eerdere jaren en in eerdere procedures heeft ingenomen, als een onroerende zaak aan te merken. Tenslotte dient de rechtbank te beoordelen of het gelijkheidsbeginsel is geschonden nu in beroep is gesteld dat vergelijkbare gevallen anders worden behandeld door verweerder. 4. Beoordeling van het geschil De rechtbank overweegt allereerst dat de door verweerder vastgestelde waarde per peildatum 1 januari 2003 voor de Marina ad € 145.000,= in beroep niet als zodanig is bestreden. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door de Marina van eiser thans te betrekken in de heffing van de Wet WOZ, omdat verweerder de Marina thans, anders dan voorheen, als een roerende zaak beschouwt. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag komt de rechtbank immers aan de overige vragen niet meer toe. Namens eiser is in dit verband naar voren gebracht dat verweerder in de in beroep overgelegde uitspraak op bezwaar van 17 december 1999 tegen de WOZ-beschikking 1997-2000 bewust en expliciet als zijn standpunt heeft bepaald dat de Marina’s roerend zijn nadat eerder een drijvende Marina door verweerder als onroerende zaak was aangemerkt. Ook het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch is in een uitspraak van 8 april 2005, kenmerk 01/00754, in een zaak aangaande een Marina uitgegaan van het roerende karakter daarvan. Aan deze meerjarige gedragslijn kan volgens eiser het rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend dat de Marina niet in de heffing van de onroerendezaaksbelasting zou worden betrokken. Dat de Marina thans als een onroerende zaak wordt aangemerkt, is verweerder eerst en slechts impliciet kenbaar gemaakt in de aanslag onroerendezaaks-belasting met dagtekening 31 juli 2005. Daarbij is van belang dat de aan het zogenoemde Portacabin-arrest (HR 31 oktober 1997, NJ 1998/97) ontleende criteria, die verweerder nu aanwendt ter onderbouwing van het standpunt dat de Marina een onroerende zaak is, al bekend waren voordat verweerder in voornoemde uitspraak op bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 1997-2000 heeft bepaald dat de Marina een roerende zaak is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het object [adres] een samenstel is in de zin van artikel 16, onder d, van de Wet WOZ. Het samenstel omvat ongebouwde eigendommen (grond) en gebouwde eigendommen (aanlegplaats, stabilisatiepalen en de Marina). Met uitzondering van de Marina is het onderhavige object sinds de plaatsing aangemerkt als een onroerende zaak en als zodanig in de heffing van de Wet WOZ betrokken. Het betrekken van de Marina vanaf 2005 in de waarde is een rechtstreeks gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002 (BNB 2002/374) inzake de drijvende steigers. Het belastingjaar 2005 is gekozen vanwege het samenvallen met de ingang van het nieuwe heffingstijdvak in het kader van de Wet WOZ. Verweerder acht het niet strijdig met het vertrouwensbeginsel om de waardebepaling en waardevaststelling per het tijdvak 2005-2007 in overeenstemming te brengen met de dan geldende jurisprudentie. De rechtbank overweegt dat verweerder ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 20 september 2002 (BNB 2002/374), de Marina van eiser als onroerend heeft kunnen beschouwen. Dat verweerder hiermee een nieuw standpunt heeft ingenomen, levert naar het oordeel van de rechtbank als zodanig geen schending van het vertrouwensbeginsel op. Daartoe acht de rechtbank van belang dat een bestuursorgaan de bevoegdheid niet kan worden ontzegd een onjuist gebleken standpunt te herstellen dan wel een eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank overweegt dat hoewel verweerder de Marina van eiser een aantal jaren als roerende zaak heeft aangemerkt dit op zich zelf bezien niet een standpuntbepaling is, waarvan verweerder bij nieuwe inzichten of veranderde jurisprudentiële ontwikkelingen niet meer zou kunnen en mogen afwijken. Bij dit oordeel heeft de rechtbank verder betrokken dat, blijkens de eerdere procedures, de (gemeentelijke) belastingplicht in verband met het bezit en het gebruik van een Marina reeds geruime tijd onderwerp van discussie vormt. Aan het vorenstaande doet naar dezerzijds oordeel verder niet af dat een wijziging van dat standpunt, al dan niet vanwege gewijzigde jurisprudentie, mogelijk ook eerder zou hebben gekund. Niet gezegd kan verder worden dat eiser niet in de gelegenheid is geweest zich over dit gewijzigde standpunt nader uit te laten en/of feiten en omstandigheden aan te voeren waarom in zijn concrete geval wel sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank acht in het kader van het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel overigens niet van belang dat het Gerechtshof in de voornoemde uitspraak van 8 april 2005 is uitgegaan van het roerende karakter van de zaak nu in de procedure die tot die uitspraak heeft geleid tussen partijen niet in geschil was dat de Marina als roerende zaak werd aangemerkt. Een geschil over de vraag of de Marina als roerend dan wel onroerend moest worden aangemerkt lag derhalve aan het Gerechtshof niet voor. Vervolgens wordt als volgt overwogen. In artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Artikel 3:4 van het BW bepaalt dat al hetgeen volgens verkeersopvattingen onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak is en dat een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één der zaken, bestanddeel wordt van de hoofdzaak. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 oktober 1997 (NJ 1998/97) het volgende overwogen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.