RECHTBANK ROERMOND Sector civielrecht Zaaknummer: 86226 / FA RK 08-540 Beschikking van 25 februari 2009 betreffende echtscheiding in de zaak van: [man], wonende te [adres], hierna te noemen de man, advocaat: mr. R.M.I. Cornelissen; tegen: [vrouw], wonende te [adres], hierna te noemen de vrouw, advocaat: mr. O.J.H.M. van Eijndhoven, hierna ook te noemen de echtgenoten. 1. Het verloop van de procedure 1.1. De man heeft op 16 april 2008 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend dat bij exploot d.d. 28 april 2008 aan de vrouw is betekend. Bij dat verzoekschrift is verzocht een beslissing te nemen over: - de echtscheiding; - de hoofdverblijfplaats van de minderjarige; - een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderbijdrage); - de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. 1.2. De vrouw heeft op 03 september 2008 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend inhoudende het verzoek aan de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren danwel het verzoek van de man af te wijzen althans hem in zijn verzoek niet ontvankelijk te verklaren. 1.3. Op 03 oktober 2008 is ter griffie ingekomen een brief van mr. R.M.I. Cornelissen d.d. 02 oktober 2008. 1.4. Op 12 november 2008 is ter griffie ingekomen een brief van mr. O.J.H.M. van Eijndhoven, met bijlagen. 1.5. Op 22 januari 2009 is ter griffie ingekomen een faxbericht van mr. O.J.H.M. van Eijndhoven met bijlagen. 1.6. De rechtbank heeft partijen bericht eerst een beslissing over de rechtsmacht te nemen aan de hand van de schriftelijke stukken. 2. De vaststellingen en overwegingen 2.1. Overeenkomstig het verzoek van de echtgenoten zal de rechtbank thans aan de hand van de schriftelijke stukken een beslissing geven aangaande de vraag of zij internationale rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek en de nevenverzoeken. 2.2. De rechtbank zal alvorens hierover te beslissen de man niet meer in de gelegenheid stellen om te reageren op de akte met producties van de vrouw ingediend d.d. 11 november 2008. De producties zijn overgelegd op vraag van de rechtbank. De rechtbank zal alleen op de inhoud daarvan acht slaan en niet op de akte voor zover deze een inhoudelijke reactie op de producties geeft. 2.3. Uit de overgelegde bescheiden blijkt hetgeen bij het verzoekschrift is gesteld over het huwelijk en de Nederlandse nationaliteit van de echtgenoten. 2.4. De echtgenoten hebben het thans nog minderjarige kind: [kind], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992. Dit kind bezit de Nederlandse nationaliteit. 2.5. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hadden de echtgenoten en het kind woonplaats in Spanje. 2.6. Het verzoek tot echtscheiding. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe om te oordelen over dit verzoek, nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit bezaten (artikel 3, lid 1 aanhef en sub b van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 (Brussel-II-bis). 2.7. Het nevenverzoek betreffende de woonplaats van het kind. Aan de Nederlandse rechter komt geen rechtsmacht toe ten aanzien van dit nevenverzoek, nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de minderjarige zijn gewone verblijfplaats had in een andere lidstaat van de Europese Unie waarvoor de Verordening Brussel-II-bis geldt en aan de rechter in die lidstaat rechtsmacht toekomt ten aanzien van het voormelde nevenverzoek. 2.8. Het nevenverzoek aangaande de kinderbijdrage. Nu dit verzoek als nevenvoorziening in de procedure tot echtscheiding is ingediend en de Nederlandse rechter ten aanzien van het hoofdverzoek rechtsmacht heeft, komt hem eveneens rechtsmacht toe ten aanzien van dit nevenverzoek (artikel 5, aanhef en sub 2. van de verordening (EG) nr. 44/2001 (EEX-verordening). 2.9. Het nevenverzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Nu de echtgenoten volgens de overgelegde huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen (artikel 1), zal de rechtbank zich er eveneens over uitlaten of zij rechtsmacht heeft ten aanzien van een verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 2.10. De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 4, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe om te oordelen over het nevenverzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dan wel tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 2.11. De rechtbank is van oordeel dat de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter vaststaat ten aanzien van de verzoeken tot echtscheiding, betreffende de kinderbijdrage en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dan wel de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 2.12. De rechtbank concludeert voorts uit de stellingen en overgelegde stukken, dat thans tussen de echtgenoten tevens een procedure aanhangig is bij de Spaanse rechter in de rechtbank te Torrevieja strekkende tot echtscheiding met diverse nevenvoorzieningen. 2.13. Over aanhangigheid en onderling samenhangende procedures bepaalt artikel 19 Brussel-II-bis: 1. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat. 2. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat. 3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar dat gerecht. In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. 2.14. Ingevolge het bepaalde van artikel 19 Brussel-II-bis zal de zaak moeten worden voortgezet bij de rechter bij wie de zaak het eerst is aangebracht. 2.15. Artikel 16 Brussel-II-bis bevat een Verordeningsautonome regeling om te bepalen op welk tijdstip een zaak geacht wordt te zijn aanhangig gemaakt bij een gerecht. Zowel de Nederlandse als de Spaanse rechter zal aan de hand van deze bepaling moeten vaststellen op welk moment de procedures geacht moeten worden te zijn aanhangig gemaakt. Daarna kan worden vastgesteld welke procedure het eerst is aangebracht en waartoe ieder van de beide geadieerde gerechten tot elkaar zijn gehouden ingevolge het bepaalde in artikel 19 Brussel-II-bis. 2.16. Artikel 16 Brussel-II-bis luidt: 1. Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.