RECHTBANK ROERMOND Parketnummer : 04/850985-06 Uitspraak d.d. : 1 april 2009 TEGENSPRAAK VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: naam : [naam] voornamen : [voornaam] geboren op : [geboortedatum] adres : [adres] plaats : [woonplaats]
(1990). Van de inkomsten stelt verdachte gespaard te hebben. Hij heeft voornamelijk gewerkt via uitzendbureaus. Voor 2000 was verdachte werkzaam als uitbener bij een slachthuis in Helden-Panningen en verdiende naar zijn zeggen ongeveer 1800 gulden per maand. Omstreeks 2000 heeft verdachte samen met zijn zwager een friture gehad. Het pand werd gehuurd en voor de inventaris werd nfl 79.000,-- betaald. Ongeveer eind 2001 zijn ze met de friture gestopt omdat ze te weinig overhielden om rond te komen, de inventaris is toen verkocht voor € 47.000,-- welk bedrag gedeeld werd. Verdachte heeft vervolgens gewerkt voor uitzendbureau [naam] in Roermond en sinds ongeveer twee jaar voor [naam] uit Herkenbosch. Zijn inkomsten hieruit zijn ongeveer € 1.200,--/€ 1.300,-- per maand. Verdachte stelt verder inkomsten te hebben uit de handel in auto’s naar Marokko samen met ene Said. Hij verhandelt drie a vier auto’s per jaar en schat hier € 3.000,-- tot € 4.000,--per auto op te verdienen. Ook is er sprake van een erfenis in Marokko, waarvan niet bekend is wat verdachte heeft geërfd, omdat er problemen zijn over de verdeling. Verdachte heeft voorts verklaard al acht tot negen jaar, samen met zijn vrouw en vier kinderen in een huurwoning te wonen. Door de verdachte ([naam]) wordt op 4 december 2006 bij de politie verklaard dat hij in 2001/2001 een friture heeft gehad samen met een compagnon. Verdachte stelt dan dat het geld dat in de auto en bij thuis werd aangetroffen door hem is verdiend in de drie jaren dat hij samen met zijn compagnon de friture exploiteerde. Wat betreft de handel in auto’s verklaart verdachte per jaar vier a vijf auto’s te verhandelen. Hij kocht de auto’s in Duitsland en verkocht ze naar Oost-Europa. Verdachte doet dit al twee a drie jaar en denkt ongeveer 10 tot 15 auto’s te hebben verkocht. Hij zegt per auto ongeveer € 1.000,-- tot € 2.000,-- winst te hebben gemaakt. Verdachte verklaard verder bankrekeningen te hebben in Nederland en Marokko. Op de rekening in Nederland staat ongeveer € 15.000,-- en op die in Marokko € 9.000,--. Dit laatste geld is afkomstig uit de handel in vlees. Deze vleeshandel vond plaats voordat verdachte de friture had. Door de getuige [naam] (de echtgenote van verdachte) wordt op 2 december 2006 verklaard dat zij sinds 1990 gehuwd is. Haar man is werkzaam bij uitzendbureau’s en verdient ongeveer € 1.200,-- per maand . Hij doet dit werk sinds hij is gestopt met de friture die ze van 2000 tot 2001 hebben gehad. De inkomsten waren toen ongeveer € 1.800,-- per maand, welk bedrag werd gedeeld tussen haar man en haar broer. De friture werd gehuurd. Het interieur werd door haar man samen met haar broer gekocht. Ieder heeft 40.000,-- gulden betaald. Toen de friture werd verkocht is het interieur voor € 41.000,-- verkocht. Dit bedrag is gedeeld. Haar man kreeg dus € 20.500,--. Dit bedrag is op de spaarrekening gestort en er is nog ongeveer € 1.400,-- van over. [naam echtgenote] verklaart voorts sinds 1998 in de huidige woning te wonen met haar gezin. Het huurbedrag is € 487,-- waarop huursubsidie in mindering wordt gebracht. Zij weet niet of haar man na het overlijden van zijn vader iets heeft geërfd. Ook zegt zij geen rekeningen te hebben in het buitenland. Over de handel in auto’s verklaart zij dat haar man auto’s koopt in Duitsland en doorverkoopt. Dit zou gaan om 10 tot 15 auto’s per jaar. In het ter zake opgemaakte raam proces-verbaal wordt door de verbalisant [naam verbalisant] gerelateerd dat het inbeslaggenomen geld bedrag van € 65.530,-- bestond uit voornamelijk kleinere coupures. Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 151.930,--bestaat ook diverse coupures. Waarvan een bedrag van € 93.600,-- bestond uit coupures van 50 euro (1872 stuks). In het proces-verbaal wordt opgemerkt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de handel in verdovende middelen grote hoeveelheden geld genereert, veelal in kleinere coupures. In het proces-verbaal wordt nog gerelateerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verdachte in de periode dat hij in Nederland verblijft (16 jaar) een bedrag van in totaal € 274.224,-- uit zijn reguliere werkzaamheden heeft overgehouden en gespaard. Gemiddeld gezien zou verdachte dan per jaar circa € 16.000,-- hebben overgehouden om te sparen. Een dergelijk bedrag is echter, in ieder geval voor een groot aantal jaren, hoger dan zijn normale (regulier bekende) inkomen. Bovendien wordt gesteld dat verdachte zijn legale inkomsten, voor zover die er waren, geheel nodig had om het levensonderhoud van hem en zijn gezin te bekostigen. Sparen van deze legale inkomsten is (nagenoeg) onmogelijk. Samengevat blijkt uit het dossier dat: - bij verdachte in de door hem bestuurde personenauto op de vloer voor de bijrijdersplaats een geldbedrag van € 65.530,-- wordt aangetroffen terwijl hij van Duitsland naar Nederland wil reizen; -dat verdachte zich aan de controle door de politie heeft willen onttrekken; -dat vervolgens bij een doorzoeking in de woning van verdachte, in een laptoptas verstopt in een wasmand, een geldbedrag groot € 151.930,-- en in de linnenkast een bedrag groot € 1.900,-- is aangetroffen; -deze geldbedragen inbeslaggenomen zijn en voornamelijk bestaan uit kleinere coupures; - dat het een feit van algemene bekendheid is dat de handel in verdovende middelen grote hoeveelheden geld genereert, veelal in kleine coupures; -dat tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte verder inbeslaggenomen is een geldtelmachine, een grote hoeveelheid elastiekjes waarmee geldpaketen kunnen worden gebundeld, 458,7 gram hasjiesj, 7,61 gram hennep en 4,77 gram cocaïne; - dat de verdachte steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent de herkomst van het geld, die naar het oordeel van de rechtbank zijn bedoeld om de waarheid te bemantelen; - dat verdachtes echtgenote beduidend anders verklaart dan verdachte en niets weet over de herkomst van het geld; - dat verdachte recent in Duitsland is veroordeeld voor de invoer van 41 kilogram hasjiesj; -dat verdachte in Nederland in 1997 is veroordeeld ter zake overtreding van artikel 2 juncto 10 en 3 juncto 11 van de Opiumwet. Op grond van de genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag totaal groot € 219.360,-- - middellijk of onmiddellijk - afkomstig is uit enig misdrijf als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. De rechtbank houdt het er voor dat verdachte geld heeft verdiend aan de handel in drugs. Een en ander wordt mede bevestigd door het aantreffen van vier mobiele telefoons bij verdachte, waarvan er drie in werking waren, en het de rechtbank ambtshalve bekend is dat handelaars in drugs veelal verschillende mobiele telefoons gebruiken en die vaak wisselen teneinde de kans op ontdekking zoveel mogelijk te verkleinen. De wisselende en tegenstrijdige verklaringen die verdachte heeft afgelegd zoals over de erfenis van zijn vader aangetroffen in de wasmand zijn naar het oordeel van de rechtbank bedoeld om de waarheid te bemantelen. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat ook de verklaring van de echtgenote van verdachte op onderdelen beduidend anders is dan hetgeen door verdachte is verklaard. Voorts zijn de legale traceerbare inkomsten van verdachte al jarenlang op een minimum niveau dan wel iets daarboven, heeft zijn echtgenote geen eigen inkomsten en is het derhalve niet mogelijk dat verdachte een aanmerkelijk deel van deze gelden gespaard zou kunnen hebben. Het ten laste gelede is dan ook door verdachte begaan met dien verstande dat: 1 primair. hij op 30 november 2006, in de gemeente Roermond, een hoeveelheid geld, te weten 219.360 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geld -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Ten aanzien van het sub 2 en 3 ten laste gelegde. Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting van 18 maart 2009 , het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [naam verbalisant] betreffende het aantreffen en de inbeslagneming van de verdovende middelen, onder vermelding van de bij die verdovende middelen behorende (NFI) codes , een proces-verbaal technisch onderzoek (ODV-test) betreffende de verdovende middelen en het Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende de cocaïne , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
- hij op 30 november 2006 in de gemeente Roermond opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,77 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
- hij op 30 november 2006 in de gemeente Roermond opzettelijk aanwezig heeft gehad 458,7 gram hasjiesj en 7,61 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als in de bij de Opiumwet behorende lijst II. 8 Kwalificatie Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven: Ten aanzien van. feit 1 primair: Witwassen. Ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Ten aanzien van feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het misdrijf sub 1 primair is strafbaar gesteld bij artikel 420 bis van het Wetboek van Strafrecht. Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet. De misdrijven sub 3 zijn strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.
- De strafbaarheid van verdachte De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.
- De straffen en/of maatregelen 10.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 18 maart 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het sub 1 primair, het sub 2 en het sub 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 15 maanden. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat nu enkel het sub 2 en 3 tenlastegelegde in zijn ogen kan worden bewezenverklaard en het oude feiten betreffen, volstaan kan worden met een geldboete, een voorwaardelijke straf of een taakstraf. 10.3 De overwegingen van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Hij heeft een grote hoeveelheid geld voorhanden gehad waarvan hij wist dat dit geld uit misdrijf, naar alle waarschijnlijkheid drugshandel afkomstig was. Uit deze grote geldsom kan worden afgeleid dat verdachtes illegale praktijken aanzienlijk waren. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld. Voorts is bij de strafoplegging rekening gehouden met het tijdsverloop. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een passende bestraffing dient te ondergaan die, met inachtneming van de persoon, recht doet aan het bewezenverklaarde en waarvan tevens een generaal preventieve werking uit dient te gaan. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 240 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen. Met het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden wordt de strafoplegging bovendien dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. 10.4 Verbeurdverklaring De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven na te noemen voorwerpen, dienen te worden verbeurdverklaard. Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met betrekking tot die voorwerpen het feit is begaan. 06-006367 1 € 151.930,-- - aangetroffen in tas in wasmand op slaapkamer 06-006367 2 € 65.630,-- - aangetroffen op vloer van auto kenteken E-OX 1809 06-006367 3 € 1.900,-- - aangetroffen in linnenkast op slaapkamer 06-006367 61 1.00 STK Electra - geldtelmachine 10.5 Teruggave De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven na te noemen voorwerpen, dienen te worden teruggeven aan verdachte. 06-006367 6 12.00 STK Bril 06-006367 15 67.00 STK Bril 06-006367 34 1.00 STK Tas Kl:blauw - met elastieken 06-006367 40 1.00 STK Tas - laptoptas 06-006367 67 1.00 STK Telefoontoestel Kl:rood NOKIA mobiel 06-006367 68 1.00 STK Telefoontoestel Kl:beige NOKIA mobiel 06-006367 69 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zilver NOKIA mobiel 06-006367 70 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs NOKIA mobiel 10.5 Bewaren ten behoeve van de rechthebbende De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven na te noemen voorwerp, dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. 06-006367 37 1.00 STK Horloge BREITLING
- Toepasselijke wetsartikelen Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 63, 420bis. Opiumwet art. 2, 3, 10,
- BESLISSING De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub1 primair, sub 2 en sub 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar; veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid; beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast; verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid; beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling welke verdachte heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld. veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden, bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomene, te weten: 06-006367 1 € 151.930,-- - aangetroffen in tas in wasmand op slaapkamer 06-006367 2 € 65.630,-- - aangetroffen op vloer van auto kenteken E-OX 1809 06-006367 3 € 1.900,-- - aangetroffen in linnenkast op slaapkamer 06-006367 61 1.00 STK Electra - geldtelmachine Teruggave van het inbeslaggenomene, te weten: 06-006367 6 12.00 STK Bril 06-006367 15 67.00 STK Bril 06-006367 34 1.00 STK Tas Kl:blauw - met elastieken 06-006367 40 1.00 STK Tas - laptoptas 06-006367 67 1.00 STK Telefoontoestel Kl:rood NOKIA mobiel 06-006367 68 1.00 STK Telefoontoestel Kl:beige NOKIA mobiel 06-006367 69 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zilver NOKIA mobiel 06-006367 70 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs NOKIA mobiel aan verdachte. Bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten: 06-006367 37 1.00 STK Horloge BREITLING Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.J.H. van den Hombergh en M.I.J. Hegeman, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van H.C.W. Terpelle als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 1 april 2009 . typ: TERP