RECHTBANK ROERMOND Sector kanton Zaaknummer: 261732 \ AZ VERZ 09-376 Beschikking van de kantonrechter te Roermond d.d. 27 januari
(2009)ingezette intervisiegesprekken de beoordelaar voldoende houvast hebben geboden om op de ingeslagen weg door te gaan, wordt er op 30 juni 2009 tijdens een gespek met de voorzitter van het bestuur niet gerept van een voornemen tot beëindiging van het dienstverband, wordt bij brief van 17 juli 2009 door het bestuur en de raad van commissarissen van verzoekster aangegeven dat verzoekster het dienstverband wil beëindigen en dat verweerder met onmiddellijke ingang op non-actief wordt gesteld. De reden daarvoor, zo wordt gesteld, is dat verweerder op dat moment niet de juiste man op de juiste plek zou zijn. De onderbouwing hiervan moet dan blijken uit een, niet-gedateerde maar kennelijk achteraf opgestelde verklaring van de voorzitter van het bestuur, die als productie 10 bij het verzoek is overgelegd en waarbij de raad van commissarissen zich zonder enige onderbouwing, opnieuw kennelijk achteraf, bij aansluit. Een dergelijke gang van zaken kan niet als zorgvuldig worden aangemerkt en voldoet in gene delen aan de hiervoor geformuleerde criteria. Het verzoek is daarmee volstrekt onvoldoende gemotiveerd. 2.
- Omdat de verhoudingen tussen partijen door deze gang van zaken wel ernstig verstoord zijn, zal de kantonrechter het verzoek niet afwijzen, maar de ontbinding toewijzen op grond van gewijzigde omstandigheden, en wel met ingang van 1 maart
- Gezien de gang van zaken zoals hiervoor geschetst, het langdurige dienstverband van verweerder bij de Rabobankgroep en de staat van dienst van verweerder, zal de kantonrechter een ontbindingsvergoeding toekennen. Hiertoe zal de kantonrechtersformule gehanteerd worden en wel op de navolgende wijze. 2.
- Verzoekster heeft gesteld dat, indien de kantonrechter zou oordelen dat een ontbindingsvergoeding in de rede ligt, er voor wat betreft de A-factor van de kantonrechtersformule vanuit gegaan dient te worden dat verweerder op 1 maart 2008 in dienst van verzoekster is getreden. Hooguit zou, aldus verzoekster, kunnen worden uitgegaan van de aanvangsdatum 1 augustus 2007, het moment waarop verweerder bij verzoekster is gedetacheerd. Verweerder heeft gesteld dat hij vanaf 1 augustus 1973 onafgebroken bij de Rabobankorganisatie werkzaam is geweest en dat hiervan dan ook uitgegaan dient te worden. 2.
- Naar het oordeel van de kantonrechter dient uitgegaan te worden van de ingangsdatum van 1 augustus
- Verweerder is toen op 18 jarige leeftijd, direct na het behalen van het HAVO-diploma, in dienst getreden bij de Rabobankorganisatie. Sindsdien heeft verweerder onafgebroken bij de Rabobank-organisatie gewerkt. Verweerder heeft, mede als gevolg van de opleidingen en cursussen die hij gevolgd heeft, een loopbaan gehad, waarbij hij regelmatig op een hoger niveau is gaan werken. Indien de redenering van verzoekster gevolgd zou worden, zou verweerder bij de Rabobank-organisatie 14 nieuwe dienstverbanden gehad hebben maar geen anciënniteit hebben opgebouwd. De Rabobank-organisatie heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot een zodanige samenhangende eenheid dat niet langer volgehouden kan worden dat een werknemer, die in de loop van zijn zich ontwikkelende loopbaan bij steeds een andere vestiging te werk wordt gesteld, daarmee geen anciënniteit zou opbouwen. De Rabobank-organisatie duidt zichzelf ook aan als Rabobank-groep. Er is sprake van een eigen Rabobank CAO, er is een eigen pensioenregeling en de Rabobank-groep geeft jaarlijks één gemeenschappelijk jaarverslag uit. De Rabobank-groep kent een regeling Mobiliteit Directeuren. Kortom, ampele redenen om in dit verband uit te gaan van een anciënniteit van bijna 37 jaar. 2.
- Voor wat de C-factor in de kantonrechtersformule betreft, wordt als volgt overwogen. Hiervoor is al geconstateerd dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat verweerder tekort geschoten zou zijn in de uitoefening van zijn functie en dat de handelwijze van verzoekster niet zorgvuldig is geweest. Door verweerder is onweersproken gesteld dat voor twee collega-directeuren, die beiden ook uit hun functie ontheven zijn, een alternatief binnen de Rabobank-groep is gevonden. Ten aanzien van verweerder heeft verzoekster in deze richting geen enkele actie willen ondernemen, hoewel verweerder daar nadrukkelijk om verzocht heeft. De gang van zaken is niet alleen onzorgvuldig ten opzichte van verweerder maar ook beschadigend. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat de C-factor in dit geval op 2 gesteld dient te worden. 2.
- Op grond van het voorgaande wordt als vergoeding voorgesteld: - een bedrag van EUR 716.968,00 bruto, ten titel van suppletie op de toe te kennen uitkering krachtens de sociale wetgeving danwel elders te verwerven lager salaris. 2.
- Verzoekster heeft tot uiterlijk 12 februari 2010 de gelegenheid het verzoek in te trekken. 2.
- In de aard en uitkomst van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren.
- De beslissing 3.
- Ontbindt de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2010, tenzij verzoekster het verzoek uiterlijk op 12 februari 2010 heeft ingetrokken. 3.
- Kent aan verweerder ten laste van verzoekster, indien deze niet uiterlijk op 12 februari 2010 het verzoek heeft ingetrokken, als vergoeding in de zin van artikel 7:685, lid 8, van het Burgerlijk Wetboek toe: - een bedrag van EUR 716.968,00 bruto, ten titel van suppletie op de toe te kennen uitkering krachtens de sociale wetgeving danwel elders te verwerven lager salaris. 3.
- Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.
- Wijst - voor zover nodig - het meer of anders verzochte af. Aldus gegeven door mr. F.R. Soutendijk, kantonrechter, en ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.