RECHTBANK ROERMOND Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer Procedurenummer: AWB 10 / 921 Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake [eiseres] te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. P.J.G. Goumans, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2010 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiseres tegen de oplegging van een drietal bestuurlijke boetes. Tegen eerstgenoemd besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 3 november 2010, waar eiseres is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door Z. Milikic. Het beroep met procedurenummer AWB 10 / 701, tegen het weigeren van het verlenen van uitstel van betaling, welke gevoegd met onderhavige procedure zou worden behandeld, is door de gemachtigde van eiseres ter zitting ingetrokken. 2. Overwegingen 2.1. Eiseres exploiteert een melkveehouderij. In de periode vanaf 29 augustus 2008 tot 5 februari 2009 heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) het bedrijf van eiseres gecontroleerd op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2007. De bevindingen van de AID zijn neergelegd in een rapport van 5 februari 2009. De AID heeft in het rapport geconcludeerd dat eiseres de gebruiksnorm dierlijke mest in 2007 met 3.769 kg stikstof, de stikstofgebruiksnorm met 2.832 kg en de fosfaatgebruiksnorm met 1.091 kg heeft overschreden. 2.2. Op 28 juli 2009 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt om eiseres in verband met het overschrijden van de hiervoor genoemde gebruiksnormen een bestuurlijke boete op te leggen van in totaal EUR 41.054,50. Naar aanleiding van dit voornemen heeft eiseres een zienswijze ingediend. 2.3. Bij besluit van 17 september 2009 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat hij, mede naar aanleiding van de zienswijze, de overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke mest heeft vastgesteld op 3.687 kg en eiseres een bestuurlijke boete oplegt van EUR 25.809,00 (3.687 x EUR 7,00). De overschrijding van de stikstofgebruiksnorm is, mede naar aanleiding van de zienswijze, vastgesteld op 2.655 kg en eiseres krijgt hiervoor een bestuurlijke boete opgelegd van EUR 9.292,50 (2.655 x EUR 3,50). Tot slot heeft verweerder, mede naar aanleiding van de zienswijze, de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm vastgesteld op 1.021 kg en eiseres hiervoor een bestuurlijke boete opgelegd van EUR 5.615,50 (1.021 x EUR 5,50). Het totaalbedrag van de boetes bedraagt derhalve EUR 40.717,00. 2.4. Ter motivering van de opgelegde boete heeft verweerder overwogen dat de percelen van eiseres met de hoofdfunctie natuur niet kunnen worden meegenomen bij de berekening van de totale gebruiksruimte. Dit terrein valt niet onder de definitie landbouwgrond. Dat de van Staatsbosbeheer gepachte percelen de hoofdfunctie natuur hebben blijkt uit het rapport van de AID en is bevestigd door G.J.H. Hendriks, opzichter van Staatsbosbeheer. Tevens is geconstateerd dat de percelen 7, 21 en 34 niet feitelijk bij eiser in gebruik waren, zodat ook deze percelen niet kunnen worden meegenomen bij de berekening van de gebruiksruimte. Uit het rapport van de AID blijkt dat de percelen 7 en 21 niet bij eiseres, maar bij de eigenaren van de desbetreffende percelen zelf feitelijk in gebruik waren. Deze eigenaren hebben dit tijdens het onderzoek tegenover de AID verklaard. Perceel 34 betreft een (achter)tuin en geen landbouwgrond, en kan reeds om die reden niet worden meegenomen bij de berekening van de gebruiksruimte. Eiseres heeft niet heeft voldaan aan (één van) de voorwaarden voor derogatie, nu zij bij een berekening van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen op basis van 250 kilogram per hectare per kalenderjaar, niet binnen de gebruiksnorm blijft. Omdat aan de genoemde derogatievoorwaarde niet is voldaan is bij de uiteindelijke berekening van een gebruiksnorm van 170 kilogram per hectare uitgegaan. Bij die berekening is gebleken dat eiseres de gebruiksnorm dierlijke meststoffen, de stikstofnorm en de fosfaatgebruiksnorm in 2007 heeft overschreden. Eiseres heeft tot slot overwogen dat opzet geen vereiste is voor overtredingen in het kader van de Msw en dat schuld wordt verondersteld aanwezig te zijn. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van schuld in de zin van verwijtbaarheid. Naar het oordeel van verweerder is eiseres hierin niet geslaagd. 2.5. Eiseres voert in beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Verweerder is er ten onrechte van uitgegaan dat een aantal percelen niet als landbouwgrond kan worden aangemerkt, omdat zij als hoofdfunctie de functie natuur hebben. De desbetreffende percelen zijn niet in eigendom van Staatsbosbeheer maar van Rijkswaterstaat, en werden eerder al benut voor de inscharing van vee. In 2007 werden deze gronden via bemiddeling door Staatsbosbeheer in mondelinge pacht verkregen. Het is dan ook feitelijk onmogelijk dat voor deze gronden uit een schriftelijke pachtovereenkomst zou blijken dat de hoofdfunctie natuur zou zijn, zoals verweerder heeft gesteld. Met betrekking tot het gebruik voor beweiding door vee golden in 2007 voor deze percelen geen beperkingen. Daarnaast hebben de percelen ook in het vigerende bestemmingsplan de bestemming agrarisch. De bevindingen van de AID voor wat betreft de niet feitelijk in gebruik zijnde percelen 7, 21 en 34 zijn onjuist, wat ook blijkt uit de door eiseres overgelegde verklaringen van de eigenaren van deze percelen. Enkel de gebruikssituatie in 2007 is relevant, terwijl verweerder zijn beslissing laat steunen op bevindingen van de AID die zijn gedaan in 2008. Niet in te zien valt waarom aan de verklaringen die zijn afgelegd tegenover de AID meer waarde zou toekomen dan de verklaringen die eiseres achteraf heeft ingebracht. Bovendien is verweerder uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Perceel 7 is veel groter dan door verweerder wordt aangegeven en bij perceel 34 is verweerder uitgegaan van een verkeerd perceel. Tot slot heeft eiseres betoogd dat haar geen enkel verwijt treft en dat haar daarom al geen boetes kunnen worden opgelegd. De gepachte gronden kunnen immers niet als niet-landbouwgrond worden aangemerkt, en de percelen 7, 21 en 34 waren wel feitelijk bij haar in gebruik. Daarnaast heeft eiseres ter zitting nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat in het geval niet aan (één van) de voorwaarden voor derogatie is voldaan wordt teruggevallen op de gebruiksnorm van 170 kg stikstof per hectare. Daarvoor is in de Msw noch in de daarop gebaseerde regelingen een basis te vinden. Wettelijk kader 2.6. Artikel 7 van de Msw bepaalt dat het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. Ingevolge artikel 8 van de Msw geldt het in artikel 7 gestelde verbod niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, de stikstofgebruiksnorm of de fosfaatgebruiksnorm niet overschrijdt. Artikel 9 van de Msw, eerste lid, bepaalt dat de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, 170 kilogram per hectare bedraagt. Ingevolge het tweede lid van artikel 9 kan bij ministeriële regeling een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden vastgesteld, die van toepassing is in de gevallen en onder de voorwaarden en beperkingen, bepaald bij de regeling. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Msw kan onze Minister een overtreder van onder andere artikel 7 en artikel 9 een bestuurlijke boete opleggen. Artikel 57 van de Msw bepaalt de in geval van overtreding van artikel 7 op te leggen bestuurlijke boete per kilogram waarmee de gebruiksnormen zijn overschreden. 2.7. Artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: de Regeling) bepaalt dat de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de Msw, 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is, indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 27 en 27a. Verwijtbaarheid 2.8. De rechtbank stelt voorop dat artikel 7 van de Msw geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. Daarom mag - gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) - het bestuursorgaan er in beginsel van uitgaan dat een overtreding aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de overtreder aannemelijk maakt dat in zijn geval sprake is van een schulduitsluitingsgrond die geheel of gedeeltelijk in de weg staat aan het opleggen van een boete. In dit verband verwijst de rechtbank onder meer naar de uitspraak van de ABRvS van 18 april 2007 met zaaknummer 200606587/1 (LJN BA3220). De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval sprake is van een schulduitsluitingsgrond. Het beroep kan op dit punt dan ook niet slagen. Natuurterrein 2.9. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de percelen die eigendom zijn van Staatsbosbeheer niet zijn aan te merken als landbouwgrond maar als natuurterrein met de hoofdfunctie natuur. Eiseres betwist dit overigens ook niet. Wel in geschil is of de gronden die eigendom zijn van Rijkswaterstaat en via bemiddeling door Staatsbosbeheer door eiseres zijn gepacht, ook zijn aan te merken als natuurgebied. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en zij motiveert dit oordeel als volgt. Om een bestuurlijke boete te kunnen opleggen wordt van een bestuursorgaan verwacht dat zij de hiervoor van belang zijnde feiten voldoende gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat in dit geval niet heeft gedaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiseres de in geschil zijnde gronden pacht door bemiddeling van Staatsbosbeheer, maar dat voor het jaar 2007 geen schriftelijke pachtovereenkomst is gesloten. Het is derhalve niet te achterhalen wat de gebruiksvoorwaarden voor de betreffende percelen in het jaar 2007 zijn geweest en of deze percelen als hoofdfunctie de functie natuur hadden of niet. De rechtbank is anders dan verweerder van oordeel dat deze gebruiksvoorwaarden in ieder geval niet uit de schriftelijke pachtovereenkomst voor het jaar 2008 zijn af te leiden. Door verweerder is niet inzichtelijk gemaakt waarom de gebruiksvoorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de pachtovereenkomst voor 2008 ook in 2007 van toepassing zouden zijn geweest. De door verweerder overgelegde verklaring van de heer Hendriks, opzichter van Staatsbosbeheer, maakt dit niet anders. Hendriks verklaart weliswaar dat in het eerdere pachtcontract met eiseres dezelfde beheersvoorwaarden waren opgenomen als in het contract van 2008, maar niet gebleken is dat er eerder een contract op schrift is gesteld, waardoor deze verklaring niet controleerbaar is. De rechtbank is in ieder geval van oordeel dat uit het feit dat eiseres de gronden door bemiddeling van Staatsbosbeheer pacht niet automatisch volgt dat het percelen betreft met de hoofdfunctie natuur. Verweerder heeft niet nader onderbouwd waarop een dergelijke veronderstelling is gebaseerd. Bij gebreke van een nader bewijs waaruit blijkt dat de percelen in 2007 als hoofdfunctie de functie natuur hadden, zal de rechtbank het beroep van eiseres op dit punt gegrond verklaren. Niet feitelijk in gebruik zijnde percelen 2.10. Voor wat betreft de volgens verweerder niet feitelijk in gebruik zijnde gronden overweegt de rechtbank als volgt. Voor alle drie de percelen heeft eiseres bewijs ingebracht tegen de constateringen die de (controlerende ambtenaar van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.