Beslissing RECHTBANK ROERMOND Wrakingskamer Nummer: W 6/2011 Beslissing op het verzoek tot wraking van [verzoeker], wonende te [woonplaats], [adres] (verder aangeduid als verzoeker), ingediend namens hem door mr. G.J.A. van Dinter, advocaat te Roermond. 1. Het ontstaan en het verloop van de procedure Op 6 juli 2011 heeft de rechtbank in de zaak tussen verzoeker als eiser en Van Boven & Van der Bruggen Advocaten BV en [gedaagde sub 2] als gedaagden een tussenvonnis uitgesproken, gewezen door de rechters mrs. [X], [Y] en [Z]. Bij verzoekschrift van 3 november 2011 heeft mr. G.J.A. van Dinter namens verzoeker de rechters mrs. [X] en [Y] gewraakt. Mrs. [X] en [Y] hebben op respectievelijk 15 en 22 november 2011 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Beide reacties zijn in kopie gezonden aan mr. Van Dinter en aan de procesadvocaat van Van Boven & Van der Bruggen Advocaten BV en [gedaagde sub 2]. De rechtbank heeft het wrakingsverzoek op de zitting van 6 december 2011 behandeld. Bij deze behandeling is verzoeker, bijgestaan door mr. Van Dinter, verschenen. Mr. Van Dinter heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht en hierbij een pleitnota overgelegd. Eveneens verschenen is [gedaagde sub 2], bijgestaan door mr. T. Riyazi, advocaat te ´s-Gravenhage. Ook mr. Riyazi heeft een pleitnota overgelegd. De rechtbank heeft de uitspraak op het wrakingsverzoek bepaald op heden. 2. De gronden van het wrakingsverzoek Als grond voor het wrakingsverzoek is namens verzoeker het volgende aangevoerd. Mr. [Y] is eerder bij de zaak betrokken geweest als voorzieningenrechter. Niet alleen dit feit leidt tot de conclusie dat sprake is van (schijn van) objectieve partijdigheid maar ook in het bijzonder de onomwonden en niet mis te verstane bewoordingen en overwegingen in het oordeel van mr. [Y] in zijn kort geding-vonnis van 29 januari 2010. Mr. [Y] draait thans (verzoeker doelt daarbij op het vonnis van 6 juli 2011, toevoeging rechtbank) 180º en wenst zijn “onderzoek over te doen” daar waar dit niet relevant is voor de rechtsvraag die beantwoord moet worden. Mr. [X] is (in loondienst althans tegen een vergoeding als rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) werkzaam geweest bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van Boven & Van der Bruggen Advocaten BV, althans heeft samengewerkt met de materiële procespartijen. Kantoorgenoten van de materiële procespartij [gedaagde sub 2] behoren verder - voor zover verzoeker bekend - tot de persoonlijke kenniskring van mr. [X]. Voornoemde feiten en omstandigheden geven verzoeker grond te concluderen dat sprake is van (schijn van) objectieve partijdigheid; op zijn minst is in de ogen van verzoeker sprake van legitimate doubt ten aanzien van de onpartijdigheid. 3. Het standpunt van de gewraakte rechters Mr. [Y] heeft erop gewezen dat het vonnis, dat mede door hem is gewezen, op 6 juli 2011 is uitgesproken. Het wrakingsverzoek is pas op 3 november 2011 ingediend. Volgens artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Hoewel genoemd artikel geen termijn bevat, brengt het wel tot uitdrukking dat van de verzoeker verwacht mag worden dat hij een wrakingsverzoek met voortvarendheid indient. Van voortvarendheid is bij een termijn van vier maanden geen sprake meer. Inhoudelijk heeft mr. [Y] gesteld dat het door hem gewezen kort gedingvonnis van 29 januari 2010 een geschil betrof tussen de verzoeker en mevrouw [A]. Het mede door hem gewezen vonnis van 6 juli 2011 betreft een rechtsverhouding tussen de verzoeker en zijn toenmalige advocaat [gedaagde sub 2]. Het enkele feit dat de vordering van de verzoeker in de procedure tegen mevrouw [A] is afgewezen, is onvoldoende om te veronderstellen dat hij in de procedure van de verzoeker tegen [gedaagde sub 2] voornoemd bevooroordeeld zou zijn. Een mogelijke consequentie hiervan zou kunnen zijn, dat verzoeker niet ontvangen wordt in zijn wrakingsverzoek. Mr. [X] heeft gesteld dat hij in de periode van 1 februari 1991 tot 1 september 1992 gedurende zijn raio-opleiding stage heeft gelopen op het kantoor van Van Boven & Van der Bruggen Advocaten BV. Hij is toen niet in loondienst geweest van dat kantoor, maar was toen in dienst van het Ministerie van Justitie. Gelet op het lange tijdsverloop kan daaruit in redelijkheid niet de schijn van partijdigheid worden afgeleid. Verder heeft mr. [X] gesteld dat het onjuist is dat kantoorgenoten van [gedaagde sub 2] tot zijn persoonlijke kennissenkring behoren. 4. De beoordeling van het verzoek Allereerst is de vraag aan de orde of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden (artikel 37 Rv). Het vonnis van de rechtbank van 6 juli 2011 vermeldt de namen van de rechters die dat vonnis hebben gewezen. Het wrakingsverzoek is gedaan bij verzoekschrift van 3 november 2011 en bij de griffie van de rechtbank binnengekomen op 8 november 2011. Op of kort na 6 juli 2011 was verzoeker derhalve op de hoogte van het feit dat het vonnis van 6 juli 2011 mede door mrs. [Y] en [X] was gewezen. De wet noemt geen termijn voor het indienen van een wrakingsverzoek. Een termijn van vier maanden acht de rechtbank in het algemeen te lang en de vraag doet zich dan ook voor of die termijn in dit geval kan worden gepardonneerd. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Met de bepaling dat een wrakingsverzoek gedaan moet worden zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden, wordt getracht misbruik van de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen zoveel mogelijk te vermijden in verband met de goede voortgang van de procedure en met een faire bejegening van de betrokken rechter. Van dergelijk misbruik is in de onderhavige zaak niet gebleken. Genoemd artikel bepaalt verder dat alle feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, tegelijk moeten worden voorgedragen. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat er voor de formulering van de wrakingsgronden ten aanzien van mr. [X] eerst onderzoek nodig was. Verzoeker is met dat onderzoek in de eerste helft van juli 2011 gestart door middel van een brief (van zijn advocaat) aan de president van deze rechtbank van 12 juli 2011 met het verzoek om nadere informatie over de gewraakte rechters. Eerst bij brief van 29 augustus 2011 heeft de president de brief van 12 juli 2011 beantwoord. Dat antwoord bracht, aldus de advocaat, met zich dat nog nader onderzoek nodig was. De tijd tussen de beantwoording van de namens verzoeker gestelde vraag aan de president van de rechtbank (29 augustus 2011) en het vervolgens indienen van het wrakingsverzoek (3 november 2011), acht de rechtbank, mede gelet op dat nadere onderzoek, niet zodanig lang dat zij tot de conclusie heeft moeten komen dat het wrakingsverzoek in dit geval niet tijdig is ingediend. Weliswaar geldt dit in beginsel enkel met betrekking tot het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. [X], maar de rechtbank kan billijken dat verzoeker, kennelijk om proceseconomische redenen, het verzoek ten aanzien van mr. [Y] gelijktijdig met zijn verzoek ten aanzien van mr. [X] heeft ingediend nu beide rechters het eerdergenoemde tussenvonnis meegewezen hebben. De rechtbank gaat derhalve over tot de inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. Verzoeker heeft uitdrukkelijk gesteld dat bij de gewraakte rechters geen sprake is van subjectieve partijdigheid. Aan de orde is dan ook slechts de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeker een objectief te rechtvaardigen grond geven voor de vrees dat het de gewraakte rechters aan onpartijdigheid ontbreekt. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Één van de essentiële kernwaarden voor de rechter is onpartijdigheid. De onpartijdigheid van de rechter vormt immers de basis voor de gelijkwaardige behandeling van partijen, hetgeen essentieel is voor een eerlijk proces. Deze kernwaarde brengt met zich dat niet alleen iedere vooringenomenheid, maar zelfs ook de schijn van vooringenomenheid van de rechter bij de beoordeling van een geschil voorkomen dient te worden. In het kader van het waarborgen hiervan is door de rechtspraak onder meer een leidraad onpartijdigheid (hierna de leidraad) opgesteld en gepubliceerd (www.rechtspraak.nl). Bij de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek heeft de rechtbank deze leidraad mede betrokken. De wraking van mr. [Y] In aanbeveling 8 van de leidraad wordt onder meer opgemerkt: Aanbeveling 8: Eerdere bemoeienis met een zaak of met partijen “De rechter dient zich er van bewust te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak. Voorts kan de onpartijdigheid van de rechter worden beïnvloed indien hij herhaaldelijk zaken van dezelfde procespartij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.