← Nederland

ECLI:NL:RBROE:2012:BV2269

RECHTBANK ROERMOND Sector civielrecht insolventienummer: 12/20 R nummer verklaring: VLO0151101487 Vonnis van 19 januari 2012 in de zaak van [verzoeker], wonende: [adres], [woonplaats], verzoeker.

  1. Het verloop van de procedure 1.
  2. Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. 1.
  3. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 19 januari
  4. Verzoeker heeft kennis genomen van het bezwaar tegen toelating tot de WSNP zoals dit is ingediend door de schuldeiser [schuldeiser] en heeft daarop verweer gevoerd. Het bezwaar van schuldeiser [schuldeiser] komt er – kort gezegd – op neer dat de door verzoeker opgevoerde schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, immers heeft verzoeker willens en wetens stelselmatig het hem toegekende kredietbedrag overschreden in de zakelijke relatie die verzoeker en [schuldeiser] waren aangegaan en heeft verzoeker in strijd met de waarheid aan [schuldeiser] mededeling gedaan dat bij overname alle personeelskosten waren voldaan. Daarnaast zou verzoeker iedere medewerking hebben geweigerd om tot een oplossing te kunnen komen, door het onbereikbaar zijn en het niet geven van inzage in cijfers en inkomsten. 1.
  5. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 288 lid 1 sub b Fw bepaalt dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaande aan het verzoek schuldsanering, te goeder trouw moet zijn geweest. Het begrip “goeder trouw” is in het kader van de faillissementswet een gedragsmaatstaf en moet niet worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:11 BW. Derhalve moet de rechtbank bij de beoordeling daarvan met alle omstandigheden van het geval rekening houden. Uit het dossier is gebleken dat [schuldeiser] verzoeker met name verwijt dat hij geen pogingen heeft ondernomen om de schuld van [schuldeiser] te voldoen. Gebleken is echter dat verzoeker geen enkele schuld heeft kunnen voldoen, ook niet de schuld van [schuldeiser]. Gebleken is ook dat verzoeker zich meer dan voldoende heeft ingespannen om te komen tot een oplossing voor alle schuldeisers, en niet slechts een oplossing voor een of een aantal schuldeisers heeft voorgestaan. Naar het oordeel van de rechtbank behoort dit ook het uitgangspunt te zijn buiten en in de WSNP. Door [schuldeiser] is niet aangevoerd, noch is daarvan anderszins gebleken, dat haar schuld met voorrang zou moeten worden voldaan door verzoeker. Van de gestelde verzwijgingen is de rechtbank evenmin gebleken, reeds omdat de veronderstelde betalingen niet behoefden te worden gedaan. De rechtbank is er derhalve van overtuigd dat de schulden van verzoeker te goeder trouw zijn ontstaan, als bedoeld in de hiervoor bedoelde betekenis. 1.
  6. Het verzoekschrift voldoet tevens aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. 1.
  7. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, Insolventieverordening).
  8. De beslissing De rechtbank 2.
  9. spreekt de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum]1972 te [geboorteplaats], wonende: [adres], [woonplaats]; 2.
  10. benoemt tot rechter-commissaris mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, en tot bewindvoerder A. Brekelmans, correspondentieadres: Postbus 3023, 5902 RA Venlo; 2.
  11. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen voor de duur van dertien maanden; 2.
  12. alle gelegde bijzondere beslagen ten tijde van dit vonnis op de aan verzoeker toekomend loon en/of uitkering(en) komen met onmiddellijke ingang te vervallen, in afwachting van nadere instructies zijdens de bewindvoerder; 2.
  13. kent, bij toereikend actief, gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder een voorschot op het salaris toe ter hoogte van het in het Besluit Salaris Bewindvoerder aangegeven minimum salaris. Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.