ECLI:NL:RBROE:2012:BW6026
Beslissing RECHTBANK ROERMOND Wrakingskamer Nummer: W 5/2012 Beslissing op het verzoek tot wraking van de rechter mr. [de rechter], welk verzoek is gedaan door mevrouw [verzoekster] (verder aangeduid als verzoekster).
1.2. Van die openbare behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat door de rechter en de griffier is ondertekend. De rechter heeft op 2 mei 2012 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.
1.3. Op 3 mei 2012 is een kopie van dat proces-verbaal en van die schriftelijke reactie gezonden aan de gemachtigde van verzoekster, mr. H.M.J. Offermans (verder aangeduid als de advocaat), en aan het college.
1.4. Op 9 mei 2012 heeft de wrakingskamer een brief d.d. 9 mei 2012 met bijlagen van de advocaat ontvangen, waarvan een kopie aan de rechter en aan het college is verstrekt. Eveneens op 9 mei 2012 heeft de wrakingskamer een reactie van de rechter op die brief met bijlagen ontvangen, van welke reactie een kopie aan de advocaat en aan het college is toegezonden.
1.5. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 10 mei 2012. Bij deze behandeling is verzoekster evenals haar advocaat verschenen. Zoals door hem aangekondigd, is de rechter niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2.2. Kernpunt in de voorlopige voorzieningenprocedure was het feit, dat ook na verzoek van het college, bij de aanvragen van verzoekster om bijzondere bijstand geen gevolg is gegeven aan de beslissing van de gemeente Peel en Maas, dat dergelijke aanvragen alleen kunnen worden ingediend door gebruikmaking van aanvraagformulieren die de gemeente aan verzoekster heeft verstrekt. De gemeente heeft die beslissing genomen in het kader van een aan verzoekster opgelegde communicatieregeling.
2.3. De rechter heeft op enig moment tijdens de openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening aan de vertegenwoordiger van het college gevraagd of er in het kader van het zoeken naar een praktische oplossing reden is om van de communicatieregeling af te wijken in deze gevallen nu een advocaat met een duidelijke brief een aanvraag om bijzondere bijstand heeft gedaan. Alsdan, aldus de rechter, lijkt het voorkomen van overlast/onduidelijkheden minder of geen rol te spelen. De vertegenwoordiger heeft daarop geantwoord dat daarvoor niet is gekozen omdat ook in een dergelijk geval toch onduidelijkheid is ontstaan. Vervolgens heeft de rechter geconcludeerd dat tussen partijen vast staat dat er geen algemene regeling geldt op grond waarvan het gebruik van bepaalde formulieren is voorgeschreven, dat voor de eisers in de bodemzaak het gebruik van bepaalde formulieren is voorgeschreven in de tussen partijen bestaande communicatieregeling en dat verzoekster het met die regeling niet eens is. Ten aanzien van de op 2 mei 2012 aan de orde zijnde aanvragen om bijzondere bijstand heeft het college verzoekster gevraagd om de voorgeschreven formulieren te gebruiken en haar daarvoor ook de gelegenheid geboden.
Hierna heeft de rechter aan de advocaat van verzoekster gevraagd om het volgende toe te lichten: Waarom is niet alsnog, eventueel onder protest, gebruik gemaakt van die formulieren ten einde de bijzondere bijstand die verzoekers nu nodig hebben te verkrijgen? Ik zoek, mede in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling, naar een praktische oplossing, want nu heeft u gekozen voor een gecompliceerde weg terwijl ik in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening aan de principiële vraag naar de beoordeling van de communicatieregeling niet eens kan toekomen.
In het proces-verbaal staat dat toen verzoekster aanstalten maakte die vraag te beantwoorden, de rechter haar erop heeft gewezen dat hij uitdrukkelijk het woord aan haar advocaat had gegeven. Verzoekster is vervolgens opgestaan en heeft bij het verlaten van de zittingzaal gezegd de rechter te wraken.
De rechter heeft vervolgens de behandeling geschorst voor overleg tussen verzoekster en haar advocaat. Toen de schorsing voorbij was heeft de advocaat verklaard dat verzoekster van mening was dat er sprake was van vooringenomenheid en dat zij haar wrakingsverzoek handhaafde.
4.2. De rechter heeft, in het kader van het zoeken naar een praktische oplossing van het geschil (en met de doelstelling van de nieuwe zaaksbehandeling in het bestuursrecht voor ogen), eerst bij (de vertegenwoordiger van) het college gezocht naar de mogelijkheid om in het onderhavige geval af te wijken van de beslissing met betrekking tot het aanvraagformulier, nu de aanvraag om bijzondere bijstand niet door verzoekster zelfs was ingediend, maar door haar advocaat.
4.3. Nadat de rechter had vastgesteld dat het college aan zijn beslissing vasthield, heeft hij, wederom omdat het ging om aanvragen die waren ingediend door een advocaat en wederom om een praktische oplossing te zoeken, aan de advocaat van verzoekster de vraag voorgelegd of een oplossing was te vinden door gebruik te maken van de voorgeschreven formulieren maar dan onder protest, ook al is verzoekster het principieel niet eens met het voorschrift. Daarbij heeft de rechter uitdrukkelijk gemeld dat hij in het kader van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet toekwam aan de beoordeling van de communicatieregeling, die ter toetsing voorligt bij de civiele rechter. Van (schijn van) vooringenomenheid is geen sprake. De rechter heeft aan beide partijen kritische vragen willen stellen om een praktische oplossing te bereiken. Bij een dergelijke poging dient de rechter de voors en tegens van een dergelijke oplossing voor ogen te houden, maar daarmee is nog geen sprake van (schijn van) vooringenomenheid.
5.2. De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden kunnen betrekking hebben zowel op de subjectieve partijdigheid als op de objectieve partijdigheid. Hierover overweegt de wrakingskamer als volgt.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoekster is niet doorslaggevend.
5.3. Niet betwist is dat de rechter op de zitting van 2 mei 2012 heeft getracht tussen partijen een praktische oplossing te bewerkstelligen. Daartoe heeft hij eerst aan de vertegenwoordiger van het college gevraagd of het college bereid was van de communicatieregeling af te wijken in de gevallen dat een advocaat met een duidelijke brief een aanvraag om bijzondere bijstand doet, zoals in het onderhavige geval is gebeurd. Alsdan, aldus de rechter, lijkt het voorkomen van overlast en/of onduidelijkheden minder een rol te spelen. Toen de vertegenwoordiger daarop geen bevestigend antwoord gaf, heeft de rechter zich gewend tot de advocaat van verzoekster teneinde van de kant van verzoekster te vernemen of daar bereidheid bestond om water bij de wijn te doen.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:61 in verband met artikel 8:11 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechter de leiding van de zitting, dat wil zeggen dat hij de gang van zaken tijdens de zitting bepaalt. In het onderhavige geval betekent dit dat de rechter niet hoeft te accepteren dat een door hem gestelde vraag aan de advocaat wordt beantwoord door een ander dan degene aan wie hij de vraag heeft gesteld, in dit geval verzoekster. Als dat toch gebeurt of dreigt te gebeuren dan mag de rechter, zoals in dit geval ook is gebeurd, ingrijpen.
5.4. Op zichzelf getuigt dat ingrijpen van de rechter, dat de directe oorzaak voor de wraking door verzoekster was, niet van vooringenomenheid, noch kon dit - objectief gezien - bij verzoekster de vrees voor partijdigheid van de rechter doen ontstaan. De overige, hiervoor vermelde feiten en omstandigheden getuigen in combinatie met de directe oorzaak voor de wraking, noch elk voor zich noch tezamen van vooringenomenheid van de rechter; evenmin kunnen zij de hiervoor vermelde vrees doen ontstaan. Zo valt uit het gedrag van de rechter niet af te leiden dat de rechter geen uitspraak zou (willen) doen noch wat de inhoud van die uitspraak zou zijn of dat deze in het nadeel van verzoekster zou uitvallen.
Boosheid valt niet af te leiden uit het spreken met stemverheffing en/of het rechtop gaan zitten en is bovendien op zichzelf geen indicatie van vooringenomenheid. De mededeling dat verzoekster op 2 mei 2012 niet hoefde te verschijnen, hoeft niet te betekenen dat de rechter verzoeker alsdan liever niet zou willen zien. Een dergelijke mededeling wordt in de praktijk van de rechtbank immers veelvuldig gedaan en zij heeft dan de strekking om aan te geven dat er geen verschijningsplicht bestaat. Dat de strekking van die mededeling in dit geval anders was, is niet gebleken. Tenslotte kan uit het feit dat de rechter zich heeft georiënteerd op jurisprudentie, gelieerd aan de onderhavige materie, binnen de sector bestuursrecht, evenmin een vooringenomenheid van de rechter noch – objectief gezien – de vrees voor partijdigheid van de rechter worden afgeleid.
5.5. Op grond van voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek als ongegrond afgewezen dient te worden.
6.1. wijst af het verzoek tot wraking van mr. [de rechter].
Deze beslissing is gegeven door mrs. R. Kluin, M.B.T.G. Steeghs en J.J.M. Wassenberg, bijgestaan door mr. L.G.H. Cox als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.