ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM President Reg.nrs.: VGEMWT 99/1821-SIMO GEMWT 99/1822-SIMO (hoofdzaak) Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker), gemachtigde mr C.M.D. Over de Vest, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 18 mei 1999 heeft verweerder de algehele sluiting bevolen van de woning aan de [adres] (zolderetage) te [woonplaats], met onmiddellijke ingang na uitreiking, voor de periode van één jaar. Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief van 20 mei 1999 bezwaar gemaakt. Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker bij faxbericht van eveneens 20 mei 1999 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 juni 1999 (reg.nr. VGEMWT 99/1109-W1) heeft de president het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. Bij besluit van 2 augustus 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van verzoeker bij faxbericht van 20 augustus 1999, aangevuld bij brief van 13 september 1999, beroep ingesteld. Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker bij faxbericht van eveneens 20 augustus 1999 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 1999. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr K.I. Siem, met bijstand van drs L. Kooijman. Bij faxbericht van 12 oktober 1999 heeft verweerder nadere gegevens aan de president gezonden. Naar aanleiding daarvan heeft de president het onderzoek heropend. Vervolgens hebben partijen over en weer nadere stukken in het geding gebracht. Met toestemming van partijen heeft de president bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De president is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: "De burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.". Op grond van artikel 174a, derde lid, eerste volzin, van de Gemeentewet bepaalt de burgemeester de duur van de sluiting. Artikel 8, eerste en tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) luidt: "1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.". Op grond van de gedingstukken - waarvan de stukken in de zaak met het reg.nr. VGEMWT 99/1109-W1 deel uitmaken - en het verhandelde ter zitting gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het pand waarin zich de woning van verzoeker bevindt, is gelegen in een deel van [woonplaats] waar de overlast als gevolg van drugsgebruik en de daarbij behorende gedragingen zeer groot is. De drugspanden in de straat waarin de woning van verzoeker is gelegen en in de straten daaromheen zorgen voor een regelmatige (ernstige) verstoring van de openbare orde. Op grond van een op een groot aantal bijlagen - waaronder ambtsedige processen-verbaal van politieambtenaren - berustend rapport van de politieregio Rotterdam-Rijnmond van 18 maart 1999 heeft verweerder vastgesteld dat in en/of vanuit het pand waarin de woning van verzoeker zich bevindt, regelmatig wordt gedeald in harddrugs en dat als gevolg daarvan sprake is van (ernstige) verstoringen van de openbare orde. Teneinde aan de overlast een einde te maken heeft het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (hierna: OBR) de eigendom van het desbetreffende pand, en andere panden, verworven. De inspanningen van het OBR hebben echter niet geleid tot (volledige) beëindiging van de (ernstige) verstoringen van de openbare orde. Vervolgens heeft verweerder op grond van artikel 174a, eerste lid, en derde lid, eerste volzin, van de Gemeentewet, het primaire besluit genomen, dat bij brieven van 18 mei 1999 is toegezonden aan het OBR als eigenaar en aan verzoeker als bewoner van de woning. Voorts is een verkort afschrift van het primaire besluit aangebracht aan de toegangsdeur van de woning. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, met verwijzing naar het advies van de Algemene Beroepscommissie van 15 juli 1999, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. In het bestreden besluit wordt onder meer overwogen dat verweerder "de in dit advies vervatte argumenten overneemt en dat deze alle deel uitmaken van dit besluit". Verzoeker kan zich met bestreden besluit niet verenigen. Van de zijde van verzoeker zijn daartoe - kort weergegeven - in het (aanvullend) beroepschrift en ter zitting de volgende gronden aangevoerd: - De vastgestelde feiten zijn niet dragend voor een bevel tot (algehele) sluiting. Het rapport van 18 maart 1999 en de daarbij behorende bijlagen kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van gedragingen in de woning die de openbare orde rond de woning, het lokaal of erf verstoren. - Primair: artikel 174a van de Gemeentewet is in strijd met artikel 8 van het EVRM, aangezien deze bepaling in strijd is met het in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) ontwikkelde voorzienbaarheidscriterium en het noodzakelijkheidsvereiste. - Subsidiair: de toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet in dit geval is in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Verzoeker gebruikt zelf geen drugs en dealt evenmin. Verzoeker ondervindt zelf ernstige overlast van het gebruik van en de handel in drugs in de buurt, de straat en het pand. Verzoeker heeft getracht op te treden tegen gebruikers en dealers, echter zonder resultaat. Verzoeker heeft derhalve geen schuld aan de situatie in en rond het pand. Verzoeker wil graag verhuizen, maar heeft niet voldoende financiële middelen. Verweerder onderschrijft hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd niet. Meer specifiek heeft verweerder aan het bestreden besluit mede ten grondslag gelegd dat het algemeen belang dat is gemoeid met de bestrijding van het gebruik van en de handel in harddrugs en met de handhaving van de openbare orde zonder meer en hoe dan ook zwaarder weegt dan het belang dat verzoeker heeft bij het kunnen blijven bewonen van zijn woning. Een andere benadering zou de werking van artikel 174a van de Gemeentewet ernstig uithollen, aldus verweerder. Verweerder heeft verder gesteld dat de wet noch enig ander algemeen verbindend voorschrift hem opdraagt een andere woning te zoeken voor de bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.