ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: MEDED 99/1836-SIMO Uitspraak in het geding tussen A B.V., h.o.d.n. B, gevestigd te C, eiseres, en de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, verweerder, met als derde-partij PTT Post B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: PTT Post), gemachtigden mr. H.J. de Ru en mr. E.R. van Staden, advocaten te Amsterdam. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 11 november 1998, toegezonden aan PTT Post op 11 november 1998 en aan eiseres op 18 november 1998, heeft verweerder het verzoek van - onder anderen - eiseres om ten aanzien van PTT Post toepassing te geven aan artikel 56 van de Mededingingswet (hierna: Mw) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 22 december 1998 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 juli 1999, toegezonden aan eiseres op 9 juli 1999, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij faxbericht van 19 augustus 1999, aangevuld bij faxberichten van 13 oktober 1999 en 5 juni 2001, beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 31 december 1999 een verweerschrift ingediend. Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld heeft PTT Post als partij aan het geding deelgenomen. De rechtbank heeft de zaak ter behandeling gevoegd met de zaak betreffende het beroep van X, wonende te Y (reg.nr. MEDED 99/1783-SIMO). Verweerder heeft de rechtbank bij het inzenden van de op de zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift ten aanzien van (gedeelten van) een aantal stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat uitsluitend zij daarvan kennis zal mogen nemen (beperking kennisneming). De rechtbank heeft een rechter-commissaris benoemd en deze opgedragen terzake een beslissing te nemen. Bij beslissing van 5 juni 2001 heeft de rechter-commissaris beperking van de kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd geacht. Verweerder heeft de stukken ten aanzien waarvan de rechter-commissaris beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd heeft geacht alsnog ingezonden. Eiseres en PTT Post hebben toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid van de Awb, verleend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2001. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur D. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. drs. B.M.J. van der Meulen en mr. L. Cats, beiden werkzaam bij de Nederlandse mededingingsautoriteit. PTT Post heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. H.J. de Ru en diens kantoorgenoot mr. ing. L.J. Wildeboer. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst. 2. Overwegingen Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Mw is het ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Eiseres heeft bij brief van 9 juni 1998 een klacht ingediend bij verweerder ter zake van de introductie door PTT Post van een jaarlijkse vergoeding van f 250,-- voor het gebruik van een postbus. Naast eiseres hebben ongeveer twintig andere houders van een postbus een klacht ingediend. De klagers hebben verweerder verzocht te bezien of PTT Post handelt in strijd met artikel 24, eerste lid, van de Mw. Bij het besluit van 11 november 1998 heeft verweerder, beslissende op de ingediende klachten, vastgesteld dat geen sprake is van overtreding van het verbod van artikel 24, eerste lid, van de Mw. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast - en verweerder heeft zich ter zitting in gelijke zin uitgelaten - dat een klacht als de onderhavige in het (handhavings)stelsel van de Mw moet worden aangemerkt als een verzoek om ten aanzien van degene op wiens handelen (of nalaten) de klacht betrekking heeft, toepassing te geven aan artikel 56 van de Mw op de grond dat diegene handelt of heeft gehandeld in strijd met artikel 24, eerste lid, van de Mw. De rechtbank wijst er vervolgens op dat indien een dergelijk verzoek is gedaan door een belanghebbende, een afwijzende beslissing daarop ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de Awb een besluit is. Indien het verzoek is gedaan door een niet-belanghebbende, wordt de afwijzende beslissing ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Hieruit volgt - onder meer - dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen een dergelijke afwijzende beslissing in geen geval kan afstuiten op het besluit-begrip. De rechtbank ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of verweerder eiseres terecht als belanghebbende heeft aangemerkt bij het besluit van 11 november 1998. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende dient volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang, dat bovendien rechtstreeks bij het desbetreffende besluit is betrokken. Het vereiste van een persoonlijk belang is daarbij in de rechtspraak van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als het College van Beroep voor het bedrijfsleven aldus ingevuld, dat het bij het besluit betrokken belang zodanig moet zijn dat de betrokkene zich daarmee in rechtens relevante mate onderscheidt van (al dan niet tot een - grote - groep behorende) andere betrokkenen. Die rechtspraak vindt ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb (vgl. PG Awb I, blz. 148), waarbij de rechtbank er overigens niet aan voorbijziet dat in de desbetreffende passages niet steeds een voldoende scherp onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende elementen van het belanghebbende-begrip. Verweerder heeft in bezwaar eiseres als belanghebbende aangemerkt. Verweerder heeft daarbij aangegeven van oordeel te zijn dat eiseres - in tegenstelling overigens tot de andere indieners van een bezwaarschrift tegen het besluit van 11 november 1998 - een zodanig eigen, persoonlijk en individualiseerbaar belang heeft dat zij zich daarmee van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.