ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: POST 00/1677-SIMO Uitspraak in het geding tussen TNT Post Groep N.V., gevestigd te Amsterdam, en PTT Post B.V., gevestigd te Den Haag, eiseressen, gemachtigden mr. M.J. Geus en mr. B. Meijer, beiden advocaat te Den Haag, en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder, gemachtigde mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, met als derde partij: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss (hierna: het college). 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 9 juni 1999 heeft verweerder aan de gemeente Oss een last onder dwangsom opgelegd. Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft het college bij brief van 28 juni 1999 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 augustus 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft het college bij brief van 17 augustus 1999 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 december 1999 (AB 2000, nr. 374) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 augustus 1999 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Bij besluit van 29 juni 2000 heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Tegen dit besluit (hierna het bestreden besluit) hebben eiseressen bij faxbericht van 4 augustus 2000 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 9 oktober 2000 een verweerschrift ingediend. Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld heeft het college als partij aan het geding deelgenomen. Bij op 7 februari 2001 bij de rechtbank ingekomen brief heeft het college een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2001. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, met bijstand van mr. S. van der Tas, werkzaam bij PTT Post B.V.. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag en kantoorgenoot van verweerders gemachtigde, met bijstand van F.J.G. van der Plas, werkzaam bij verweerder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Knieriem en C. Huisman, beiden werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, W. Slebus, werkzaam bij de gemeente Oss, en M.C.M. van Hintum, directeur van de IBN-groep. 2. Overwegingen Artikel 12, eerste tot en met derde lid, van de Postwet - voorzover hier van belang - luidde tot 1 juni 2000: "1. Het is anderen dan de houder van de concessie verboden om tegen vergoeding brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 500 gram wegen te vervoeren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op brieven die: (...) c. anders dan bedrijfsmatig worden vervoerd in opdracht van één natuurlijk persoon en de leden van zijn gezin, of van één rechtspersoon of onderdeel daarvan, mits van één adres afkomstig. (...) 3. Het is verboden om brieven te doen vervoeren, indien dit vervoer geschiedt in strijd met het eerste lid.". Met ingang van 1 juni 2000 is in werking getreden de Wet van 28 oktober 1999 (Stb. 484), waarbij - ter implementatie van de zogenoemde Postrichtlijn van 15 december 1997 (PbEG 1998, L 15) - de Postwet is gewijzigd. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Postwet zoals deze met ingang van 1 juni 2000 luidt, wordt onder postvervoer verstaan: het geheel van handelingen dat tegen vergoeding wordt verricht teneinde postzendingen af te leveren. Onder postzendingen worden ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Postwet verstaan: brieven en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geadresseerde zendingen. Artikel 2a, eerste lid, van de Postwet luidt: “Aan een bij wet aan te wijzen rechtspersoon wordt met uitsluiting van anderen concessie verleend voor het verrichten van het postvervoer (…) binnen Nederland en van gebieden buiten Nederland ten aanzien van brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 100 gram wegen, voorzover dit postvervoer wordt verricht tegen een tarief dat lager is dan bij algemene maatregel van bestuur bepaald.”. Artikel 2b van de Postwet luidt: “Het verrichten van postvervoer binnen Nederland en van gebieden buiten Nederland is anders dan krachtens de concessie verboden ten aanzien van brieven die elk afzonderlijk ten hoogste 100 gram wegen, voorzover dit postvervoer wordt verricht tegen een tarief dat lager is dan vastgesteld krachtens artikel 2a, eerste lid.” Artikel 2c, eerste lid, van de Postwet - voorzover hier van belang - luidt: “Het verbod, bedoeld in artikel 2b, is niet van toepassing op het postvervoer ten aanzien van brieven die: (…) b. anders dan bedrijfsmatig worden vervoerd door of in opdracht van één natuurlijk persoon, of van één rechtspersoon of onderdeel daarvan, mits van één afzender afkomstig. (…).”. Artikel 12 van de Postwet is met ingang van 1 juni 2000 vervallen. Met ingang van 11 juli 2000 zijn in werking getreden door verweerder omtrent de uitleg van de artikelen 2a, 2b en 2c van de Postwet vastgestelde en in de Staatscourant van 10 juli 2000, nr. 130, bekendgemaakte beleidsregels, door verweerder aangeduid als richtsnoeren (hierna: de Richtsnoeren). De IBN-groep is een op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: WGR) in het leven geroepen openbaar lichaam, met als hoofdtaken de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (hierna: WSW) en de Wet inschakeling werkzoekenden. Aan de betrokken gemeenschappelijke regeling Integrale Bedrijven Noordoost Noord-Brabant nemen veertien gemeenten deel, waaronder de gemeente Oss. In het voorjaar van 1998 heeft verweerder een onderzoek in gang gezet naar de bezorging van brieven, afkomstig van gemeenten, door instanties ter uitvoering van de WSW, zulks ter beantwoording van de vraag of daarbij sprake is van handelen in strijd met - toen - artikel 12, eerste en/of derde lid, van de Postwet. In dat kader heeft verweerder bij brief van 20 mei 1998 informatie gevraagd aan onder andere de gemeente Oss en de IBN-groep. Bij brieven van respectievelijk 17 juni 1998 en 25 juni 1998 hebben de IBN-groep en de gemeente geantwoord. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 28 augustus 1998 nadere vragen gesteld aan de gemeente, die bij brief van 21 september 1998 zijn beantwoord. Uit de van de gemeente Oss en de IBN-groep ontvangen informatie blijkt dat brieven, afkomstig van de gemeente, met een gewicht van ten hoogste 500 gram, binnen de grenzen van de gemeente worden bezorgd door medewerkers die in dienst zijn van de IBN-groep en feitelijk zijn geplaatst bij de postkamer van het gemeentehuis te Oss. Voor de door deze medewerkers verrichte werkzaamheden betaalt de gemeente jaarlijks een vergoeding aan de IBN-groep. Bij brief van 12 februari 1999 heeft verweerder aan de gemeente Oss medegedeeld tot het oordeel te zijn gekomen dat de bezorging van brieven van de gemeente door (medewerkers van) de IBN-groep geschiedt in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Postwet, aangezien sprake is van vervoer tegen vergoeding door een ander dan TNT Post Groep N.V. (de concessiehouder), en de in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Postwet vervatte uitzondering zich niet voordoet, nu het vervoer bedrijfsmatig geschiedt. Verweerder heeft de gemeente in de gelegenheid gesteld uiterlijk 1 september 1999 de gewraakte handelwijze te beëindigen en aangekondigd bij gebreke daarvan te zullen overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving. Bij het primaire besluit - bij het besluit van 2 augustus 1999 in bezwaar gehandhaafd - heeft verweerder, onder verwijzing naar het in de brief van 12 februari 1998 vervatte oordeel, aan de gemeente Oss een last onder dwangsom opgelegd. In de uitspraak van 7 december 1999 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “Met [het college] is de rechtbank van oordeel dat artikel 12, eerste lid, van de Postwet geen verbod inhoudt op het door een rechtspersoon zelf, in eigen beheer, vervoeren van de eigen post, ook niet als dat vervoer plaatsvindt door eigen - betaalde - medewerkers. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij het vaststellen van de omvang van het monopolie voor de concessiehouder zich uitdrukkelijk rekenschap heeft gegeven van het feit dat binnen (de omvang van) het wettelijke monopolie “[s]ubstitutiemogelijkheden” bestaan en dat “zelfbezorging (…) door grootverbruikers (…) zeer wel denkbaar” is (Tweede Kamer 1987-1988, 20 371, nr. 5, blz. 6) (memorie van antwoord). In de nota naar aanleiding van het eindverslag (Tweede Kamer, 1987-1988, 20 371, nr. 10, blz. 3) wordt bevestigd dat “er binnen dit exclusieve vervoer nog aanmerkelijke uitzonderingsmogelijkheden, zoals bijvoorbeeld zelfbezorging” zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dient het wettelijke stelsel dan ook aldus te worden begrepen, dat het verbod van artikel 12, eerste lid, van de Postwet uitsluitend betrekking heeft op vervoer tegen vergoeding door derden, dat wil zeggen door andere vervoerders dan de concessiehouder. Het verbod ziet derhalve niet mede op vervoer in eigen beheer. De in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Postwet vervatte uitzonderingsgrond ziet uitsluitend op de gevallen waarin het vervoer in opdracht van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon door een derde geschiedt.”. De rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 augustus 1999 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Daarbij dient, zo overwoog de rechtbank, allereerst te worden onderzocht of het bezorgen van brieven door (medewerkers van) de IBN-groep moet worden gekwalificeerd als door de gemeente Oss zelf, in eigen beheer, vervoeren. Tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 december 1999 is geen hoger beroep ingesteld. Ter voorbereiding van de nieuwe beslissing op het bezwaar heeft verweerder bij brief van 15 februari 2000 aan de gemeente Oss een aantal vragen gesteld inzake de status van de IBN-groep en de relatie tussen de gemeente en de IBN-groep. Bij brief van 4 april 2000 zijn die vragen beantwoord. Daarbij heeft de gemeente onder meer aangegeven dat de krachtens een detacheringsovereenkomst aan de gemeente beschikbaar gestelde IBN-medewerkers die feitelijk de bezorging van de post van de gemeente verzorgen, deze werkzaamheden geheel binnen het verband van de gemeentelijke organisatie en onder toezicht en leiding van een of meer ambtenaren van de gemeente verrichten, zodat in de uitvoering van het werk een directe gezagsverhouding bestaat tussen de gemeente en de IBN-medewerkers op een wijze die vergelijkbaar is met uitzendkrachten. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, daarbij toepassing gevend aan de Postwet zoals deze met ingang van 1 juni 2000 luidt, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de IBN-groep geacht moet worden te behoren tot (mede) de (interne organisatie van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.