RECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nrs.: BC 01/664-STU BC 01/665-STU BC 01/666-STU BC 01/2713-STU BC 01/2714-STU Uitspraak in de gedingen tussen 1.x te y, hierna te noemen: eiser I, 2.y , wonende te x, hierna te noemen: eiser II, 3. B.V A, gevestigd te B, als rechtsopvolgster (sedert 15 augustus 2001) van B.V. C, gevestigd te D, hierna te noemen: eiseres III, gemachtigden dr. mr. D.R. Doorenbos en mr. drs. M.J.N. Vermeij, advocaten te Amsterdam, en de Stichting Autoriteit Financiële Markten, gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolgster (sedert 1 maart 2002) van de Stichting Toezicht Effectenverkeer, hierna te noemen: verweerster, gemachtigde mr. drs. M.J. Bloot, advocaat in dienst van verweerster. Eiser I, eiser II en eiseres III worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als "eisers". Waar hierna over verweerster gesproken wordt, kan mede gedoeld worden op haar rechtsvoorgangster. 1. Ontstaan en loop van de gedingen Bij besluit van 22 augustus 2000, met kenmerk 1347 MSN, heeft verweerster aan eiser I bericht: - de aan eiser I verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een rechtstreekse deelneming in Intervaluta B.V. (hierna: Intervaluta) op grond van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder f, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna te noemen: de Wte 1995) per direct in te trekken onder de overweging dat eiser I niet langer voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (hierna te noemen: het Bte 1995); - dat eiser I zijn belang dat hij rechtstreeks in Intervaluta houdt, binnen drie maanden vervreemd moet hebben. Verweerster heeft bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-7376JMvG, (hierna: besluit I) het bezwaar dat namens eiser I tegen dit besluit van 22 augustus 2000 is gemaakt, ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 augustus 2000, met kenmerk 1287 MSN, heeft verweerster aan eiser II bericht: - de aan eiser II verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intereffekt Commissionairs B.V. (hierna: Intereffekt Commissionairs) op grond van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 per direct in te trekken onder de overweging dat eiser II niet langer voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Bte 1995; - dat eiser II zijn belang dat hij middellijk in Intereffekt Commissionairs houdt, binnen drie maanden vervreemd moet hebben. Bij besluit van 22 augustus 2000, met kenmerk 1337 MSN, heeft verweerster aan eiser II bericht: - de aan eiser II verleende verklaring van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intervaluta op grond van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 per direct in te trekken onder de overweging dat eiser II niet langer voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Bte 1995; - dat eiser II zijn belang dat hij middellijk in Intervaluta houdt, binnen drie maanden vervreemd moet hebben. Verweerster heeft bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-7295JMvG (hierna: besluit II) en bij besluit van die datum, met kenmerk JZ-7354JMvG (hierna: besluit III) de bezwaren die namens eiser II waren gemaakt tegen deze besluiten van 22 augustus 2000, met kenmerken 1287MSN respectievelijk 1337 MSN, ongegrond verklaard. Namens eiser I is tegen besluit I en namens eiser II is tegen de besluiten II en III beroep ingesteld bij brieven van 21 maart 2001, aangevuld bij brieven van 4 mei 2001. Verweerster heeft bij brief van 22 augustus 2001 een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 26 maart 2001, met kenmerk JZ-9374MBL, heeft verweerster aan eiseres III een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 48b van de Wte 1995 opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat eiseres III binnen vier weken haar rechtstreekse aandelenbelang in Intereffekt Commissionairs terugbrengt tot maximaal 5%. De aan verweerster te verbeuren dwangsom is bij dat besluit gesteld op f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat eiseres III in gebreke blijft de last uit te voeren. Bij besluit van 26 maart 2001, met kenmerk JZ-9121MBL, heeft verweerster aan eiser II een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 48b van de Wte 1995 opgelegd teneinde te bewerkstelligen dat eiser II binnen vier weken zijn aandelenbelang dat hij middellijk (en wel via eiseres III) in Intereffekt Commissionairs houdt, terugbrengt tot maximaal 5%. De aan verweerster te verbeuren dwangsom is bij dat besluit gesteld op f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat eiser II in gebreke blijft de last uit te voeren. Tegen de hen betreffende dwangsombesluiten van 26 maart 2001 is namens eiseres III respectievelijk eiser II bij brieven van 7 mei 2001 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11919MBL, heeft verweerster aan eiseres III een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiseres III binnen vier weken haar belang in Intereffekt Commissionairs tot maximaal 5% dient terug te brengen, bij gebreke waarvan zij aan verweerster een dwangsom zal verbeuren van f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft de last uit te voeren. Bij besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11891MBL, heeft verweerster aan eiser II een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser II binnen twee weken zijn deelneming in Intereffekt Commissionairs houdt, tot maximaal 5% dient terug te brengen, bij gebreke waarvan hij aan verweerster een dwangsom zal verbeuren van f 5.000,00 (€ 2.268,90) voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de last uit te voeren. Namens eiser II en namens eiseres III is tegen de hen betreffende besluiten van 7 mei 2001 bij brieven van 18 mei 2001 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 mei 2001, met kenmerk JZ-13953MBL, heeft verweerster haar besluit van 17 (lees: 7) mei 2001, met kenmerk JZ-11891 (lees: JZ-11919MBL), in dier voege gewijzigd dat de werking van de last onder dwangsom aan eiseres III wordt beperkt tot de duur van vier weken, zodat de maximaal te verbeuren dwangsom f 140.000,00 (€ 63.529,23) bedraagt. Bij besluit van 17 mei 2001, met kenmerk JZ-1351MBL, heeft verweerster haar besluit van 17 (lees: 7) mei 2001, met kenmerk JZ-11891MBL, in dier voege gewijzigd dat de werking van de last onder dwangsom aan eiser II wordt beperkt tot de duur van vier weken, zodat de maximaal te verbeuren dwangsom f 140.000,00 (€ 63.529,23) bedraagt. Bij besluit van 21 mei 2001, met kenmerk JZ-13988JvM, heeft verweerster de periode waarbinnen eiser II aan de last dient te voldoen, alsnog gesteld op vier weken te rekenen vanaf de dagtekening van het besluit van 7 mei 2001, kenmerk JZ-11981MBL (lees: JZ-11891MBL). Bij besluit van 22 mei 2001, met kenmerk JZ-14110MBL, heeft verweerster het besluit van 17 (lees: 7) mei 2001, met kenmerk JZ-11919MBL, gewijzigd in die zin dat de werking van de last onder dwangsom aan eiseres III wordt beperkt tot de duur van vier weken, zodat de maximaal te verbeuren dwangsom f 140.000,00 (€ 63.529,23) bedraagt. Bij besluit van 25 oktober 2001, met kenmerk JZ-22914LB, (hierna: besluit IV) heeft verweerster het bezwaar van eiseres III tegen het besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11919MBL, zoals dit besluit nadien gewijzigd is, ongegrond verklaard. Bij besluit van 25 oktober 2001, met kenmerk JZ-19957LB, (hierna: besluit V) heeft verweerster het bezwaar van eiser II tegen het besluit van 7 mei 2001, met kenmerk JZ-11891, zoals dit besluit nadien gewijzigd is, ongegrond verklaard. Tegen de besluiten IV en V is namens eiseres III respectievelijk namens eiser II bij brieven van 5 december 2001, aangevuld bij brieven van 10 januari 2002, beroep ingesteld. Verweerster heeft bij brief van 15 april 2002 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2002. Aanwezig waren eisers I en II en hun gemachtigden, die tevens eiseres III hebben vertegenwoordigd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door J. Lindeboom, werkzaam bij verweerster. 2. Overwegingen 2.1. Ten aanzien van de procedure De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aanleiding gezien de gedingen gevoegd te behandelen. Nadat de rechtbank aan partijen had bericht dat zij voornemens was het onderzoek ter zitting op 19 augustus 2002 te doen plaatsvinden, is namens eisers bij faxbericht van 5 juni 2002 verzocht om aanhouding van de zaak. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien dit verzoek te honoreren. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat - gelet op de duur van de procedure - een spoedige voltooiing van het onderzoek gewenst is en dat niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is dat eisers onvoldoende tijd is gegund de zaken voor te bereiden of dat eisers anderszins door het niet honoreren van hun verzoek van 5 juni 2002 in hun processuele belangen zijn geschaad. 2.2. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte stukken en op het verhandelde ter zitting, neemt de rechtbank - voorzover van belang - het volgende als vaststaande aan. Eiser I en eiser II vormden tot hun aftreden op 20 november 2000 de voltallige directie van Intereffekt Commissionairs. Daarnaast hield eiser I 3% en eiser II (tot in elk geval 5 maart 2001, zie hierna) 77% van de aandelen van deze vennootschap; eiser II hield deze aandelen middellijk en wel via eiseres III, van welke vennootschap hij directeur is en 100% van de aandelen houdt. Met ingang van 25 augustus 1999 zijn drs. L. Deuzeman RA en drs. S. Wijma RA als commissaris aan Intereffekt Commissionairs verbonden. Zij zijn beiden tevens aandeelhouder van Intereffekt Commissionairs, elk voor 5% van het totale aandelenpakket. Verweerster heeft aan Intereffekt Commissionairs op 25 juli 1996 een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 verleend. Zij heeft deze vergunning bij brief van 14 juni 1999 gewijzigd in een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de Wte 1995; de vergunning is daarbij verleend voor het in of vanuit Nederland aanbieden of verrichten van diensten als effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1, aanhef, onder h, sub 1, 2 en 3 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) met de beperking dat deze diensten niet mogen worden aangeboden en/of verricht op de AEX-Agrarische Termijnmarkt of vergelijkbare beurzen in het buitenland. Verweerster heeft aan eiser II op 22 oktober 1996 een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een middellijke deelneming in Intereffekt Commissionairs. Eiser I houdt een belang van 20% in Intervaluta. Eiser II houdt middellijk via eiseres III 40% van de aandelen in Intervaluta. Op 20 september 1996 heeft verweerster aan Intervaluta B.V. een vergunning verleend, die beperkt was tot het ten aanzien van valutacontracten in het kader van day-trading doorgeven van orders aan instellingen die zijn opgenomen in het register als bedoeld in artikel 21 van de Wte 1995. Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerster deze vergunning omgezet in een (soortgelijke) vergunning als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, sub 1 en sub 8 onder a van de NR 1999. Verweerster heeft aan eiser I bij brief van 20 september 1996 een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een rechtstreekse deelneming in Intervaluta en het uitoefenen van daaraan verbonden zeggenschap op grond van deelneming van 20% in het aandelenkapitaal. Aan eiser II heeft verweerster bij brief van eveneens 20 september 1996 een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een middellijke deelneming in Intervaluta en het uitoefenen van daaraan verbonden zeggenschap op grond van deelneming van 40% in het aandelenkapitaal. Verweerster heeft in de periode van januari tot april 2000 op basis van artikel 29 van de Wte 1995 een onderzoek bij Intereffekt Commissionairs ingesteld. Verweerster heeft aan de hand van haar onderzoeksbevindingen - kort weergegeven - het volgende geconcludeerd: a. er is sprake van ernstige tekortkomingen in de administratieve organisatie en in het systeem van interne controle (ao/ic), onder meer met betrekking tot - de primaire ordervastlegging (het niet doorlopend nummeren van de ordertickets en het regelmatig niet vermelden van het tijdstip van orderopgave en orderuitvoering, hetgeen steeds het geval was bij de ordertickets ten behoeve van uitgifte en royering met betrekking tot de aandelen van Intereffekt Japanese Warrants N.V. (hierna: IJW), van welke beleggingsinstelling Intereffekt Commissionairs sedert 1997 bestuurder is; - de interne structurering en adequate functiescheiding om aldus belangenconflicten tussen Intereffekt Commissionairs en IJW te voorkomen, hetgeen strijd oplevert met artikel 4.3 van bijlage 4 bij de NR 1999; - de beschrijving van de ao/ic, met name: - het ontbreken van een beschrijving van functiescheiding en "chinese walls", van de wijze en de tijdstippen waarop besluiten tot royering en afgifte van aandelen in de beleggings-instellingen worden genomen en van interne limieten van opgebouwde long- en shortposities in de beleggingsinstellingen; - het niet of onvoldoende aanwezig zijn van beschrijving met betrekking tot de orderafhandeling en -administratie en tot de procedure ten aanzien van handel voor eigen rekening en emissies; - de wijze waarop collectorders in buitenlandse futures aan de Derivaten Desk van Kempen & Co N.V. werden doorgegeven; bij een groot deel van de betreffende orders was gebleken dat deze dermate laat werden doorgegeven dat op het moment van doorgave het resultaat op de transactie al bekend was. Door de gehanteerde werkwijze was het mogelijk de orders achteraf toe te delen waardoor fraude in de hand gewerkt kan worden. Door deze tekortkomingen is strijd met de artikelen 4.2, 4.6, 4.15 en/of 4.19 van bijlage 4 bij de NR 1999 ontstaan; b. er is sprake van ernstige overtredingen bij de marktregulering ten behoeve van IJW: - bij de royering en afgifte van transacties ten behoeve van IJW zijn ordertickets vaak niet juist en niet volledig ingevuld (zo waren deze tickets niet doorlopend genummerd en ontbrak een tijdsregistratie); - de ordertickets zijn vaak een handelsdag nà de betreffende transactie ("t+1") afgewikkeld tegen de op die dag geldende afrekenprijs, hetgeen in 31 van de 33 gevallen gunstig voor Intereffekt Commissionairs was, zo bleek na bestudering van de gefaxte en uitsluitend door Kempen & Co N.V. bewaarde ordertickets. Door deze handelwijze behoorde benadeling van de zittende beleggers in IJW tot de mogelijkheden, hetgeen in strijd is met artikel 24 van het Bte 1995 juncto artikel 25 van de NR 1999 en - vóór de inwerkingtreding van de NR 1999 - met artikel 24 van het Bte juncto artikel 22 van de Nadere Regeling toegelaten effectenverkeer 1995; c. in de periode van januari 1997 tot en met december 1999 is er sprake geweest van ernstige overtredingen bij privé- beleggingstransacties van eiser I en eiser II: - eiser I en eiser II hebben erkend 177 respectievelijk 39 "intradag"-transacties in derivaten verricht te hebben; - eiser I heeft 3.900 privé-transacties verricht. Gezien het aantal en de aard van die transacties is zijn beleggingsgedrag excessief en zeer speculatief; - eiser II heeft privé-transacties verricht in fondsen waarvoor Intereffekt Commissionairs als bewaarder optreedt en waarin cliënten van Intereffekt Commissionairs vaak collectorders opgeven. Mede gelet op de gebrekkige ordervastlegging is hierdoor de schijn van belangen-verstrengeling ontstaan. Het verrichten van deze transacties is strijdig met de artikelen 3.2 dan wel 3.3 van bijlage 3 ter uitvoering van artikel 23 van de NR 1999 en met artikel 4 van de "Regeling met betrekking tot privé-beleggingstransacties door Insiders" behorende bij artikel 3 van het "Nader reglement Toegelaten Instellingen Amsterdam Exchanges N.V.". Verweerster heeft op grond van deze onderzoeksresultaten geconcludeerd dat eisers I en II in hun hoedanigheid van bestuurders van Intereffekt Commissionairs niet langer aan de eisen als neergelegd in artikel 10 van het Bte 1995 voldoen. Verweerster heeft dit standpunt bij brief van 3 juli 2000 aan Intereffekt Commissionairs kenbaar gemaakt en haar uitgenodigd voor een gesprek waarbij de eventueel door verweerster te nemen maatregelen aan de orde zouden komen. Dit gesprek heeft op 6 juli 2000 plaatsgevonden; daarbij is namens Intereffekt Commissionairs onder meer gesteld dat de wijze van marktregulering per saldo niet ongunstig voor de beleggers was, dat deze een aantal voordelen voor IJW opleverde en dat deze de uitdrukkelijke instemming van De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) genoot. Verweerster heeft bij dat gesprek te kennen gegeven dat zij het onverwijld nemen van maatregelen noodzakelijk achtte en dat zij overwoog de maatregel van stille curatele toe te passen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerster Intereffekt Commissionairs bij brief van 10 juli 2000 in de gelegenheid gesteld schriftelijk aan te geven hoe en wanneer DNB geïnformeerd was omtrent de methodiek met betrekking tot marktregulering in aandelen IJW. Namens Intereffekt Commissionairs zijn op 11 en 12 juli 2000 hiertoe een aantal stukken aan verweerster verstrekt, die wat betreft het kalenderjaar 1999 nader toegelicht zijn bij schrijven van 20 juli 2000. DNB heeft bij brief van 12 juli 2000 desgevraagd aan verweerster bericht dat zij nimmer met de door Intereffekt Commissionairs gevolgde systematiek met betrekking tot marktregulering heeft ingestemd. Bij fax van 9 augustus 2000 heeft DNB voorts aan verweerster bericht dat zij niet op de hoogte was van de door Intereffekt Commissionairs gehanteerde methodiek ten aanzien van de afwikkeling van transacties en nimmer heeft ingestemd met het gebruik van deze methode. Verweerster heeft bij besluit van 13 juli 2000 aan Intereffekt Commissionairs de maatregel van stille curatele als bedoeld in artikel 28 van de Wte 1995 opgelegd, waarbij zij H.G.K. Harbrink Numan als stille curator heeft aangesteld. Bij brief van 11 augustus 2000 heeft verweerster een tweede stille curator aangesteld, te weten drs. W. Dijkema. Bij besluit van 21 augustus 2000, met kenmerk 1336 MSN, heeft verweerster aan Intereffekt Commissionairs een aanwijzing op grond van artikel 28 van de Wte 1995 gegeven, met name inhoudend: - dat eisers I en II onmiddellijk als bestuurders dienen terug te treden en - dat Intereffekt Commissionairs binnen 3 maanden geleid dient te worden door tenminste twee bestuurders die voldoen aan de vereisten van artikel 10 Bte 1995. Aan dit besluit heeft verweerster haar standpunt ten grondslag gelegd dat eisers I en II onvoldoende deskundig zijn ten aanzien van de bedrijfsvoering van een effecteninstelling en dat hun betrouwbaarheid niet (langer) buiten twijfel staat. Bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-5372JMvG, heeft verweerster het bezwaar van Intereffekt Commissionairs tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het tegen die beslissing door Intereffekt Commissionairs bij de rechtbank ingestelde beroep, geregistreerd onder nummer 01/668, heeft zij bij brief van 18 mei 2001 ingetrokken. Bij besluit van 21 augustus 2000 heeft DNB aanwijzingen als bedoeld in artikel 21 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (hierna: Wtb) gegeven aan IJW, Intereffekt Japanse Aandelen N.V., Intereffekt Rentegroei II N.V. en Intereffekt Rising Sun N.V. gezamenlijk en aan IJW, Intereffekt Japanse Aandelen N.V., en Intereffekt Rising Sun N.V. afzonderlijk. Deze aanwijzingen hielden in: - dat de Intereffekt-beleggingsinstellingen onmiddellijk maatregelen dienden te treffen die ertoe zouden leiden dat zij met onmiddellijke ingang niet langer feitelijk of formeel zouden worden bestuurd door Intereffekt Commissionairs, en - dat IJW, Intereffekt Japanse Aandelen N.V. en Intereffekt Rising Sun N.V. onmiddellijk maatregelen dienden te treffen die ertoe zouden leiden dat zij uiterlijk binnen vijf werkdagen zouden worden bestuurd, dan wel feitelijk zouden worden geleid, door tenminste twee personen aan wie DNB haar instemming als bedoeld in artikel 12 Wtb en de artikelen 2 en 11 van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen had verleend. Bij besluit van 9 februari 2001 heeft DNB het bezwaar van Intereffekt Commissionairs tegen deze aanwijzingen ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van DNB ten grondslag dat eisers I en II onvoldoende deskundig zijn in verband met de bedrijfsvoering van de effecteninstellingen en dat hun betrouwbaarheid niet (langer) buiten twijfel staat. In haar beslissing heeft DNB mede overwogen dat zij nimmer toestemming heeft gegeven voor de wijze van marktregulering als toegepast door Intereffekt Commissionairs, alleen al omdat marktregulering behoort tot het toezichtsterrein van verweerster. Het door Intereffekt Commissionairs tegen die beslissing ingestelde beroep, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 01/667, heeft zij bij brief van 18 mei 2001 ingetrokken. Bij twee besluiten, elk van 22 augustus 2000, met als kenmerken 1340MSN respectievelijk 1345MSN, heeft verweerster besloten: - de aan eiseres III verleende verklaringen van geen bezwaar voor het houden van een middellijke deelneming in Intervaluta en in Intereffekt Commissionairs per direct in te trekken; - dat eiseres III haar belang dat zij in Intervaluta en in Intereffekt Commissionairs rechtstreeks houdt, binnen drie maanden moet hebben vervreemd. Verweerster heeft bij haar motivering van deze besluiten verwezen naar eerdervermeld besluit van 21 augustus 2000, met kenmerk 1336MSN. Tegen deze twee besluiten van 22 augustus 2000 is geen bezwaar gemaakt. Op eveneens 22 augustus 2000 heeft verweerster de in rubriek 1 van deze Uitspraak vermelde primaire besluiten jegens eisers I en II genomen. Tegen die besluiten, voorzover hen betreffend, is door eisers I en II bezwaar gemaakt. Eisers I en II zijn bij brief van 23 augustus 2000 door drs. L. Deuzeman RA in diens functie als voorzitter van de Raad van Commissarissen van Intereffekt Commissionairs ervan in kennis gesteld dat zij in navolging van verweersters besluit van 21 augustus 2000 met ingang van 22 augustus 2000, 21.00 uur, gedurende maximaal drie maanden als bestuurders van Intereffekt Commissionairs geschorst zijn. Verweerster is hiervan op 28 augustus 2000 op de hoogte gebracht, waarbij haar tevens is bericht dat de Raad van Commissarissen zich vooralsnog bij zal laten staan door de beide door verweerster aangestelde stille curatoren, die hiertoe door die Raad als deskundigen zijn benoemd. Bij brief van 8 november 2000 heeft verweerster aan Intereffekt Commissionairs bericht in te kunnen stemmen met de benoeming van de heren drs. M.J. van der Zwaard en drs. J.W. van de Water als bestuurders. Beide heren zijn door Intereffekt Commissionairs tijdens haar Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders van 20 november 2000 als bestuursleden benoemd, terwijl eisers I en II tijdens die vergadering hun functie als bestuurslid hebben neergelegd. Verweerster heeft de namens eisers I en II gedane verzoeken om de in haar besluiten van 22 augustus 2000 bedoelde termijn van drie maanden te verlengen, bij brieven van 3 november 2000 afgewezen. Omdat deze termijn op 22 november 2000 verstreken was en eisers hun belangen toen nog niet hadden vervreemd, is namens Intereffekt Commissionairs aan verweerster verzocht in te stemmen met een tijdelijke oplossing. Verweerster heeft bij brief van 24 november 2000 aangeven akkoord te gaan met de voorgestelde tijdelijke oplossing - dat een Stichting Administratiekantoor Intereffekt Commissionairs (hierna: de Stichting AK) zal worden opgericht waarin het rechtstreekse belang van eiseres III in het aandelenkapitaal van Intereffekt Commissionairs zal worden ondergebracht, waarna de Stichting AK de aandelen Intereffekt Commissionairs zal certificeren die daarna zullen worden gehouden door eiseres III. Als bijzondere voorwaarde heeft verweerster hierbij gesteld dat eiseres III niet kan overgaan tot het royeren van de certificaten, tenzij zij beschikt over een verklaring van geen bezwaar van verweerster dan wel tenzij Intereffekt Commissionairs niet langer een vergunning op grond van artikel 7 van de Wte 1995 behoeft; - dat in het bestuur van de Stichting AK de heren Deuzeman en Wijma plaatsnemen; - dat de vervreemdingstermijn als bedoeld in het besluit van 22 augustus 2000, kenmerk 1345MSN, onder voorwaarden wordt verlengd tot 22 februari 2001, waarbij verweerster erop gewezen heeft dat eiser II en eiseres III verplicht zijn hun economische belang (waaronder mede begrepen worden gecertificeerde aandelen) in Intereffekt Commissionairs te vervreemden. Verweerster heeft dit laatste standpunt bij brief van 20 december 2000 herhaald. Verweerster heeft bij brief van 19 januari 2001 Intereffekt Commissionairs bericht dat zij de maatregel van stille curatele per 22 januari 2001 zal beëindigen, omdat zij uit haar contact met de stille curatoren begrepen heeft dat de situatie bij Intereffekt Commissionairs voldoende hersteld is. Daarnaast heeft verweerster bij besluit van 19 januari 2001 de aan Intereffekt Commissionairs verleende vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995 uitgebreid in die zin dat Intereffekt Commissionairs met ingang van die datum een vergunning heeft voor het in of vanuit Nederland aanbieden en/of verrichten van effectendiensten als bedoeld in artikel 1, onder h, sub 1, 2, 3 en 8b van de NR 1999. Bij besluit van 22 januari 2001 heeft verweerster aan de Stichting AK een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een rechtstreekse deelneming van 72% in het aandelenkapitaal van Intereffekt Commissionairs en het uitoefenen van de daaraan verbonden zeggenschap. Bij besluiten I, II en III heeft verweerster de bezwaren tegen de in rubriek 1 genoemde primaire besluiten van 22 augustus 2000 ongegrond verklaard. Bij brief van 19 februari 2001 heeft verweerster eiser II en eiseres III erop gewezen dat de nadere termijn, gegeven bij brief van 24 november 2000, bijna verstreken was en dat zij nog niets vernomen had over vervreemding van het economisch belang van eiser II en eiseres III in Intereffekt Commissionairs of over sluiting van een intentieverklaring over de verkoop van dit belang. Namens eiser II is bij brief van 6 maart 2001 aan verweerster bericht dat hij 72% van zijn middels eiseres III in Intereffekt Commissionairs gehouden aandelenbelang op 5 maart 2001 in de Stichting AK heeft ondergebracht, welke stichting is overgegaan tot certificering van die aandelen (met eiseres III als enige certificaathouder), zodat eiser II geen zeggenschap en economisch belang meer in Intereffekt Commissionairs heeft en hij niet langer onderworpen is aan de bepalingen in de Wte 1995 met betrekking tot gekwalificeerde deelnemingen. Daarnaast heeft eiser II in deze brief gesteld dat hij niettemin onverminderd zal trachten zijn aandelenpakket te vervreemden. Verweerster heeft op 26 maart 2001 aan eiser II en aan eiseres III bericht dat zij op die dag aangifte bij het Openbaar Ministerie heeft gedaan van het feit dat zij een gekwalificeerde deelneming hielden in een effecteninstelling zonder in het bezit te zijn van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wte 1995. Eveneens op 26 maart 2001 heeft verweerster jegens eiser II en eiseres III de in rubriek 1 vermelde primaire last-onder-dwangsombesluiten genomen teneinde te bewerkstelligen dat zij het door eiser II middellijk via eiseres III gehouden aandelenbelang in Intereffekt Commissionairs binnen vier weken tot maximaal 5% zouden terugbrengen. Namens eiser II en eiseres III is op 20 april 2001 te kennen gegeven dat dit aandelenkapitaal door voornoemde certificering reeds op 5 maart 2001 tot 5% was teruggebracht. Bij besluiten van 7 mei 2001 (als nadien gewijzigd) heeft verweerster jegens eiser II en eiseres III de eveneens in rubriek 1 vermelde primaire last-onder-dwangsombesluiten genomen teneinde te bewerkstelligen dat zij het door eiser II middellijk via eiseres III gehouden belang in Intereffekt Commissionairs binnen vier weken tot maximaal 5% zouden terugbrengen. Verweerster heeft op 5 juni 2001 aan de Stichting Beheer Certificaten Intereffekt Commissionairs (hierna: de Stichting Beheer) een verklaring van geen bezwaar verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming in Intereffekt Commissionairs. De certificaten van aandelen die eiser II middels eiseres III in Intereffekt Commissionairs hield, zijn op dezelfde dag overgedragen aan deze Stichting Beheer. Op grond hiervan heeft verweerster eiser II en eiseres III op 12 juni 2001 bericht dat is voldaan aan de last onder dwangsom van 7 mei 2001, zoals gewijzigd bij besluit van 17 mei 2001, en dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Verweerster heeft bij de besluiten IV en V de bezwaren van eiseres III respectievelijk eiser II ongegrond verklaard. De beroepen zijn gericht tegen de besluiten I tot en met V. 2.3. De stellingen van partijen Verweerster heeft in de besluiten I tot en met III het volgende overwogen: "De STE heeft in haar brief van 8 februari 2001 (kenmerk: JZ-5372JMvG) aan Intereffekt, haar oordeel met betrekking tot betrouwbaarheid en deskundigheid zoals neergelegd in artikel 10 van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995, zoals uitgesproken in haar beslissing van 21 augustus 2000 (kenmerk: 1336MSN), niet gewijzigd. Met de inhoud van deze beschikking wordt u bekend verondersteld. De STE is van oordeel dat u - gezien het oordeel van het STE omtrent uw deskundigheid en betrouwbaarheid - als houder van de deelneming een ongewenste invloed kan hebben op de gezonde of prudente bedrijfsvoering van Intereffect. Op grond van het voorgaande voldoet u niet meer aan de bij of krachtens de Wte 1995 gestelde regels (artikel 20 onder f Wte 1995). Het bovenstaande staat eraan in de weg dat u een gekwalificeerd belang houdt in enige vergunninghoudende effecteninstelling. ". Verweerster heeft de besluiten IV en V gegrond op de overweging dat de betreffende certificaten belangen zijn, die aangemerkt moeten worden als gekwalificeerde deelnemingen. Primair heeft verweerster in dit kader overwogen dat het aanhouden van certificaten van aandelen ter hoogte van 72% van het aandelenkapitaal van Intereffekt Commissionairs, een kapitaalbelang zonder stem- of zeggenschap oplevert als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22/EEG (hierna: Richtlijn 93/22) en in artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995. Subsidiair heeft verweerster in dit kader overwogen dat met die certificering sprake is van invloed van betekenis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 10, van de Richtlijn 93/22. In beide gevallen is sprake van een handelen in strijd met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995. De aangevoerde grieven tegen de besluiten I, II en III komen er samengevat op neer dat verweerster enerzijds een verkeerde beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd bij de toepassing van artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 in verbinding met artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995 en dat verweerster anderzijds ten onrechte heeft aangenomen dat eisers I en II niet langer voldoen aan eisen van deskundigheid en betrouwbaarheid. De aangevoerde grieven tegen de besluiten IV en V zien op de vraag of ten tijde van de bestreden besluiten nog wel sprake was van gekwalificeerde deelneming door eiseres III en eiser II in Intereffekt Commissionairs en, zo ja, op de vraag of verweerster desalniettemin niet tot dwangsomoplegging heeft mogen over gaan. In haar verweerschriften heeft verweerster gemotiveerd gepersisteerd bij haar besluiten I tot en met V. 2.4. Ten aanzien van de besluiten I, II en III 2.4.1. Het bij en krachtens de wet geldende kader In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wte 1995 wordt "gekwalificeerde deelneming" gedefinieerd als het houden van een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling. Ingevolge artikel 7 van de Wte 1995 is het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Ingevolge het vierde lid verleent de Minister van Financiën, op verzoek, een vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van: a. deskundigheid en betrouwbaarheid; b. financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis; c. bedrijfsvoering en vestiging van het hoofdkantoor; d. aan het publiek te verstrekken informatie; en e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Het is op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995, verboden om zonder verklaring van geen bezwaar een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling, waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 7, vierde of zesde lid, te houden, te verwerven of te vergroten van dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wte 1995, wordt ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Wte 1995, desgevraagd verleend, tenzij de Minister van Financiën van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de effecteninstelling die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering van die instelling. Ingevolge artikel 16, achtste lid, van de Wte 1995 maakt, - voorzover hier van belang - ingeval het houden van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen, de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen een door de Minister van Financiën te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan, onderscheidenlijk neemt hij de beperkingen alsnog in acht. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voorzover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. Op grond van artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 kan de Minister van Financiën een op grond van artikel 16 verleende verklaring van geen bezwaar wijzigen of intrekken dan wel daaraan nadere beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden, indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften. De Minister van Financiën heeft op grond van artikel 40 van de Wte 1995 zijn hierboven beschreven taken en bevoegdheden overgedragen aan verweerster. Artikel 10 van het mede op artikel 7, vierde lid, van de Wte 1995 gebaseerde Bte 1995 luidt als volgt: "1. Een ieder die een effecteninstelling krachtens wet, statuten of reglementen vertegenwoordigt dan wel het dagelijks beleid van een effecteninstelling bepaalt, dient naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit voldoende deskundig te zijn in verband met de bedrijfsvoering van de effecteninstelling. 2. De betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde personen, de personen die het dagelijks beleid van de effecteninstelling mede bepalen en de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de in het eerste lid bedoelde personen te benoemen of te ontslaan, dient naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit buiten twijfel te staan.". Ingevolge artikel 11 van het Bte 1995 mag de houder van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit op grond van die deelneming geen invloed hebben of kunnen hebben die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering van die instelling. 2.4.2. Beoordeling Verweerster heeft de besluiten I tot en met III gebaseerd op hetzelfde feitencomplex dat zij heeft vastgesteld bij haar ten aanzien van Intereffekt Commissionairs op 20 augustus 2000 genomen besluit, welk besluit zij heeft gehandhaafd bij besluit van 8 februari 2001, met kenmerk JZ-5372JMvG. Met dat rechtens onaantastbaar geworden besluit op bezwaar is tussen verweerster en Intereffekt Commissionairs vast komen te staan dat eisers I en II onmiddellijk als bestuurders van Intereffekt Commissionairs dienden terug te treden. Met het rechtens onaantastbaar geworden besluit op bezwaar van DNB van 9 februari 2001 is tussen DNB en Intereffekt Commissionairs in rechte vast komen te staan dat de diverse Intereffekt beleggingsinstellingen niet langer bestuurd mochten worden door Intereffekt Commissionairs. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of de feiten en omstandigheden, welke in bovengenoemde besluiten uitdrukkelijk aan het gedragsoordeel omtrent de deskundigheid en betrouwbaarheid van eisers I en II (als bestuurders van Intereffekt Commissionairs) ten grondslag zijn gelegd, als vaststaand moeten worden aangenomen en thans bij de beoordeling van de intrekking van de verklaringen van geen bezwaar niet opnieuw als punten van geschil kunnen worden beoordeeld, nu Intereffekt Commissionairs haar beroep heeft ingetrokken en bovengenoemde besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden. Hoewel die beslissingen en de daaraan verbonden rechtsgevolgen van de heenzending van eisers als bestuurders formele rechtskracht hebben verkregen en erga omnes werken, gaat het in de onderhavige besluiten I tot en met III strikt genomen niet om dezelfde partijen, nu eisers I en II niet met Intereffekt Commissionairs kunnen worden vereenzelvigd. Dit betekent dat de op hetzelfde feitencomplex steunende opvattingen van DNB en verweerster omtrent de betrouwbaarheid en deskundigheid van eisers I en II slechts rechtens verbindend zijn in de verhoudingen tussen DNB, verweerster en Intereffekt Commissionairs. Blijkens de overwegingen van de besluiten I tot en met III en de gelijktijdigheid van de besluitvorming heeft het onderhavige betrouwbaarheidsoordeel door verweerster niet plaatsgevonden op basis van een voorafgaand (inmiddels onherroepelijk) toezichtsantecedent, te weten de heenzending van eisers I en II als bestuurders. Mitsdien kan evenmin in Bijlage C van de "Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen" (hierna: Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing) grond worden gevonden voor de opvatting dat het onderliggende feitencomplex niet langer ter beoordeling staat. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Verweerster heeft bij de in rubriek 1 vermelde primaire besluiten van 22 augustus 2000 de op basis van artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995 verleende verklaringen van geen bezwaar ingetrokken en deze intrekking bij de besluiten I, II en III gehandhaafd. Nu het ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wte 1995 verboden is om een gekwalificeerde deelneming te houden zonder een dergelijke verklaring, heeft verweerster bij die besluiten geweigerd haar primaire besluiten te herroepen, inhoudende dat eisers I en II gelast worden hun rechtstreeks dan wel middellijk gehouden gekwalificeerde deelneming in Intervaluta en/of Intereffekt Commissionairs binnen de door haar gestelde termijn van drie maanden te beëindigen door het vervreemden van hun wederzijdse belang. Blijkens artikel 20, aanhef en onder f, van de Wte 1995 is verweerster bevoegd een verklaring van geen bezwaar in te trekken, indien de houder van een dergelijke verklaring niet meer aan de bij en krachtens de Wte 1995 gestelde eisen voldoet. Verweerster acht zich bevoegd de in 1996 aan eisers verleende verklaringen in te trekken, omdat naar haar oordeel eisers I en II niet meer aan de eisen van betrouwbaarheid en deskundigheid als bedoeld in artikel 10 van het Bte 1995 voldoen. Verweerster baseert dit oordeel op de conclusies die zij heeft verbonden aan haar bevindingen uit het onderzoek, dat zij van januari tot april 2000 bij Intereffekt Commissionairs heeft ingesteld. De bevindingen, zoals deze in rubriek 2.2 van deze uitspraak onder a. en c. zakelijk zijn weergegeven, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank verweersters conclusie dat de betrouwbaarheid van eisers I en II niet buiten twijfel staat. De rechtbank heeft hierbij allereerst in aanmerking genomen dat de feitelijke bevindingen van het onderzoek van verweerster met betrekking tot: - de gebrekkige administratie/interne controle (ao/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.