RECHTBANK TE ROTTERDAM Voorzieningenrechter Reg.nr.: VTELEC 03/66 MESK Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen Vereniging Veronica, de commanditaire vennootschap Kink FM en Veronica Radio B.V., gevestigd te Hilversum, verzoeksters, gemachtigde mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder, gemachtigden mr. A.J. Boorsma en mr. E.J. Daalder, beiden advocaat te Den Haag. 1. Ontstaan en loop van de procedure In de Staatscourant van 24 december 2002 (nr. 248) heeft verweerder een bekendmaking als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit gedaan (hierna: de bekendmaking van 24 december 2002). Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van verzoeksters bij brief van 9 januari 2003 bezwaar gemaakt. Voorts heeft verweerder op 31 december 2002 - opnieuw - beslist op het bezwaar van verzoeksters tegen zijn besluit van 5 april 2002 (hierna: de beslissing op bezwaar). Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van verzoeksters bij brief van eveneens 9 januari 2003 beroep ingesteld. Bij brief van opnieuw 9 januari 2003 heeft de gemachtigde van verzoeksters verzocht ten aanzien van de bekendmaking van 24 december 2002 voorlopige voorzieningen te treffen. 2. Overwegingen Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 11 oktober 2002 (reg.nrs. VTELEC 02/2258-SIMO e.a.). Hij voegt daaraan thans het volgende toe. Op 16 oktober 2002 is het kabinet demissionair geworden. Op 31 oktober 2002 heeft de Tweede Kamer de verdeling van etherfrequenties voor de commerciële radio-omroep als controversieel aangemerkt. Bij brief van 1 november 2002 heeft verweerder, mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: OC&W), aan de Tweede Kamer bericht dat het kabinet - niettemin - vasthoudt aan verdeling van de voor de commerciële radio-omroep beschikbare frequentieruimte voor een periode van acht jaar door middel van de procedure van vergelijkende toets met een financieel bod, een en ander overeenkomstig het in de uitspraak van 11 oktober 2002 daarvoor aangegeven tijdpad. Op 7 november 2002 heeft naar aanleiding van de brief van 1 november 2002 overleg plaatsgevonden tussen verweerder en de staatssecretaris van OC&W enerzijds en de Tweede Kamer anderzijds. Tijdens dit overleg hebben verweerder en de staatssecretaris van OC&W de Tweede Kamer laten weten dat het kabinet verder gaat met de uitvoering van zijn beleidsvoornemens terzake, en dat de Tweede Kamer begin december 2002 zal worden geïnformeerd over de uitwerking daarvan. In een brief van 13 november 2002 aan de voorzieningenrechter in het kader van de procedure bij de rechtbank geregistreerd onder nummer VTELEC 02/2910 SIMO heeft verweerder het door het kabinet nader uitgezette tijdpad als volgt beschreven: "De huidige planning voor de voorbereiding en uitvoering van de vergelijkende toets is de volgende: - nu - eind december [2002]: ontwerpen ministeriële regelingen en bekendmaking + opstellen aanvraagdocumenten alsmede organisatie en logistieke afhandeling vergelijkende toets; - begin december [2002]: opzet van de vergelijkende toets toezenden aan de Tweede Kamer; - uiterlijk 1 januari [2003]: publicatie ministeriële regelingen in Staatscourant; - omstreeks 1 februari [2003]: bekendmaking; - begin januari [2003]: publicatie ministeriële regelingen in Staatscourant; - omstreeks 1 februari [2003]: start aanvraagprocedure; - uiterlijk 30 mei [2003]: uiterlijk verlening vergunningen + afwijzing van overige aanvragen. Deze planning kan aan de hand van nieuwe inzichten worden bijgesteld." Bij brief van 6 december 2002 hebben de staatssecretaris van OC&W en verweerder de Tweede Kamer medegedeeld dat het uitvoeren van een vergelijkende toets en het verlenen van vergunningen met een looptijd van acht jaar vóór 1 juni 2003 de aangewezen weg is en de Tweede Kamer geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking van die vergelijkende toets. Naar aanleiding van deze brief hebben verweerder en de staatssecretaris van OC&W op 17,18 en 19 december 2002 overleg gehad met de Tweede Kamer. Dit overleg heeft geresulteerd in een brief van 19 december 2002 van verweerder en de staatssecretaris van OC&W aan de Tweede Kamer waarin onder meer het volgende is bericht: "In het overleg tussen de Kamer en het Kabinet is de wens uitgesproken om een vergelijkende toets uit te doen voeren door een onafhankelijke commissie. Het Kabinet heeft, gehoord de argumentatie van de Kamer, begrip voor de geuite wensen. Op korte termijn zal daarom een commissie van drie onafhankelijke deskundigen worden ingesteld. De commissie zal in februari een toetsplan openbaarmaken. Bij dit toetsplan zal rekening worden gehouden met: 1. voldoende pluriformiteit: dit wordt ingevuld door vijf geclausuleerde en vier ongeclausuleerde kavels. De commissie zal op de hoogte worden gesteld van de opmerkingen die Uw Kamer tijdens het Algemeen Overleg hierover naar voren heeft gebracht, 2. de belangen van bestaande partijen, en 3. de belangen van nieuwkomers. Vanzelfsprekend wordt dit toetsplan desgewenst met uw Kamer besproken." Op 24 december 2002 heeft verweerder vervolgens, gelet op onderstaand citaat uit het besluit van 31 december 2002 kennelijk enkele dagen eerder dan de bedoeling was, de in rubriek 1 genoemde bekendmaking gepubliceerd in de Staatscourant. Tegen dit besluit hebben verzoeksters bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 december 2002 heeft verweerder de bezwaren van verzoeksters tegen het besluit van 5 april 2002 gegrond verklaard. De eerste alinea van het dictum van dit besluit luidt: "Ik herroep het primaire besluit van 5 april 2002. In plaats daarvan heb ik, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vandaag een nieuw besluit op grond van artikel 3, eerste en derde lid, van het Frequentiebesluit genomen om te bewerkstelligen dat de frequentievergunningen op 1 juni 2003 in gebruik kunnen worden genomen. Dit besluit strekt ertoe dat de voor commerciële omroep beschikbare frequentieruimte door middel van een vergelijkende toets voor een periode van acht jaar wordt uitgegeven." Tegen dit besluit hebben verzoeksters beroep ingesteld. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter gevraagd ten aanzien van de bekendmaking van 24 december 2002 bij wege voorlopige voorzieningen: "(…) te bepalen dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.