RECHTBANK TE ROTTERDAM Voorzieningenrechter Reg.nrs.: VMEDED 03/3001 MES MEDED 03/3002 MES (hoofdzaak) Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen [X] verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker), gemachtigde W.E. van Bentem, rechtskundig adviseur te Loppersum, en de directeur- generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, verweerder, gemachtigde mr. A.S.M.L. Prompers, coördinator beroepen bij de Juridische Dienst van de Nederlandse mededingingsautoriteit, Met als derden-partijen de Nederlandse Orde van Advocaten en de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, gemachtigden mr. D.J.M. de Grave en mr. E.H. Pijnacker Hordijk, advocaten te ‘s- Gravenhage. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 28 maart 2003 heeft verzoeker verweerder verzocht om met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Mededingingswet (hierna: de Mw) een voorlopige last onder dwangsom op te leggen aan de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) en de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: OvaA). Bij besluit van 13 juni 2003 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij brief van 25 juli 2003 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 oktober 2003 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Voorts heeft verzoeker bij brief van 9 oktober 2003 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 5 november 2003 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen zijn besluit van 13 juni 2003 ongegrond verklaard. Bij brief van 5 november 2003 heeft verweerder - onder meer - een vertrouwelijk verslag van een besloten deel van de hoorzitting van 19 september 2003 ingezonden. Terzake van dit stuk heeft verweerder op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de voorzieningenrechter medegedeeld dat uitsluitend hij daarvan kennis zal mogen nemen en heeft verweerder de voorzieningenrechter verzocht met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. In verband hiermee heeft de voorzieningenrechter het gewenst geacht om aan een rechter-commissaris op te dragen een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb. Bij beslissing van 11 november 2003 heeft de voorzieningenrechter als rechter-commissaris benoemd mr. P. van Zwieten. Bij beslissing van 11 november 2003 heeft de rechter-commissaris beslist dat beperking van de kennisneming van het hoervoor genoemde stuk dat door verweerder aan de voorzieningenrechter is toegezonden, gerechtvaardigd is. Verzoeker en de derden-partijen hebben ter zitting toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2003. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. L.J.F. Driessen. De derden-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. 2. Overwegingen Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van verzoeker. Bij besluit van 5 november 2003 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar van verzoeker en dit ongegrond verklaard. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb acht de voorzieningenrechter het beroep mede gericht tegen de beslissing op bezwaar. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is mede gericht tegen de beslissing op bezwaar. Feiten Verzoeker is in Amsterdam werkzaam als advocaat. Naast zijn advocatenpraktijk heeft een onderneming opgericht, Letsel.nl, die juridische diensten verleent in letselschadezaken. Tegen verzoeker zijn tuchtrechtelijke procedures aanhangig. Een van die procedures betreft de overtreding van het verbod op resultaatgerelateerde beloning dat is neergelegd in artikel 2 van de Verordening op de praktijkuitoefening, onderdeel resultaatgerelateerde beloning (hierna: de Verordening). De Verordening is op grond van artikel 28 van de Advocatenwet op 26 juni 2002 door het college van afgevaardigde van de NOvA vastgesteld en op 2 juli 2002 in werking getreden. Bij brief van 25 maart 2003 heeft verzoeker verweerder verzocht om op grond van artikel 56 van de Mededingingswet (hierna: de Mw) de NOvA en de OvAA een last onder dwangsom alsmede een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 6 van de Mw. Verzoeker heeft, in afwachting van een beslissing op voornoemd verzoek, bij brief van 28 maart 2003 verweerder verzocht om met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Mw een voorlopige last onder dwangsom op te leggen aan de NOvA en de OvaA. Bij besluit van 13 juni 2003 is het verzoek om toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Mw afgewezen. Bij besluit van 5 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Wettelijk kader Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Mw kan de directeur-generaal een voorlopige last onder dwangsom opleggen, indien naar zijn voorlopig oordeel aannemelijk is dat artikel 6, eerste lid, of artikel 24, eerste lid, is overtreden, en onverwijlde spoed, gelet op de belangen van de door de overtreding getroffen ondernemingen of het belang van instandhouding van een daadwerkelijke mededinging, dat vereist. In het tweede lid is bepaald dat een voorlopige last de natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan wie de overtreding voorshands kan worden toegerekend, verplicht tot het verrichten of nalaten van in die last omschreven feitelijke gedragingen of rechtshandelingen. Standpunt verzoeker Verzoeker meent dat de Verordening in strijd is met artikel 6 van de Mw en dat hij om die reden niet aan het verbod op resultaatgerelateerde beloning (‘no cure no pay’ en ‘quota pars litis’) kan worden gehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verzoeker naar verweerders besluit van 21 februari 2002, kenmerk 560/87, genomen naar aanleiding van een eerder door verzoeker ingediende klacht. Bij dit besluit, dat inmiddels onherroepelijk is geworden, heeft verweerder overwogen dat het verbod op resultaatgerelateerde beloning dat destijds was neergelegd in artikel 25, tweede en derde lid, van de Gedragsregels van de NOvA, een mededingingsbeperking in de zin van artikel 6 van de Mw vormt. Verzoeker heeft verweerder verzocht een voorlopige last onder dwangsom op te leggen, aangezien er sprake is van een ernstige bedreiging voor het voortbestaan van zijn praktijk. Immers, verzoeker dient er rekening mee te houden dat de tuchtrechter een overtreding van de Vo ondanks het nietige karakter ervan, toch in strijd acht met artikel 48 van de Advocatenwet en mitsdien tuchtrechtelijk verwijtbaar zal achten, zolang het verboden karakter van de Vo nog niet rechtens is komen vast te staan. Standpunt verweerder Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat de hoofdregel in het systeem van de Mw is dat geen boete en/of last onder dwangsom wordt opgelegd dan nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden en, indien verweerder na afloop van het onderzoek een redelijk vermoeden heeft dat een overtreding van de Mw is begaan, een rapport is opgemaakt waarop belanghebbenden hun zienswijze hebben kunnen geven. De mogelijkheid om een voorlopige last onder dwangsom op te leggen vormt een uitzondering op deze hoofdregel. Voor zover hier van belang geldt deze uitzondering uitsluitend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.