RECHTBANK TE ROTTERDAM Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: PREMIE 03/1102 HRK Uitspraak in het geding tussen Isoper B.V., gevestigd te Delft, eiseres, gemachtigde J. Hofman, van BDO Belastingadviseurs, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij vijf correctienota's/besluiten van 18 december 2002 heeft verweerder over de jaren 1997 tot en met 2001 premies werknemersverzekeringen vastgesteld met betrekking tot door eiseres gereserveerde bedragen in verband met niet uitbetaald, maar gereserveerd loon over opgenomen verlofdagen. Tegen deze besluiten heeft de gemachtigde van eiseres bij brieven van 17 januari 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 4 april 2003 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 10 juni 2003, aangevuld bij brief van 26 november 2003, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2003. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Kos. 2. Overwegingen In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij dit besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd, zoals neergelegd in de besluiten van 18 december 2002, waarbij verweerder eiseres correctienota's ingevolge de werknemersverzekeringen heeft opgelegd over de jaren 1997 tot en met 2001 met betrekking tot door eiseres gereserveerde bedragen in verband met niet uitbetaald loon over opgenomen verlofdagen. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte correctiepremies werknemersverzekeringen heeft vastgesteld over de dagen waarop geen arbeid is verricht. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, in het bijzonder de uitspraak van 31 mei 2001, gepubliceerd in RSV 2001/184. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld de Centrale Raad van Beroep een te beperkte uitleg aan het begrip loondagen geeft. De uitleg van de Centrale Raad van Beroep dat onder loondagen moet worden verstaan "de dagen waarop een werknemer tegen loon heeft gewerkt" acht verweerder in strijd met de letterlijke tekst van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), en overigens ook met de bedoeling van de wetgever. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de systematiek van de premieheffing ingevolge artikel 9, eerste lid, van de CSV een systeem van premieheffing per premiebetalingstijdvak betreft en niet een systeem van premieheffing per gewerkte dag. Voorts is verweerder van oordeel dat in het gehele systeem van premieheffing werknemersverzekeringen geen verband wordt gelegd met daadwerkelijk verrichte arbeid en het ook niet de bedoeling van de wetgever is geweest om alleen arbeidsdagen als loondagen aan te merken. Toepassing van de door de Centrale Raad van Beroep gegeven definitie van het begrip loondag zou immers tot een onaanvaardbare rechtsongelijkheid leiden omdat bij gelijke lonen dan verschillende bedragen aan premies verschuldigd zou zijn. Bovendien zouden op deze wijze dagen waarover wel loon is genoten, maar waarop geen arbeid is verricht niet als loondagen kunnen worden aangemerkt. Verweerder is dan ook van oordeel dat de zinsnede in artikel 9, eerste lid, van de CSV, waarin wordt gerefereerd aan "dagen waarover loon is genoten" dient te worden gelezen als "dagen waarover loon of een aan loon gelijkgestelde uitkering is genoten". Volgens verweerder blijkt ook uit andere bepalingen dat de wetgever het begrip loondagen niet heeft willen beperken tot dagen waarop is gewerkt. Verweerder wijst op artikel 9, vijfde, zesde en tiende, lid van de CSV en artikel 2, eerste en tweede lid van de Nadere regels maximumdagloon en franchise WW, welke bepalingen tot doel hebben de voltijdse werknemers zoveel mogelijk gelijk te behandelen, ongeacht hun arbeidspatroon. Artikel 9, eerste lid, van de CSV betreft volgens verweerder, evenals het huidige artikel 9, vijfde lid, van de CSV, een bepaling die het aantal loondagen verhoogt en niet maximeert, zoals in de uitspraak van 31 mei 2001 wordt gesuggereerd door de Centrale Raad van Beroep. Verweerder acht de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2001 niet in overeenstemming met eerder uitspraken. Verweerder noemt in dit verband uitspraken van 7 april 1993, gepubliceerd in RSV 1994/38 en 26 november 1998, gepubliceerd in RSV 1999/146. Verweerder is van mening dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 31 mei 2001 geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 9, zesde lid, van de CSV. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder, met inachtneming van de maximum daglonen en de geldende franchises, gehouden is tot premieheffing ingevolge de werknemers-verzekeringswetten over dagen waarop niet is gewerkt, maar wel loon is gereserveerd. De rechtbank zal zich tot dit punt van het geschil beperken. Van toepassing zijn de bepalingen ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV), zoals deze golden ten tijde van het geschil. De artikelen 4 tot en met 8 van de CSV bepalen wat tot het loon in de zin van deze wet behoort. Ingevolge artikel 5 van de CSV wordt loon beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.