RECHTBANK ROTTERDAM meervoudige kamer Parketnummer : 10/000263-04 Raadslieden : mrs. Böhler en M. Pestman Beslissing in de strafzaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] te Marokko, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres] ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, Huis van Bewaring “De IJssel” te Krimpen aan den IJssel, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 april 2005. Verdachte heeft zich op die terechtzitting laten vertegenwoordigen door zijn raadslieden. De raadslieden hebben op de terechtzitting onder meer de navolgende kwesties ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank heeft hierop als volgt beslist. 1. Geheimhouding 1.2. De voorwaarden (zoals neergelegd in de beschikking ontheffing ex artikel 86, eerste lid Wiv 2002 d.d 4 maart 2005, en de brief d.d. 24 maart 2005, beiden opgesteld door [hoofd van de algemene inlichtingen en veiligheidsdienst] Door de raadslieden is allereerst betoogd dat de door de AIVD opgestelde voorwaarden waaronder de verdachte van zijn geheimhoudingsplicht is ontheven deze ontheffing ingrijpend beperken. Met name geldt dat voor de drie voorwaarden expliciet genoemd onder punt 22 van de pleitnota, te weten dat verdachte ook aan zijn raadslieden geen identiteit prijs mag geven van medewerkers of van menselijke bronnen van de AIVD, dat het overleg alleen mag gaan over hetgeen in het procesdossier is opgenomen en dat de ontheffing uitsluitend geldt voor die gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor zijn verdediging. De rechtbank deelt die opvatting niet. Niet valt namelijk in te zien welk verdedigingsdoel c.q. noodzakelijkheid zou kunnen worden gediend met het bespreekbaar maken van de identiteit van medewerkers of menselijke bronnen van de AIVD. Dat voorts het overleg alleen mag gaan over hetgeen in het procesdossier is opgenomen - en dus betrekking hebbend op de concrete verdenkingen jegens de verdachte - is eveneens evident. Dat de ontheffing tenslotte alleen geldt voor die gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de verdediging klinkt ook niet verrassend, waarbij de rechtbank er van uitgaat dat dit voldoende ruimte biedt voor eventuele bewijsverweren. Gelet op het hierboven overwogene ziet de rechtbank derhalve niet in dat er sprake is van de door de raadslieden zo gevreesde situatie dat de AIVD zich zou mengen in het overleg met de cliënt en zou bepalen welke stukken aan het dossier zouden kunnen worden toegevoegd. Immers, de officier van justitie bepaalt dit laatste, en zo dit zou worden geweigerd dient de rechtbank dit te toetsen aan verdedigingsbelang c.q. noodzakelijkheid, en, uiteindelijk, aan het aan het Charles Z. criterium (HR 19.12.95, NJ 96, 249). 1.3. Het delen van informatie. Voorzover dit de rechtbank en de overige procesdeelnemers betreft is niet langer enig probleem aanwezig. Het delen van de info met de rechter-commissaris vindt in de beslotenheid van het kabinet plaats. De AIVD heeft daar, blijkens de aanvullende voorwaarden, geen bezwaar tegen. Voor wat betreft de openbare terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de te bespreken verdenkingen en onderliggende gegevens de veiligheid van de staat raken, zodat op basis van het bepaalde in artikel 269 lid 1 Wetboek van Strafvordering -raadslieden en openbaar ministerie hebben zich hier al in een eerder stadium over uitgelaten- het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot de feiten en het horen van eventuele getuigen hierover achter gesloten deuren zal plaatsvinden. Voorzover het de getuigenverhoren betreft vinden deze ofwel in de beslotenheid van het kabinet plaats ofwel ter zitting met gesloten deuren. Het is daarbij steeds aan de rechter te toetsen of vragen c.q. antwoorden toelaatbaar zijn, zulks eventueel nadat het Openbaar Ministerie daarop zijn visie daarop heeft gegeven waarbij deze zich desgewenst kan laten voorlichten door de AIVD. Deze gang van zaken is niet anders dan wanneer (bijv.) CIE medewerkers worden gehoord, zodat in casu indien een inbreuk plaatsvindt op de rechten van de verdachte deze niet significant anders is dan in het hiervoor omschreven geval, welke inbreuk wordt toegestaan door vaste jurisprudentie van Hoge Raad en EHRM (met name EHRM 25.09.01, NJ 03, 670). Een en ander geldt uiteraard - in aanvulling op het terzake onder 1.1. overwogene ook voor de identiteit van de AIVD medewerkers. 1.2. Ontheffing van de raadslieden Of de raadslieden daadwerkelijk als verlengstuk van hun cliënt moeten worden gezien teneinde in de zin van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) te kunnen worden ontheven van hun geheimhoudingsplicht is een vraag die als gevolg van het door het Openbaar Ministerie ingenomen processuele standpunt terzake geen beantwoording (meer) behoeft. Waar het Openbaar Ministerie het standpunt van de AIVD (namelijk dat de raadslieden worden ontheven) kennelijk tot het hare maakt (ter zitting van 8 april 2005) is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin het Openbaar Ministerie de raadslieden de facto vrijwaart. Aldus bevinden de raadslieden zich in de vrijwaringsituatie waarom zij hebben gevraagd, indien en voor zover zij zich aan de voorwaarden houden. 2. Getuigen Door de officier van justitie en de verdediging is aan de rechtbank verzocht zich onder meer uit te laten over de door de rechter-commissaris te horen getuigen en de daarmee samenhangende open dan wel gesloten terugverwijzing naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek en met betrekking tot eventueel te horen AIVD getuigen de te volgen procedure en de manier waarop deze getuigen kunnen worden ondervraagd. 2.1. De door de rechter-commissaris te horen getuigen en de daarmee samenhangende open dan wel gesloten terugverwijzing naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek De rechtbank zal de rechter-commissaris opdragen in ieder geval de getuigen te horen waarover procespartijen het eens zijn en waartoe door de rechter-commissaris in een eerder stadium reeds was besloten te weten: [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige] alsmede [getuige], [getuige] en [getuige] (plv. hoofd AIVD). Van de door de verdediging in hun brief aan de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2005 gevraagde AIVD getuigen zijn 7 personen ([getuige], [getuige], NN 10, NN 11, NN 13, NN 14 en NN 18) in een eerder stadium reeds door het openbaar ministerie (anoniem) gehoord buiten aanwezigheid van de verdediging. De rechtbank zal de rechter-commissaris opdragen deze getuigen te horen. Met betrekking tot de overige 15 (AIVD) getuigen (NN 1 t/m 9, NN 15, 16, 17, 19, 20, 22) alsmede de gevraagde getuige Mohammed Tahir overweegt de rechtbank dat omtrent het horen van een of meer van de personen als getuige dan wel het inwinnen van ambtsberichten van de AIVD door de rechter-commissaris kan worden beslist na het horen van [getuige]. Van de verdediging mag in dat stadium worden verlangd dat zij dan aan de rechter-commissaris nader toelichten over welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.