RECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nrs.: TELEC 04/390 en TELEC 04/396-HRK Uitspraak in de gedingen tussen (TELEC 04/390-HRK) KPN Mobile The Netherlands B.V. (hierna: KPN Mobile), gevestigd te Den Haag, gemachtigde mr. B.J.H. Braeken, advocaat te Amsterdam, en het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA), verweerder, gemachtigde mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, met als derde-partij: - UPC Nederland B.V. (hierna: UPC), gevestigd te Amsterdam, eiseres, gemachtigde mr. Y.S.H. Schers, en (TELEC 04/396-HRK) UPC, gevestigd te Amsterdam, eiseres, vertegenwoordigd als bovenvermeld, en het college van de OPTA, verweerder, vertegenwoordigd als bovenvermeld, met als derde-partijen: - KPN Telecom B.V. (hierna: KPN), gevestigd te Den Haag, gemachtigde mr. P.V. Eijsvoogel, advocaat te Amsterdam, - KPN Mobile, gevestigd te Den Haag, vertegenwoordigd als bovenvermeld. 1. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 12 december 2002 (verder: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 6.3, tweede lid, respectievelijk artikel 6.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) - zoals deze destijds luidden - een beslissing genomen in het geschil tussen UPC enerzijds en KPN alsmede KPN Mobile anderzijds. Kort samengevat heeft verweerder daarbij geoordeeld dat: - KPN gerechtigd is aan UPC een transitvergoeding te vragen voor het gebruik dat UPC heeft gemaakt van de transitdienst van KPN voor het afwikkelen van verkeer naar het mobiele netwerk van KPN dan wel dat van KPN Mobile; - de vordering van UPC om de hoogte van die transitvergoeding op basis van kostenoriëntatie vast te stellen wordt afgewezen; - KPN Mobile wordt gelast om binnen vier weken na bekendmaking van dit besluit UPC een redelijk en non-discriminatoir aanbod voor directe interconnectie te doen; - KPN Mobile verplicht is om eventuele meerkosten van UPC door het ontbreken van een mogelijkheid voor directe interconnectie te vergoeden indien directe interconnectie tot stand komt. Tegen dit besluit is zowel door UPC als KPN Mobile bij brieven van respectievelijk 17 en 23 januari 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 juni 2003 heeft verweerder de bezwaren van UPC, ten aanzien van de vraag of transitvergoedingen rechtens in rekening mochten worden gebracht, ongegrond verklaard en zijn beslissing, ten aanzien van zowel het verzoek van UPC om het transittarief van KPN te toetsen aan het beginsel van kostenoriëntatie als de bezwaren van KPN Mobile tegen de regels die hij heeft gesteld inzake de directe interconnectie, aangehouden. Bij uitspraak van 25 augustus 2005, reg.nr. TELEC 03/2165, heeft de rechtbank het beroep van UPC tegen het laatstgenoemde besluit ter zake van de transitvergoedingen, voor zover dit ziet op de periode vanaf 24 november 1999, gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Bij besluit van 30 december 2003 heeft verweerder de overige bezwaren van UPC ongegrond en de bezwaren van KPN Mobile deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben zowel KPN Mobile als UPC bij brieven van respectievelijk 9 en 10 februari 2004 beroep ingesteld. Bij brief van 7 april 2004 heeft KPN Mobile de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 16 april 2004 heeft UPC (aan de hand van een openbare versie) de gronden van het beroep ingediend. Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hebben KPN en KPN Mobile als derde-partijen aan het geding TELEC 04/396 deelgenomen en heeft UPC als derde-partij aan het geding TELEC 04/390 deelgenomen. Verweerder heeft bij brief van 24 maart 2005 ten aanzien van beide gedingen één verweerschrift ingediend. Verweerder heeft bij het inzenden van de op de zaken betrekking hebbende stukken ten aanzien van (gedeelten van) een aantal stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat alleen de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissingen van 28 september 2005 heeft de rechter-commissaris beperking van de kennisneming van de door verweerder ingezonden stukken gerechtvaardigd geacht, in die zin dat alleen de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen. Partijen hebben toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2005. UPC heeft zich laten vertegenwoordigen door haar medewerkers mrs. B.J.M. van Zeeland en M.H. Neervoort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door S. Claassen. KPN en KPN Mobile hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 Bevoegdheid rechtbank Ingevolge het koninklijk besluit van 7 mei 2004, gepubliceerd in Staatsblad 2004/207 (uitgiftedatum 18 mei 2004), is de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatie-sector 2002 (hierna: Implementatiewet) met ingang van 19 mei 2004 in werking getreden. Artikel 17.1 van de Tw luidt met ingang van 19 mei 2004 als volgt. “1. Tegen besluiten die door het college zijn genomen op grond van hoofdstuk 6, 6A, 6B, 12 of 15, met uitzondering van besluiten als bedoeld in de artikelen 15.2a en 15.4, kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. 2. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroep tegen besluiten, niet zijnde besluiten als bedoeld in het eerste lid, de rechtbank Rotterdam bevoegd. 3. Ten aanzien van besluiten die door het college zijn genomen op grond van hoofdstuk 6, 6A, 6B, of 12, blijft artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing.” Ingevolge artikel 19.11 van de Tw - zoals deze met ingang van 19 mei 2004 luidt - is, op besluiten die door verweerder zijn genomen op grond van hoofdstuk 6, waartegen bezwaar of beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Implementatiewet, in afwijking van artikel 17.1, eerste lid, de rechtbank bevoegd en blijft artikel 17.1, derde lid, buiten toepassing. Gelet op het vorenstaande, de data van het primaire- en bestreden besluit, alsmede artikel 17.1 van de Tw (oud) is de rechtbank derhalve (exclusief) bevoegd ter zake van dit geschil uitspraak te doen. 2.2 Juridisch kader (zoals dit luidde voor 19 mei 2004) Artikel 6.1, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Tw luidt als volgt: 1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten in Nederland, die daarbij de toegang tot netwerkaansluitpunten van eindgebruikers controleren, dragen zorg voor de interconnectie van de betrokken telecommunicatienetwerken teneinde te verzekeren dat de daarop aangesloten gebruikers over en weer met elkaar kunnen communiceren. 3. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot interconnectie indien er voor de desbetreffende interconnectie andere, technisch en commercieel haalbare mogelijkheden bestaan, of indien de desbetreffende interconnectie redelijkerwijs niet kan worden verlangd in het licht van de middelen die beschikbaar zijn. 4. Onverminderd het derde lid, en onverminderd eventuele verplichtingen uit hoofde van Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister ontheffing verlenen van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot interconnectie indien de naleving ervan leidt tot een verstoring van de mededinging. 6. Onverminderd het derde en vierde lid, dient ter uitvoering van het eerste, tweede en vijfde lid iedere daar bedoelde aanbieder met andere daar bedoelde aanbieders in onderhandeling te treden om te komen tot overeenkomsten op basis waarvan de interconnectie tot stand komt. In het geval de in de vorige zin bedoelde verplichting dient ter uitvoering van het eerste lid kan het college aanbieders bij het uitblijven van een overeenkomst een termijn stellen, waarbinnen deze tot stand moet zijn gekomen. Na ommekomst van deze termijn zijn betrokken aanbieders in gebreke, tenzij door een of meer van hen een beroep gedaan is op artikel 6.3, eerste lid. Artikel 6.3, eerste en tweede lid, van de Tw luidt als volgt: 1. Indien aanbieders geen overeenkomst als bedoeld in artikel 6.1, zesde lid, tot stand brengen, kan het college op aanvraag van een of meer van hen, de regels vaststellen die tussen hen zullen gelden. Een besluit van het college laat de mogelijkheid van een buitenlandse aanbieder als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, om af te zien van de interconnectie onverlet. 2. Geschillen tussen bij interconnectie als bedoeld in artikel 6.1 betrokken aanbieders met betrekking tot de vraag of de ter zake tussen hen in verband met interconnectie bestaande verbintenissen, of de wijze waarop deze worden nagekomen, strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet, worden op aanvraag van een of meer van de betrokken aanbieders door het college beslecht. In het geval het college van oordeel is dat er sprake is van strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet kan hij ter beëindiging van deze situatie regels vaststellen die tussen de aanbieders zullen gelden. In voorkomende gevallen treden bedoelde regels in de plaats van de tot dan toe bestaande verbintenissen. 2.3 Feiten KPN en KPN Mobile zijn op basis van artikel 6.4 van de Tw aangewezen als aanbieder met aanmerkelijke marktmacht van een vast openbaar telefoonnetwerk en een vaste openbare telefoondienst, respectievelijk van een mobiel openbaar telecommunicatienetwerk en van een mobiele openbare telecommunicatiedienst. UPC is een aanbieder van een vast openbaar telecommunicatienetwerk en van vaste openbare telecommunicatiediensten in de zin van artikel 6.1 van de Tw. UPC heeft bij brief van 25 januari 2002 bij verweerder een geschil aanhangig gemaakt waarbij zij - kort samengevat - heeft verzocht regels vast te stellen die tussen haar en KPN alsmede KPN Mobile zullen gelden ter zake van de rechtmatigheid van transitvergoedingen en de hoogte daarvan. Daarnaast heeft UPC verweerder verzocht KPN Mobile te verplichten een directe interconnectie-overeenkomst met haar tot stand te brengen alsmede de regels en de tarieven vast te stellen die ter zake tussen partijen zullen gelden. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van artikel 6.3, tweede lid, respectievelijk artikel 6.3, eerste lid, van de Tw - voor zover hier van belang - geoordeeld dat: - de vordering van UPC om de hoogte van de transitvergoeding op basis van kostenoriëntatie vast te stellen, wordt afgewezen; - KPN Mobile wordt gelast om binnen vier weken na bekendmaking van dit besluit UPC een redelijk en non-discriminatoir aanbod voor directe interconnectie te doen; - KPN Mobile verplicht is om eventuele meerkosten van UPC door het ontbreken van een mogelijkheid voor directe interconnectie te vergoeden indien directe interconnectie tot stand komt. Op 9 januari 2003 heeft KPN Mobile (onder protest), met verwijzing naar het primaire besluit, een aanbod gedaan aan UPC om te komen tot een overeenkomst inzake directe interconnectie. Dit aanbod houdt in hoofdlijnen het volgende in. KPN Mobile biedt UPC de mogelijkheid om het verkeer dat ontspringt in het netwerk van UPC direct af te leveren bij KPN Mobile. Zij heeft daartoe een Mobile Access Point (MAP) ingericht. Een onderdeel van het MAP is de Mobile Access Gateway (MAG). De MAG verzorgt het schakelen van het binnenkomend verkeer en is vergelijkbaar met een Gateway Mobile Switching Center (GMSC). Deze MAG is onder meer bedoeld als bescherming (firewall) tussen het netwerk van KPN Mobile en de andere aanbieders (uitgezonderd KPN). Het MAP waarmee UPC zou kunnen koppelen staat in Rotterdam. KPN Mobile zal haar eigen verkeer niet direct bij UPC afleveren; dat wil zij via het netwerk van KPN blijven zenden. UPC dient alle kosten te dragen die zijzelf en die KPN Mobile maakt voor het aanleggen en onderhouden van de verbinding voor het afwikkelen van verkeer van UPC naar KPN Mobile. De tarifering is kort gezegd gebaseerd op een aantal kostenposten, zoals materiaalkosten, projectkosten, lijntesten en onderhoud. De tarieven zijn uitgesplitst in een eenmalig tarief en een maandelijks tarief (abonnement). Daarnaast is er een verkeerstarief per minuut (terminating tarief). Naar aanleiding van de bezwaren van eiseressen ter zake van de hierboven genoemde onderdelen van het primaire besluit heeft verweerder aan hen nadere vragen gesteld, die door eiseressen zijn beantwoord. Daarnaast hebben medewerkers van verweerder bij interconnectiepunten van KPN Mobile onderzoek op locatie gedaan. Nadat partijen hun standpunten op een nadere hoorzitting hebben toegelicht heeft verweerder bij het bestreden besluit: - de bezwaren van UPC ten aanzien van het (niet) toetsen van het transittarief van KPN aan het beginsel van kostenoriëntatie ongegrond verklaard; - het bezwaar van KPN Mobile ten aanzien van de in het primaire besluit geconstateerde discriminatie gegrond verklaard; - het bezwaar van KPN Mobile op het punt van de redelijkheid van het aanbod ongegrond verklaard, zij het dat verweerder naar aanleiding van het bezwaar van UPC en het gedane onderzoek wel aanleiding ziet tot concretisering van het primaire besluit ten aanzien van het doen van een redelijk aanbod, waarbij hij de volgende regels inzake de onderhandelingen tussen KPN Mobile en UPC heeft vastgesteld: - de tarieven dienen slechts te worden gebaseerd op faciliteiten die UPC ook werkelijk kan afnemen als onderdeel van de dienst; - de tarieven dienen, voor zover relevant, te worden gebaseerd op de afgenomen capaciteit in plaats van op de verdeling over fictieve afnemers; daarbij dient het tarief te worden opgebouwd op basis van eenheden van 5% van de totale capaciteit; - het bezwaar van KPN Mobile tegen de wijze waarop de meerkostenvergoeding wordt gerekend gegrond verklaard; verweerder stelt (thans) als regel, dat KPN Mobile de meerkosten in de periode tussen het doen van een redelijk aanbod door KPN Mobile aan UPC en de datum waarop de dienst daadwerkelijk kan worden afgenomen door UPC, voor de helft dient te vergoeden aan UPC, in het geval dat een overeenkomst tot directe interconnectie tussen beide partijen tot stand komt; - de overige bezwaren van KPN Mobile ongegrond verklaard. 2.4 Standpunten van partijen 2.4.1 Standpunten van verweerder Verweerder verwijst voor wat betreft zijn standpunt ter zake van het tarief voor transitdienstverlening naar de motivering van zijn besluiten van 23 december 2003 omtrent het EDC-kostentoerekeningssysteem. Kort gezegd, deelt verweerder de visie van UPC dat transitdiensten zijn aan te merken als interconnectie- of bijzondere toegangsdiensten en dat de tarieven van deze diensten kostengeoriënteerd dienen te zijn. Verweerder is evenwel van mening dat aan de norm van kostenoriëntatie op verschillende manieren invulling kan worden gegeven. Ten aanzien van transitdiensten dient volgens verweerder aan deze norm een dusdanige invulling te worden gegeven dat deze in feite niet wordt gereguleerd. Voor wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van een redelijk aanbod acht verweerder voor de beoordeling van die redelijkheid enkele elementen - waaronder één- of tweerichtingsverbinding, koppeling op één plaats, materiaalkosten, projectkosten, kosten voor onderhoud, lijntesten, verdeling over partijen, afschrijvingen en rendementsopslag - uit het aanbod van wezenlijk belang. Ter zake van de eenrichtingsverbinding merkt verweerder op vastgesteld te hebben dat het voor KPN Mobile voordeliger is de huidige indirecte interconnectie voor het verkeer naar UPC te blijven gebruiken. De voornaamste redenen hiervoor liggen enerzijds in de kosten die KPN Mobile moet maken voor directe interconnectie met UPC en de kosten voor het transporteren van het verkeer dat bestemd is voor UPC over haar eigen netwerk naar de (enkele) locatie waar deze interconnectie plaatsvindt (sleepkosten). Anderzijds maakt de beperkte hoeveelheid verkeer die van KPN Mobile naar UPC gaat, dat de huidige transitkosten niet hoog zijn. De afweging die KPN Mobile heeft gemaakt kan volgens verweerder dan ook niet als evident onredelijk worden aangemerkt. Het betrokken belang van UPC weegt hier niet tegen op. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat - gezien de voordelen van netwerkintegritieit van de MAG, de mogelijkheden om beide netwerken onafhankelijk van elkaar in te richten en de beperkte hoeveelheid verkeer - koppeling op één plaats in het netwerk niet onredelijk is. Nu UPC dit niet als een geschilpunt aanmerkt, ziet verweerder geen reden hiervoor regels te stellen. Wat betreft de tarieven ter zake van materiaalkosten heeft verweerder vastgesteld dat deze zijn gebaseerd op de kosten die zijn gemaakt voor de aanleg en instandhouding van “state of the art” apparatuur die niet alleen koppeling tussen netwerken mogelijk maakt, maar die tevens fungeert als bescherming (firewall) van het netwerk van KPN Mobile. Uit een oogpunt van netwerkintegriteit acht verweerder de door KPN Mobile gemaakte keuze te billijken. In dit verband merkt verweerder verder op dat het tarief voorts is gebaseerd op apparatuur voor twee locaties terwijl de (tweede) locatie in Zaandam niet door UPC gebruikt kan worden. Verweerder acht het niet redelijk dat UPC, als potentiële klant van de dienst, voor de door KPN Mobile gemaakte verkeerde inschattingen dient te betalen. De tarieven dienen volgens verweerder dan ook zodanig te worden aangepast dat de kosten voor materiaal dat niet kan worden afgenomen, hierop in mindering worden gebracht. De kosten voor het onderhoud acht verweerder aan de hoge kant, temeer daar de gehele directe interconnectie op één locatie plaatsvindt, hetgeen relatief goedkoop zou moeten zijn in verhouding tot de inschatting van het onderhoud, die is gebaseerd op twee locaties. Daar het evenwel schattingen betreft, waarvoor geen duidelijke norm ter vergelijking te hanteren is, heeft verweerder geen evidente aanleiding gezien deze kosten onredelijk te achten. Verweerder acht het niet redelijk dat UPC een veel groter deel van de kosten moet betalen dan logischerwijs op basis van haar afname aan haar kan worden toegerekend. Het doet volgens verweerder meer recht aan de feitelijke situatie, indien het tarief voor de faciliteiten die UPC afneemt gebaseerd is op het werkelijke beslag dat zij legt op de capaciteit. Een volstrekt evenredige verdeling van kosten naar gebruikte capaciteit kan onder omstandigheden echter onredelijk uitpakken voor KPN Mobile, indien de capaciteit niet geheel verkocht kan worden. Verweerder acht het redelijker de verdeling van capaciteit te baseren op minimaal af te nemen eenheden capaciteit, uit te drukken in een percentage van de totale capaciteit. Dergelijke eenheden dienen niet te klein te zijn, maar wel in voldoende mate recht te doen aan de feitelijke omvang van de dienst die een aanbieder afneemt bij KPN Mobile. De omvang van UPC kan noch als groot, noch als klein worden aangemerkt in vergelijking met andere partijen. Het ligt dan voor de hand een minimale eenheid te hanteren die in elk geval dicht bij de behoefte van UPC ligt en tevens enige ruimte biedt voor groei van een partij als UPC, zonder dat dit gevolgen heeft voor alle tarieven die worden betaald. Gezien deze overwegingen acht verweerder een minimale afname van eenheden van 5% van de capaciteit redelijk. Dat het tarief van lijntesten van KPN Mobile vele malen hoger is dan het tarief dat KPN daarvoor hanteert acht verweerder niet onredelijk. KPN Mobile heeft aannemelijk weten te maken dat lijntesten bij haar beduidend kostbaarder zijn dan bij KPN. Verweerder acht de afschrijvingstermijnen, op basis waarvan de kosten worden berekend die mede ten grondslag liggen aan het tarief, kort, vooral voor de MAG. In de beoordelingen in het kader van kostenoriëntatie gaat verweerder gewoonlijk uit van een termijn van minimaal 5 jaar. In dit geval zou een langere termijn wellicht voor de hand liggen, omdat het een dienst betreft die over het algemeen niet voor korte tijd wordt afgenomen. Ook is de apparatuur niet snel aan vervanging toe. Niettemin acht verweerder de gekozen termijnen ook niet zonder meer onredelijk en ziet hij geen aanleiding een regel ter zake te stellen. Ter zake van de meerkosten merkt verweerder op dat, door het niet doen van een redelijk aanbod - zodat UPC gedwongen werd tot het maken van wellicht onnodig hoge kosten in de vorm van transitvergoedingen - het bij een afweging van de belangen van UPC enerzijds en KPN Mobile anderzijds redelijk is te achten dat de meerkosten voor rekening komen van de feitelijke veroorzaker ervan. Verweerder acht zich bevoegd een dergelijke regel te stellen, aangezien de bevoegdheid van verweerder om regels te stellen niet inhoudelijk is beperkt tot bepaalde onderwerpen. Hij dient daarbij in overweging te nemen hetgeen tussen partijen als redelijk kan worden beschouwd en hetgeen de duurzame concurrentie en het belang van eindgebruikers bevordert. De grief van KPN Mobile, dat zij teveel het risico voor het vervolg van de onderhandelingen eenzijdig moet dragen terwijl UPC ook een rol in dat proces heeft die niet door KPN Mobile kan worden beheerst, kan verweerder volgen. Naar de mening van verweerder dient vanaf het moment waarop KPN Mobile een redelijk aanbod doet dat voldoet aan het primaire besluit, het risico te worden gedeeld. Verweerder past de meerkostenvergoedingregel in die zin aan, dat de vergoeding voor de periode tussen het doen van het redelijke aanbod door KPN Mobile aan UPC wordt gehalveerd. De precieze uitkomst is in dat geval afhankelijk van het onderhandelingsresultaat van partijen. Als blijkt dat er geen meerkosten zijn, behoeft er ook niets te worden vergoed. 2.4.2 Standpunten van KPN Mobile Het beroep van KPN Mobile richt zich tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij zij wordt verplicht aan UPC de zogenaamde “meerkostenvergoeding” te betalen. KPN Mobile stelt zich daarbij primair op het standpunt dat verweerder daartoe niet bevoegd is. In dit verband voert KPN Mobile aan dat de bevoegdheden van verweerder limitatief in de Tw zijn neergelegd. Verweerders geschilbeslechtende bevoegdheid is daarbij beperkt door hetgeen bij of krachtens de bepalingen van hoofdstuk 6 van de Tw is gesteld. Artikel 6.3, eerste lid, van de Tw ziet slechts op een bevoegdheid om regels te stellen ten aanzien van de (inspannings)verplichting om te komen tot interconnectie-overeenkomsten teneinde de interoperabiliteit te waarborgen. Het aan KPN Mobile opleggen van de verplichting om aan UPC “meerkosten” te vergoeden omdat door de afwezigheid van een (althans volgens verweerder) redelijk aanbod voor directe interconnectie, UPC gedwongen zou zijn geweest de transitdienst van KPN af te nemen staat geheel los van de (inspannings)verplichting om interconnectie ten behoeve van interoperabiliteit tussen eindgebruikers te bewerkstelligen. In dit verband wijst KPN Mobile op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 december 2003, inzake het geschil UPC/Canal+ (nrs. AWB 03/406, 03/418 en 03/425). KPN Mobile voert verder aan dat de vraag of UPC al dan niet recht zou hebben op een vergoeding voor het maken van bepaalde kosten wegens het vermeend ontbreken van een redelijk aanbod voor directe interconnectie, tot het exclusieve domein van de civiele rechter behoort. Bovendien is KPN Mobile van mening dat de tekst van de wet zich verzet tegen het vaststellen van een meerkostenvergoeding. De woorden “zullen gelden”, genoemd in artikel 6.3, eerste lid, van de Tw, brengen met zich dat verweerder zich enkel kan uitspreken over de regels die voor de toekomst tussen partijen gelden. Door KPN Mobile te verplichten tot het betalen van een meerkostenvergoeding, heeft verweerder zich tevens uitgesproken over de regels zoals die voorheen golden tussen KPN Mobile en UPC. De tekst van artikel 6.3, eerste lid, van de Tw biedt daarvoor geen basis. KPN Mobile stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder in het onderhavige geval de grenzen van haar (geschilbeslechtende) bevoegdheid heeft overschreden. Verweerder dient zich volgens KPN Mobile bij het stellen van regels te beperken tot hetgeen de partij die het geschil aanhangig heeft gemaakt, heeft verzocht in haar aanvraag. Het verzoekschrift van UPC bevat geen verzoek om KPN Mobile te verplichten een meerkostenvergoeding te betalen. Dat brengt mee dat verweerder niet bevoegd is om binnen het bestek van de onderhavige procedure een dergelijke regel te stellen. 2.4.3 Standpunten van UPC UPC stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder ten onrechte de transittarieven van KPN voor verkeer naar het netwerk van KPN Mobile niet op basis van kostenoriëntatie heeft vastgesteld, althans KPN ten onrechte niet heeft verplicht hem ingevolge artikel 6.6 van de Tw de kostengeoriënteerde transittarieven ter toetsing voor te leggen. Naar de mening van UPC heeft verweerder niet de vrijheid de transitdienst, die onder artikel 6.6 van de Tw valt, niet te reguleren op basis van kostenoriëntatie. De Tw kent op dit punt geen discretionaire bevoegdheid. Verweerder meent dan ook ten onrechte dat er sprake is van een open norm die op verschillende manieren kan worden ingevuld. Een zorgvuldige en evenredige belangenafweging had moeten leiden tot het reguleren van de transittarieven van KPN op basis van kostenoriëntatie. UPC stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat het aanbod van KPN Mobile redelijk zal zijn en zal voldoen aan het beginsel van non-discriminatie voor zover het is aangepast aan hetgeen verweerder daarover heeft besloten. In dit verband merkt zij op dat, indien UPC dezelfde dienst van KPN Mobile afneemt als KPN doet, zij veel hogere kosten aan KPN Mobile dient te betalen dan KPN nu aan KPN Mobile betaalt voor de afwikkeling van het UPC-verkeer. KPN betaalt maximaal één-zesde deel van het bedrag dat UPC op basis van het nieuwe aanbod van KPN Mobile zou moeten betalen. Dat acht UPC evident discriminatoir. Dat KPN voor haar totale verkeer naar KPN Mobile ook een vaste maandelijkse vergoeding betaalt, doet daar niet aan af, daar dit bedrag voor KPN, gelet op haar totale verkeersvolume naar KPN Mobile waarover zij deze vergoeding kan uitsmeren, een druppel op een gloeiende plaat is. Verweerders stelling dat koppeling op één plaats voor UPC niet langer een geschilpunt oplevert, gaat ongemotiveerd voorbij aan de bezwaren van UPC. Hoewel UPC aan heeft gegeven dat koppeling op één plaats geen probleem is, dient er volgens UPC wel ruimte te zijn daarvoor de meest geschikte plaats uit te zoeken. Het beperken van de mogelijkheden tot een locatie in Rotterdam acht UPC discriminatoir en onredelijk. Voorts is UPC van mening dat het aanbod van KPN Mobile voor directe interconnectie niet redelijk is en zij merkt in dit verband op dat KPN Mobile nog steeds een kunstmatige drempel opwerpt door het in rekening brengen van een vaste maandelijkse vergoeding. In andere (Europese) landen is daarvan geen sprake. UPC is voorts van mening dat KPN Mobile alleen de redelijke kosten in rekening mag brengen die gepaard gaan met het tot stand brengen van de daadwerkelijke directe interconnectie met UPC, zoals test- en installatiekosten. Andere algemene kosten ten behoeve van de dienst mobile terminating dient KPN Mobile terug te verdienen via het variabele terminating tarief. Immers, zolang KPN Mobile deze extra kosten volledig kan neerleggen bij de aanbieders die directe interconnectie wensen, blijft de lat voor nagenoeg alle aanbieders te hoog liggen en wordt de bestaande situatie dat al het verkeer via KPN loopt op onnatuurlijke wijze in stand gehouden, waarbij UPC gedwongen blijft transitkosten aan KPN te betalen. Ter zake van de (redelijkheid van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.