R E C H T B A N K R O T T E R D A M sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 202611 / HA ZA 03-2173 Uitspraak: 8 maart 2006 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: 1. [eiser sub 1} en 2. [eiser sub 2], beiden wonende te [woonplaats], eisers, procureur mr. M.A.T. Schroots, advocaat mr. J.J.J. de Rooij te Tilburg, - tegen - 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE MAASOEVER NEDERHEMERT B.V. gevestigd te Nederhemert, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOSKALIS B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagden, procureur mr. J.G.A. van Zuuren, advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam. Eisers worden hierna aangeduid als "[eiser sub 1] c.s." en gedaagden ieder voor zich als "Maasoever Nederhemert” en “Boskalis”. 1. Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaardingen d.d. 27 augustus 2003, herstelexploten d.d. 4 september 2003 en de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde producties; - conclusie van antwoord; - conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis, met producties; - conclusie van dupliek; - akte aan de zijde van [eiser sub 1] c.s., met producties; - een brief van mr. Schroots d.d. 3 januari 2006, met bijlage; - de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities; - de bij gelegenheid van de pleidooien door gedaagden overgelegde bescheiden (4 foto’s en een kaart betreffende de oude waterloop). 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1 [Eiser sub 1] c.s. bewonen sedert 1978 een boerderij aan de Drielse Veldweg 35 te Velddriel, waar zij tot voor kort een kleinschalig agrarisch bedrijf voerden. Blijkens de bij conclusie van repliek overgelegde notariële akte d.d. 1 november 1978 is eiser sub 1 (in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met eiseres sub 2) eigenaar van deze boerderij, bestaande uit woonhuis, stalwagenschuur, kippenhok, erf, tuin en weiland. 2.2 In 1996 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan Maasoever Nederhemert vergunning verleend voor de uitbreiding van de zandwinningactiviteiten van de Hedelsche Bovenwaarden, waarna op de betreffende locatie zandwinningwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Boskalis en door Dekker Zandbaggerbedrijf B.V. (hierna: “Dekker”). In 1999 is een natuurlijke barrière tussen de boerderij van [eiser sub 1] c.s. en de nabij gelegen plas waar de ontgrondingactiviteiten plaatsvinden (een kleilaag bij de zogenaamde ‘Donkere Dam’) verwijderd. Vanaf begin 2001 zijn op de betreffende locatie twee zandzuigers (de ‘Merwede 5’ en de ‘Nordland’) actief. Op de betreffende locatie worden momenteel nog steeds zandwinningwerkzaam-heden uitgevoerd. 2.3 Tot circa april 2001 vertoonden de opstallen van [eiser sub 1] c.s. geen noemenswaardige scheuren. In de loop van het jaar 2001 is scheurvorming opgetreden in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. De scheurvorming is zo ernstig dat, naast het losbrokkelen van het pleisterwerk, muren en ramen ontzet ra(a)k(t)en en deuren niet meer sluiten. Op verschillende plaatsen in het woonhuis zijn de scheuren zo groot dat het inregent. Met name het woonhuis werd getroffen door ernstige scheurvorming. 2.4 [Eiser sub 1] c.s. hebben onderzoeksbureau Royal Haskoning opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de oorzaken van de opgetreden scheurvorming in de opstallen aan de Drielse Veldweg 35 te Velddriel. Royal Haskoning heeft op 23 januari 2003 gerapporteerd (productie 9 bij dagvaarding). In het rapport worden allereerst de mogelijke oorzaken/mechanismen voor de opgetreden scheurvorming geïnventariseerd. Het rapport vermeldt hieromtrent – voor zover hier van belang – het volgende: “ De geconstateerde scheurvorming vanaf 2001 duidt op ontoelaatbare toename van verzakking van met name de hoeken van de woning. (…) Op basis van visuele beoordeling van de opgetreden scheurvorming wordt door ons op constructieve en geotechnische gronden onderstaande schade oorzaken/mechanismen mogelijk geacht: 1. Verlaging van de grondwaterstand ten gevolge van de zandwinning. (…) 2. Locale verlaging van de grondwaterstand tegen gevolge van een defect riool (…); 3. (…) Extreme neerslag (…); 4. Bezwijken van de fundering als gevolg van bijvoorbeeld betonrot; 5. Verandering van belastingsituatie (…); 6. (Verkeers-)trillingen; 7. Piping en/of zettingsvloeiing in de diepe zandlaag; 8. Ligging van de panden op een breuklijn; 9. Opdrijven van de kelder. (…)”. In het rapport worden vervolgens de mogelijke oorzaken/mechanismen 2 t/m 9 nader beschouwd en uitgesloten dan wel niet waarschijnlijk geacht. Vervolgens wordt nader ingegaan op oorzaak/mechanisme 1. Het rapport vermeldt hieromtrent – voor zover hier van belang – het volgende: “Naar aanleiding van het feit dat zich geen wijzigingen in de situatie hebben voorgedaan, behoudens een mogelijke verandering van natuurlijke grondwaterstanden (...), wordt vermoed dat de oorzaak is gelegen in het optreden van een lagere natuurlijke grondwaterstand in de periode van de zomer van 2001, dan in de jaren hiervoor. Naar aanleiding van het feit dat het tijdstip waarop de schade is opgetreden vrij snel volgt op het tijdstip waarop de voormalige noordelijke plas ook bij lage waterstanden in open verbinding met de Maas is gesteld en de naar verwachting aanwezige sliblaag uit de noordelijke en zuidelijk plas is verwijderd, is ons inziens waarschijnlijk dat een verband tussen beide feiten aanwezig is. In principe betekent de verbinding bij lage waterstanden van de noordelijke plas dat de lage waterstand van de Maas nu ook optreedt in de noordelijke plas, terwijl in het verleden de waterstand in de noordelijke plas de laagste waterstand in de Maas niet kon volgen doordat de verbindende watergang droog viel en er wellicht een sliblaag in de noordelijke plas aanwezig was. Tengevolge van de gerealiseerde verbinding tussen de Maas en beide plassen verandert de afstand tussen de woning en het open Maas-waterpeil van 1450 à 1000 m tot minder dan 600 m. Hierbij dient tevens te worden bedacht dat de mogelijk aanwezige sliblaag in de voormalige zandput(-ten) thans geheel verwijderd is waardoor de open waterstanden direct de grondwaterstand in het zandpakket beïnvloeden zonder noemenswaardige weerstand. Zoals blijkt uit de grondwaterkaart is het zandpakket relatief erg doorlatend en wordt het zandpakket afgedekt door een kleilaag. Dit betekent dat een grondwaterstandverandering ter plaatse van de plassen tot op grote afstand merkbaar kan zijn. Geschat wordt dat de verandering van geohydrologische omstandigheden (gecreëerde verbinding en verwijderde sliblaag) kan leiden tot een verlaging van de grondwaterstand nabij de panden van circa enkele dm’s. Een dergelijke verlaging kan, afhankelijk van de exacte grondopbouw nabij de panden en de initiële situatie, leiden tot een optredende zetting van het maaiveld welke ontoelaatbaar is voor de fundatie van de panden.” Onder de conclusies en aanbevelingen staat vervolgens – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “Geconcludeerd wordt dat op basis van het schadebeeld en de relevante gebeurtenissen, Royal Haskoning ervan overtuigd is dat de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door het bij de ontgronding van de Hedelsche Bovenwaarden creëren van een verbinding tijdens lage waterstanden tussen de voormalige noordelijke plas en de Maas en het verwijderen van de sliblaag in de voormalige noordelijke en zuidelijke plas. (…)” 3. De vordering De gewijzigde vordering luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat gedaagden door hun zandwinningactiviteiten en het ter beschikking stellen aan derden van hun vergunning op grond van de Ontgrondingenwet derden daardoor in staat stellen zandwinningactiviteiten uit te voeren onrechtmatig gehandeld hebben (en nog onrechtmatig handelen) jegens [eiser sub 1] c.s. en te verklaren voor recht dat gedaagden uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de totale door [eiser sub 1] c.s. geleden schade, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen omvang, alsmede gedaagden te veroordelen tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 2. gedaagden te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, groot € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001, althans vanaf 1 januari 2002, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, althans te voldoen een door de rechtbank naar redelijkheid vast te stellen bedrag; 3. gedaagden te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de kosten van vaststelling van de schade en aansprakelijkheid van gedaagden, groot € 9.827,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001, althans vanaf 1 januari 2002, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, althans te voldoen een door de rechtbank naar redelijkheid vast te stellen bedrag; 4. gedaagden te veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure en te bepalen dat gedaagden de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis zullen hebben betaald. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eiser sub 1] c.s. aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: 3.1 Gedaagden handelen onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. nu zij met hun zandwinningactiviteiten van de Hedelsche Bovenwaarden inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiser sub 1] c.s., waardoor [eiser sub 1] c.s. schade lijden. De door gedaagden ontplooide zandwinningactiviteiten, die plaatsvinden op een afstand van (hemelsbreed) circa 300 tot 400 meter van de woning van [eiser sub 1] c.s. hebben geleid tot de ernstige scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s.. Deze schade was voorzienbaar, zodat gedaagden zich hadden moeten onthouden van bedoelde zandwinningactiviteiten, althans onderzoek hadden moeten (laten) verrichten naar de mogelijk gevolgen van hun activiteiten voor bebouwing in de omgeving en eventueel voorzorgsmaatregelen moeten treffen. Nu op ieder van gedaagden de verplichting rust tot het vergoeden van deze schade van [eiser sub 1] c.s., zijn zij hoofdelijk voor deze schade aansprakelijk. Maasoever Nederhemert is daarnaast als vergunninghoudster aansprakelijk op grond van artikel 6: 171 BW voor de zandwinningwerkzaamheden, die zij laat uitvoeren door Boskalis en door Dekker. 3.2 Uit het in opdracht van [eiser sub 1] c.s. door het gerenommeerde onderzoek- bureau Royal Haskoning opgestelde rapport d.d. 23 januari 2003 volgt dat de schade aan de opstallen van [eiser sub 1] c.s. is veroorzaakt door de zandwinningactiviteiten van gedaagden. Subsidiair past hier een omkering van de bewijslast, waarbij een uitdrukkelijk beroep wordt gedaan op HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524. Met de winning van zand door middel van een zandzuiginstallatie op een afstand (hemelsbreed) van ca. 300 tot 400 meter afstand van omliggende bebouwing in een gebied met een grondsamenstelling als in kwestie en ligging nabij open wateren (in casu de Maas), wordt het ontstaan van schade – bestaande uit verzakking van huizen als gevolg van fluctuaties in de grondwaterstand – in het leven geroepen. Dit risico heeft zich vervolgens verwezenlijkt. Het is thans aan gedaagden om te bewijzen dat de schade ook zonder hun gedragingen zou zijn ontstaan. Ook de redelijkheid en billijkheid brengen een omkering van de bewijslast met zich, nu [eiser sub 1] c.s. met hun rapport al het nodige hebben aangedragen en gedaagden zicht hebben op omvang en wijze van de ontgrondings-werkzaamheden. 3.3 [Eiser sub 1] c.s. hebben gedaagden bij brief van 30 augustus 2001 van hun rechtsbijstandverzekeraar aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade. 3.4 De omvang van de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade laat zich vooralsnog niet becijferen, zodat vaststelling daarvan dient plaats te vinden in een schadestaatprocedure. 3.5 Vanwege de weigering van gedaagden om de schade aan [eiser sub 1] c.s. te vergoeden, hebben [eiser sub 1] c.s. kosten van buitengerechtelijke bijstand ad € 1.000,-- gemaakt. Gedaagden zijn voor deze kosten aansprakelijk. 3.6 Voorts hebben [eiser sub 1] c.s. kosten gemaakt ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, nu zij Royal Haskoning hebben moeten inschakelen om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijke oorzaken van de scheurvorming. De kosten hiervan bedragen € 9.827,02. Gedaagden zijn op grond van artikel 6: 96 lid 2 onder b BW voor deze kosten aansprakelijk. 4. Het verweer Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser sub 1] c.s. in de kosten van het geding. Gedaagden hebben daartoe het volgende aangevoerd: 4.1 Gedaagden valt niets te verwijten ter zake van de scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. Voor zover door zandwinningactiviteiten van gedaagden een inbreuk zou zijn gemaakt op enig recht van [eiser sub 1] c.s., is die inbreuk niet onrechtmatig geweest, nu het intreden van de schade voor gedaagden niet voorzienbaar was en gedaagden niet onzorgvuldig hebben gehandeld. Gedaagden hebben hun werkzaamheden op zorgvuldige wijze uitgevoerd en exact op de wijze als omschreven in de door de Gedeputeerde Staten afgegeven vergunning. Daarbij hebben gedaagden vóór zij aan de uitvoering van de zand-winningwerkzaamheden begonnen, zich ervan vergewist dat zij de betreffende werkzaamheden konden uitvoeren, zonder daarmee aan opstallen of wegen in de directe nabijheid van de zandwinningslocatie schade te veroorzaken. De zandwinning wordt uitgevoerd op aanzienlijke afstand van de woning van [eiser sub 1] c.s., ten zuidoosten van de autosnelweg, terwijl de woning van [eiser sub 1] c.s. is gelegen aan de andere zijde (de noodoostkant) van de autosnelweg. Aan andere panden of aan de autosnelweg, die zich in de directe nabijheid van de zandwinningslocatie bevinden, is geen schade opgetreden. 4.2 Het causale verband tussen de zandwinningactiviteiten van gedaagden en de scheurvorming in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. ontbreekt. Gedaagden betwisten de juistheid van het rapport van Royal Haskoning. Dit rapport betreft slechts een verkenning van mogelijke oorzaken, die tot de onderhavige scheurvorming zouden hebben kunnen leiden, maar daarin wordt de oorzaak voor de onderhavige scheurvorming niet vastgesteld. De bijzonder voorzichtig geformuleerde passage omtrent de oorzaak van de scheurvorming in de laatste alinea op bladzijde 10 van het rapport, staat in schril contrast met de conclusie op bladzijde 13 van dat rapport, waar Royal Haskoning stelt ervan overtuigd te zijn dat de schade “zeer waarschijnlijk” is veroorzaakt door de ontgronding van de Hedelsche Bovenwaarden. Deze conclusie wordt niet gedragen door de overige inhoud van het rapport. Een zetting van de bodem doet zich voor over een langere periode en zettingsschade treedt in de regel niet op binnen een jaar na aanvang van de zetting. Daarom is het niet mogelijk dat ten gevolge van de natuurlijke lage grondwaterstand in de Maas in de zomer van 2001, zich reeds in de zomer van 2001 zettingschade heeft voorgedaan in de opstallen van [eiser sub 1] c.s. Bovendien is de verlaging van het grondwaterpeil, die wordt beschreven in het rapport van Royal Haskoning, niet veroorzaakt door de zandwinningactiviteiten van gedaagden, maar deze moet worden toegeschreven aan een natuurlijke oorzaak, omdat het grondwater in de zomer van 2001 op een lager peil stond dan normaal. Het is niet juist dat de ontgrondingactiviteiten hebben geleid tot het ontstaan van een verbinding tijdens lage waterstanden tussen de voormalige noordelijke plas en de Maas. De noordelijke plas stond al in verbinding met de Maas door middel van een watergang/duiker. Bovendien bestond er tussen de noordelijke plas en de zuidelijk plas slechts een smalle afscheiding, welke onvoldoende was als effectieve barrière ter afscheiding van de noordelijke plas. Het Maaspeil heeft daardoor altijd al het peil van de noordelijke plas bepaald. Dat is dus niet het resultaat van de ontgrondingwerkzaamheden. 4.3 Niet alleen gedaagden, doch ook – en zelfs met name – Dekker heeft op de betreffende locatie zandwinningwerkzaamheden uitgevoerd. Nu de door gedaagden uitgevoerde werkzaamheden in een veel geringere verhouding staan tot de door Dekker uitgevoerde werkzaamheden, kunnen gedaagden ter zake van het intreden van de betreffende schade niet aansprakelijk gehouden worden. De aansprakelijkheid van Dekker is zoveel ernstiger dan de aansprakelijkheid van gedaagden, dat de fout van gedaagden niet meer kan worden beschouwd als een verwezenlijking van het gevaar met het oog waarop de door gedaagden gemaakte fout had moeten worden vermeden. 4.4 Subsidiair stellen gedaagden dat de ondeugdelijke constructie van de fundering van de boerderij van [eiser sub 1] c.s. heeft bijgedragen aan het intreden van de verzakking en aldus mede heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade. Nu in de wijde omgeving geen ander pand is aangetroffen waar scheurvorming is opgetreden, zoals in de opstallen van [eiser sub 1] c.s., is de schade voor 100% te wijten aan gebreken in de fundering. 4.5 Gedaagden betwisten dat [eiser sub 1] c.s. buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt tot het gevorderde bedrag van € 1.000,--. 4.6 De kosten van Royal Haskoning komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze zijn gemaakt ter instructie van de zaak. Subsidiair stellen gedaagden dat de voor het rapport van Royal Haskoning gemaakt kosten “van kleur zijn verschoten” op het moment dat [eiser sub 1] c.s. de onderhavige procedure aanhangig maakten. 5. De beoordeling 5.1 Tussen partijen is in geschil of er een causaal verband is tussen de door [eiser sub 1] c.s. gestelde schade en de zandwinningactiviteiten door gedaagden. Ter onderbouwing van hun stelling dat dit causaal verband aanwezig is, hebben [eiser sub 1] c.s. het hiervoor onder 2.4 vermelde rapport van Royal Haskoning overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een gerenommeerd onderzoeksbureau is. De rechtbank acht zich voldoende door dit rapport voorgelicht en heeft geen behoefte aan het benoemen van (een) andere deskundige(n). Weliswaar hebben gedaagden de bevindingen van Royal Haskoning betwist, doch de rechtbank acht deze betwisting onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Gedaagden hebben van hun kant geen deskundigenrapport overgelegd noch een uitgewerkt voorstel gedaan voor benoeming van (een) deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.